Ik wilde terug naar Waibao omdat we een week eerder alleen met Pak Sogan hadden kunnen spreken. En ik was toen ziek, dus ik had niet alles goed op een rijtje. Pak Sogan had waarlijke kennis van de oude gezangen, en ik wil niets afdoen aan zijn oprechte gevoel van verlies, maar ik hoorde soms letterlijk mijn Franse collega door zijn mond praten.
Ik ben hier niet om onderzoek te doen naar hoe die gezangen vroeger klonken, noch om die oude gezangen te reconstrueren. Dat kunnen mensen van hier veel beter dan ik, als ze zich daartoe geroepen voelen. Ik ben hier om oude opnames van die gezangen – wat ze ook waard mogen zijn – terug te geven aan de nazaten van de zangers wier stemmen zijn opgenomen. Dus ik wilde die nazaten vinden. Wat zij er dan verder mee doen is aan hen, niet aan mij of aan welke andere etnomusicoloog dan ook.
De dorpssecretaris, die ook bij het gesprek met Pak Sogan aanwezig was geweest, begreep dat meteen. Hij begