zondag 30 juli 2017

Fiets

Intussen ben ik neergestreken aan de rand van wat in Yogya de Kampung Boelèè wordt genoemd: het wijkje Prawirotaman. Je kan er goeie pizza en pannenkoeken eten, en toch ook echt Yogya proeven. Daar had ik wel even zin in na al die rijst ‘s ochtends, ‘s middags en ‘avonds – weken achter elkaar.

Ik miste mijn overstap in Denpasar want mijn vlucht vanuit Labuan Bajo had vertraging. Ik heb nog gehold met mijn koffer – en dat ging erg soepeltjes! – maar ik was pas 10 minuten voor het vertrek van mijn vliegtuig bij de check-in en die was toen al dicht.

Ik kon gelukkig meteen op de volgende vlucht, de volgende ochtend om 7 uur, en bracht de nacht door in het Novotel op de luchthaven. Heel vreemd, zo’n hotel na alle avonturen op de eilanden van Nusa Tenggara Timur: lux, onpersoonlijk en steriel. Wel heel comfortabel.

Wat was het fijn om Yogya weer te zien vanuit het vliegtuig: de universiteit te zien liggen, Hotel Ambarrukmo te zien liggen, waar we vroeger op zondag altijd gingen zwemmen. Het voelt echt een beetje als thuiskomen na alle omzwervingen. En bij het Guesthouse Maharani waren ze ook heel blij om me na twee jaar weer te zien.

First things first: een enorme zak met was naar de wasvrouw aan de overkant van de weg. Daarna een fiets cheffen. Net vanmorgen is er een enorme tourtocht met zwetende Yogyanezen langsgetrokken die deze zondag in de aanloop naar de vrijheidsdag van 17 augustus allemaal op de fiets geklommen waren.

Daar zaten ook prachtige omafietsen tussen: van die zware zwarte rijwielen met hoge sturen. Die fiets heet hier sepeda Jawa (de Javaanse fiets). Die moest ik hebben, wist ik, maar verhuren deden ze hem nergens.

Dus ik vroeg het aan de becakkerels. Die weten alles. Ik bedacht dat ik zo’n fiets kon kopen en dan als ik wegga weer verkopen (of weggeven aan iemand die ik aardig vind). Dat vonden ze een geweldig idee. Ze wisten wel een fietsenmarkt en ik werd er meteen heengereden in een becak.

Het was een grote hal met inderdaad heel veel Javaanse fietsen. Drie heren ontfermden zich over de onderhandelingen. Het was een mooi spel. Ze begonnen bij anderhalf miljoen. Ik weigerde meer dan 800.000 te betalen en noemde alle zaken op die niet goed werkten: geen werkende lamp, remmen die beter afgesteld kunnen worden, zadel te laag, zachte banden.

800.000 – daar wilden ze niet eens over praten. 1,4 was het allerlaagste dat ze konden gaan. “Je hebt zowel handremmen als terugtrapremmen, en het zadel kan omhoog” riepen de heren uit. “We pompen ook nog de banden voor je op en de bel is fantastisch!” en inderdaad: de bel is prachtig, zowel qua vorm als qua geluid. Ik kan concurreren met de prachtigste geluiden van de rijdende eettentjes hier.

Maar zonder lamp en werkende handremmen kan ik er echt niet meer dan 900.000 voor geven, zei ik. Daar moest eerst nog een andere bapak (meneer) voor bijgehaald worden. De Mbak (Juffrouw) Boelèè wil niet meer dan 900.000 geven – wil ze ons failliet hebben? Het zadel werd versteld. Daar waren ze met z’n drieën heel hard mee bezig. De banden werden opgepompt. Hier, probeer nog maar eens. Rijdt ie niet prachtig?

Hij rijdt inderdaad heel fijn, hij trapt behoorlijk goed, met een stevig breed zadel en een lekker omafietsstuur zodat je rechtop kan zitten. Maar dat liet ik natuurlijk niet merken, al hadden ze het vast wel door. Ik bleef bij 900.000. Toen konden ze plotseling omlaag naar 1,2 en de deal werd voor 1,1 miljoen gesloten.

Ze konden me ook nog wel een adresje geven waar ik een fietsslot en lampjes kon kopen en ik zeilde vervolgens uiterst tevreden de Jalan Parangtritis af naar het restaurantje waar ze goede pannenkoeken bakken.

Daar staan ook altijd becakkerels, te wachten op boelèèklanten die er logeren. Nou, dat was een hele vertoning toen ik daar aan kwam zeilen op die Javaanse fiets. De fiets werd uitvoerig geïnspecteerd. “Hoeveel heb je daarvoor betaald? Verkoop je hem aan mij door als je weer gaat? Ik geef er een goede prijs voor.” Ik raak die fiets wel kwijt straks.


Nu ga ik er eerst van genieten.  


Grap (2)

Als Indonesiërs een grap gemaakt hebben en iedereen daar net heel hard om heeft moeten lachen, dan vertellen ze hem nog een keer. Net gemaakt die grap, en dan moet ie nog een keer. Zo dus / Begitu.

Eerst dacht ik dat mensen dat alleen voor mij deden, omdat ik immers niet zo snel van begrip ben (ik ben meestal dan ook erg dankbaar dat een grap meerdere keren wordt verteld), maar ze doen het ook als ze helemaal niet op me letten, dus het gaat niet om mij.


Mijn reisgenoten uit Java deden het, de mensen die ik leerde kennen op Flores deden het. Hooggeschoold, laaggeschoold, maakt niet uit. Heb je iets grappigs of opzienbarends gezegd en heeft iedereen daar smakelijk om gelachen, dan vertel je het nog een keer. En dan wordt er nog eens smakelijk gelachen en dan wordt ie misschien nog wel een derde keer verteld in verkorte vorm. Zodat het gelach ook steeds korter kan worden.

zaterdag 29 juli 2017

Taal

Vaak wordt gezegd dat Indonesisch een makkelijke taal is om te leren. Tot op zekere hoogte is dat zo: geen enkelvoud of meervoud, geen verleden of tegenwoordige tijd, weinig gebruik van hulpwerkwoorden en persoonsvormen. Als je een beetje op de woordvolgorde let (en die kan ik voelen uit mijn kindertijd, daar hoef ik niet echt over na te denken), dan kom je een heel end met het achter elkaar zetten van een hoop woorden. Vaak zijn dat ook nog Nederlandse of Engelse woorden. Alle onderdelen van de auto (persnelling, kopling, nomorplat), abstracte woorden (organisasi, polisi), checken/mengecek, pienter/pintar, enz.

Dat je zover kunt komen met wat toch eigenlijk een soort pasarmaleis is, is meteen het probleem: woorden achter elkaar plakken, al eeuwenlang gebruikt om te handelen tussen de eilanden van de archipel. Daar word je lui van, want iedereen begrijpt je toch wel.

Maar om goed Indonesisch te spreken moet je aan de gang kunnen met het verbuigen van de woorden door middel van voor- en achtervoegsels. De nuances van de taal liggen veel meer dan in het Nederlands niet zozeer in het vocabulaire en de woordkeus, maar in hoe je dat vocabulaire verbuigt. Dan wordt duidelijk wie wat voor wie en met wat voor intentie doet of van plan is of heeft gedaan, en welke positie de spreker ten opzichte van objecten en subjecten inneemt.

Daarmee is het Indonesisch ook een heel impliciete taal. Intenties, resultaten, standpunten en plannen worden (althans voor mijn gevoel) niet uitgesproken, maar gesuggereerd door de soort verbuiging die je gebruikt om iets voor iemand te doen of juist niet voor iemand te doen, of wel te doen, maar niet te willen doen, of andersom. 

In het Nederlands heb je dat ook wel – bijvoorbeeld door de verschillen tussen de woorden wachten, opwachten en verwachten, of zetten, bezetten en doorzetten, of innerlijk, herinneren en verinnerlijken, – maar het Indonesisch hangt ervan aan elkaar en als je de verkeerde verbuiging te pakken hebt dan zeg je heel iets anders dan je bedoelt. Dat maakt de taal enorm subtiel en uiterst complex.

Ik kan die verbuigingen nog niet goed hanteren en de afgelopen weken heb ik me voornamelijk min of meer verstaanbaar gemaakt door het stamwoord te gebruiken. Ook heb ik conversaties tussen Indonesiërs onderling slechts ten dele kunnen begrijpen en heb ik leren omgaan met het volgen van en deelnemen aan gesprekken waar ik de grote lijnen wel van meegekregen heb, maar de details absoluut niet. Dan gok ik wat ik denk dat bedoeld wordt en daar antwoord ik dan op. Soms gok ik juist, soms niet, en dan is er verwarring. Best vaak.

Dat is ook een vorm van op mezelf teruggeworpen zijn: dat je niet alles verbaal kunt overbrengen, dat de controle over hoe je begrijpt en begrepen wordt, beperkt is, en dat je moet zoeken naar andere manieren om duidelijk te maken wat je wel en niet wilt of van plan bent of hebt gedaan. Dat is zeg maar best wel een dingetje voor zo’n talig mens als ik...  

Transit

Vanmiddag vlieg ik naar Yogya. Als ik mijn krappe aansluiting in Denpasar haal. De vluchten tussen de eilanden in Oost Nusa Tenggara zijn als een busdienst: ze doen verschillende haltes aan waar sommige mensen uitstappen en anderen niet omdat ze door moeten naar de volgende bestemming van het vliegtuig. Mijn vliegtuig komt uit Kupang, en stopt ook nog in Bajawa voor het van mijn vertrekpunt Labuan Bajo naar Denpasar gaat.


Ik ben precies 3 weken onafgebroken onderweg geweest; luxe-onderweg met mijn eigen auto, maar wel onderweg. Ik ben erg moe, de bezienswaardigheden komen niet echt meer binnen omdat het emmertje vol is.



Maar ondanks de nog net niet handtastelijke om sopir, het nogal eenzijdige menu van rijst met vis (heel erg lekkere verse vis trouwens, en inktvis), de niet altijd schone hotels, en mijn verbale communicatievaardigheden van een tienjarige voel ik me er nog steeds heel goed bij.

Ik ben tot op grote hoogte op mezelf aangewezen, en het is fijn om te ontdekken dat ik op mezelf kan vertrouwen, zowel fysiek als mentaal. Op elke plek waar ik ben geweest heb ik eigen klein sociaal netwerkje kunnen bouwen – tijdelijk en oppervlakkig maar wel functioneel en aangenaam.




En van ervaringen zoals die met om sopir kan ik leren, al was het maar dat ik niet goed gepositioneerd en uitgerust ben om hiërarchische relaties vorm te geven (hoewel ik dat met studenten eigenlijk wel goed kan… misschien heeft het iets met de post-kolonie te maken…)

Naast de overweldigende schoonheid en de even overweldigende vriendelijkheid van de mensen die ik hier ontmoet heb, heb ik ook veel gezien wat me niet aanstaat: de behandeling van dieren, van vrouwen, van het milieu…











Afval wordt hier net als in mijn Utrechtse woonwijk Lombok gewoon uit het raam op de grond geflikkerd. Toen ik de visser op zee bij de koralen de laatste koekjes van mijn pak mariakoekjes aanbood, gooide hij het lege pak zo overboord de azuurblauwe zee in. Ik zag het rode pakje drijven en twijfelde of ik er iets van moest zeggen. Als ik het lege pak mee terug had genomen naar de wal, dan was de prullenbak van de vissersvrouw hoogstwaarschijnlijk ook linea recta in dezelfde zee gedumpt.

En met mijn CO2-voetafdruk van een retourtje Amsterdam-Denpasar, uitgebreid eilandhoppen per vliegtuig en drie weken lang een eigen auto met chauffeur ben ik niet echt in de positie om een visser die een dergelijke CO2-productie in zijn hele leven nog niet zal bereiken de les te lezen over zijn omgang met plastic.

Dus zei ik maar niets en keek naar de rode verpakking in de azuurblauwe zee tot ik die niet meer kon zien.    

vrijdag 28 juli 2017

Om sopir

Ik reis in feite op een koloniale manier door Flores: ik huur voor een hele week in mijn eentje een auto met chauffeur. Ik kan gaan waar ik wil, me laten rondleiden waar ik wil, stoppen waar ik wil om een foto te maken, de raampjes open wanneer ik wil voor het opsnuiven van de geuren en de lucht, de raampjes dicht en de airco aan als het te heet wordt buiten, …

Er zijn hier boelèès die veel stoerder zijn dan ik. Die gaan op een brommertje de berg op, met de bus, of lopen, en ik heb er ook één zien fietsen, maar met de bergen hier is dat misschien eerder dom dan stoer. Het enige excuus dat ik kan verzinnen om een auto met chauffeur te huren is de kwetsbaarheid van mijn benen. En zelf rijden is hier ook echt niet slim. Hier gelden volstrekt andere verkeersregels en die gaan niet over links rijden.

Oom chauffeur (om sopir) is ook voor een hele week gehuurd. We hebben prijsafspraken gemaakt, een route bepaald, bezienswaardigheden vastgesteld. Hij kent elke bocht in de weg, elk uitzichtspunt voor de mooiste foto’s, en elke attractie (warmwaterbronnen, de archeologische vindplaats van de Homo Floriensis). Ik heb heel veel aan hem als gids, maar ik kan ook meer zelf dan de gemiddelde boelèè. Hij is gewend ook de maaltijden te bestellen en de boodschappen voor onderweg te doen. Ik doe dat liever zelf.

Ik durfde het wel aan om na Citra’s vertrek alleen rond te reizen omdat ik al een aantal dagen met Pak Edison gereisd had. Hij kan goed rijden, hij is geen drukdoener. Maar de aan onderdanigheid grenzende stilheid van zijn aanwezigheid tijdens mijn tocht met Citra was als sneeuw voor de zon verdwenen toen hij me van de luchthaven van Maumere kwam halen voor onze achtdaagse tocht. “Hebben ze jou op Sumba wel te eten gegeven?” lachte hij. “Je bent afgevallen.”

Pas na enkele dagen vond ik het vervelend worden. Tegen die tijd had hij al de indruk dat we nu vriendjes waren en dat ie alles tegen me kon zeggen.

Citra onderhield het contact met alle chauffeurs (op Flores, Timor en Sumba) zoals mijn vader dat vroeger ook deed: beleefd, vriendelijk, met af en toe een babbeltje, maar met volstrekte duidelijkheid over wie er de baas was. Als er dingen niet gingen zoals zij wilde, dan werd ze boos, en dan gebeurde het alsnog zoals zij het wilde.

Ik durf dat niet. Ik ben met een mens op reis, niet met een machine of een paard. Dat mens moet niet alleen op tijd eten en rusten, maar moet toch ook een beetje lol hebben in zo’n trip. Dus maak je het gezellig met elkaar. Met Selby in Zuid-Afrika deed ik dat ook altijd zo. Maar Selby was een vriendelijke oudere man, Pak Edison is jonger dan ik…

Toen hij me in het vissersdorp aanraadde mijn koffer op slot te houden en daarna zo ongeveer met zijn tong in mijn oor fluisterde dat hij me wel zou beschermen, was de maat zodanig vol dat ik hem op mijn manier de mantel uit kon vegen. In het Indonesisch. Na wat tijd om te bedenken hoe ik het ging zeggen. In een goed gesprek.

Hij schrok erg van mijn boosheid. Bood uitvoerig zijn excuses aan, en ik kon overbrengen dat zijn excuses niets voor me betekenden als hij zijn gedrag niet veranderde. En dat ik wist dat hij donders goed weet dat dit niet kan. En ik sprak hem systematisch aan met bapak, om heel beleefd en heel afstandelijk te zijn. Maar ja, mijn zinsbouw is natuurlijk nog steeds die van een 10-jarige...

Sindsdien zijn de verhoudingen weer min of meer duidelijk, maar ook wat ongemakkelijk. Zijn we reismaatjes of ben ik de blanke baas? Moeilijk Moeilijk. Gelukkig is er Donald Trump. Daar kun je je in tienjarigentaal over uitdrukken zonder al te familiair te hoeven worden.

Ik verwonder me erover dat ik me niet bedreigd voel door hem. Theoretisch gezien kan hij me naar een stille plek rijden en daar van alles met me uithalen wat ik niet wil, maar ik voel ook heel duidelijk dat hij dat niet durft. Misschien omdat ik ruim twee koppen groter ben dan hij. Misschien omdat hij anders zijn gage niet krijgt. Misschien omdat dat het einde van zijn bedrijf zou betekenen. Alles draait hier om reputatie – die gaat van mond tot mond en heeft wat mij betreft al een deuk te pakken. Misschien omdat hij ergens de kwaadste ook niet is.

Ter geruststelling: hij brengt me morgenmiddag alleen nog naar de luchthaven van Labuan Bajo, op 10 minuten rijden van het hotel waar ik nu verblijf. Dan geef ik hem zijn geld. Zonder fooi. En dan vlieg ik naar Yogya. Voor wat welverdiende rust.

Citra en ik hebben ons via de app in elk geval kriek gelachen om hem, want Citra weet zeker dat hij haar verteld heeft dat hij getrouwd is en twee kinderen heeft. Mannen...

Vissen

Over Flores valt misschien wel het meest te schrijven. Dat vind ik ook nu ik hier weer terug ben en de hele rit van twee weken geleden in 8 in plaats van 3,5 dag doe, met wat omwegen. Maar ik schrijf het minst, omdat ik te druk ben met de mensen om me heen en met het opnemen van wat ik allemaal zie en doe.
Ik zit in het vissersdorpje Nanga Mese aan de noordkust van Flores te schrijven op de veranda van het huis van mensen die de chauffeur, Pak Edison, zijn familie noemt. Maar familie kan van alles zijn hier, van bloedverwanten tot mensen die je in het runnen van je business zo vaak ziet dat je ze kakak, adik (broer/zus) of om (oom) gaat noemen.
Bakkende vis bij kaarslicht. Elektriciteit uitgevallen. 
Zelf de was doen in de badkamer.
De familie van Pak Edison legt zich toe op het voorzien van een echte desa-ervaring voor boelèès: je mag er overnachten, met een echte mandikamer, hurkplee en samen koken op een houtvuurtje. Daar hoef je niets voor te betalen, maar een gift naar eigen inzicht wordt natuurlijk wel verwacht. Ook huur je voor een dag een visserskottertje met een tuffend dieselmotortje waarmee je kunt gaan snorkelen bij de 17 eilanden die hier voor de kust liggen.

Mijn logeeradres hier is schoner dan menige supperior room (dubbele p) van een gemiddeld middenklassehotel op Flores. Er is ook internetontvangst, hetgeen niet vanzelfsprekend is op Flores.

Het is leuk en ongemakkelijk, die status als betalende gast. De mensen bij wie ik in huis ben, weten er niet zo goed raad mee dat ik Indonesisch spreek en versta, geloof ik. Ze zijn gewend gewoon door te gaan met hun leven van alledag en hoeven niets van de boelèès te weten. Dat lukt ook niet echt als je elkaars taal niet spreekt en dat is eigenlijk heel rustig.

Ik, op mijn beurt, durf niet zo goed te lang in de badkamer te verblijven als de rest van de familie (de visser, zijn vrouw, haar moeder en in en uit lopende kinderen) ook nog wil baden, en ik heb gewoon maar de gemiddelde hotelprijs betaald voor de twee overnachtingen om me daar geen buil aan te kunnen vallen. De namen van de visser en zijn vrouw weet ik nog steeds niet. Die hebben ze me niet gezegd en het is te laat om het te vragen.

Maar nu ik hier al een heel etmaal ben en tot morgen blijf, komen er gesprekjes die verder gaan dan complimenten over de heel erg lekkere verse vis die de vissersvrouw heeft klaargemaakt. Dan blijkt dat we van dezelfde leeftijd zijn, begin 40, en dat haar kinderen klaar zijn met school en dankzij de inkomsten van het musim boelèè (het wittenseizoen) naar de universiteit in Makassar kunnen. Dan vertelt de visser dat ze soms ook last hebben van de toeristen die zich tot 3 uur ‘s nachts op een van de eilanden voor de kust willen laten vollopen met bier en dan met een combinatie van alcoholvergiftiging en zonnesteek naar het ziekenhuis van Riung gebracht moeten worden.


De volgende dag, toen we de zee op tuften en ik al snorkelend drie verschillende plekken op een uitgestrekt koraalrif kon bekijken, begon me te dagen dat het toerisme wel eens de redding van de koralen zou kunnen betekenen. Op basis van wat ik gezien heb is tachtig procent van het rif opgeblazen. Vissers doen dat om snel en goedkoop veel vis te kunnen vangen (en daarmee o.a. hun kinderen naar een betere school te sturen).

Het aangezicht is vreselijk: een oorlogsgebied met de grijze geraamtes en brokstokken van het koraalrif die als hopen puin en gruis de diepte van de zee ingestroomd zijn. Op plekken van enkele vierkante meters groeit het koraal aarzelend weer uit en de kleuren (blauw, groen, rood, geel, paars, oranje) en vormen (anemoonachtige holtes, fijne vertakkingen, wierachtigen) laat er geen twijfel over bestaan hoe fenomenaal het rif eruit heeft gezien voor het kapotgebombardeerd werd.


Hopelijk gaan de snorkelende en bierdrinkende toeristen zoveel geld opleveren voor de vissers dat ze stoppen met die explosieven...


zaterdag 22 juli 2017

Soundscape

Soundscape, het gehoorszintuiglijke equivalent van een landschap, is in de cultuurwetenschappen een complex theoretisch concept. Het balanceert op het raakvlak tussen (ingebeelde) natuurlijkheid en (door mensen gemaakte) gecultiveerdheid. In landschappen en klankschappen vertoef je, en je kunt ze interpreteren, en soms dringen ze zich aan je op.
De vallei waar ik vanaf de veranda van mijn hotelkamer op uitkijk, even ten zuiden van Sumba’s hoofdstad Waingapu, is een landschap: met bruine heuvels, een rivier met groentetuinen, mensen die de rivier met een bootje oversteken, de zon die achter de heuvels verdwijnt, auto’s, bromfietsen, vogels die langs zweven en geiten die de hellingen afgrazen.

De vallei is net zozeer een soundscape: met tjirpende krekels, kwakende kikkers bij zonsondergang, een generator of een tractortje in de verte, roepende stemmen, huilende kinderen en op dit moment een aantal ratelende airco’s van de hotelkamers.

Die vind ik irritant.

Nog irritanter vind ik de keiharde muziek die op gezette tijden weerklinkt uit één van de huisjes beneden in het dal. Ver beneden, maar recht onder mijn hotelkamer. De bassen zijn zo hard dat de heuvels lijken te stuiteren. De autotune-productie is zo scherp dat krekels en kinderstemmen verdwijnen. En de onophoudelijke I-II-V-I harmonie is om helemaal gek van te worden.

Arme koloniaal: het klankschap past niet in het landschap – cognitieve dissonantie, ergo irritatie. Je bent op bezoek in deze vallei, Bar. Voor de mensen die hier wonen past het klankschap kennelijk wel in het landschap, anders zouden ze het niet zo maken.

Onderweg op Flores, Timor en Sumba is me duidelijk geworden dat andere mensen net zoveel waarde hechten aan het zelf vormen van hun soundscape als ik. Zodra een gesprek stilvalt, zet om sopir de muziek aan: hard. Op Timor, onderweg naar Temkessi, heb ik gevraagd of het wat zachter kon, want onder de achterbank waarop ik zat bevond zich een enorme whoofer die me bijna de auto uit liet stuiteren bij elke drumslag. Het is een eerste prioriteit, in taxi’s, bussen en huishoudens: een heel erg harde audioinstallatie.

Ik voelde me opgelaten wanneer we met open ramen en knallende Indonesische of Amerikaanse popmuziek een dorp binnen kwamen rijden. Ik voelde me dan een verschrikkelijke invasieve koloniaal. Maar elke bus die langsrijdt, met kippen op het dak en bossen groenten achterop, heeft dezelfde muziek opstaan, vaak nog veel harder dan wij. De dissonantie die ik voel tussen landschap en klankschap wordt niet gedeeld door de anderen die erin vertoeven.

En de muziekcategorieën die ik intellectueel gezien goed kan relativeren (popmuziek, volksmuziek, kunstmuziek – voornamelijk sociale constructies) bepalen nog heel erg mijn luistergedrag. Om sopir Danny had tussen de eindeloze reeksen Indonesische kweelmuziek drie ongelooflijk bijzondere oude Oost-Sumbanese liedjes op zijn playlist staan: een hoge mannenstem begeleid door een driesnarige gitaar. Hij had ze overgenomen van de playlist van een Oost-Sumbanese kennis omdat hij de stijl en zangtechniek zo bijzonder vond, en hij kon me woord voor woord vertellen waar ze over gingen.


Voor hem bestaan Indopop en Sumbanese zangkunst naast en door elkaar, en dat is helemaal niet gek want ze gaan allemaal over hetzelfde: een verre geliefde, een verlangen, het wachten op de volgende dag. Voor mij blijven het gescheiden werelden die mijn ervaring van het rijden door de Sumbase landschappen fundamenteel anders vormgeven.  

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...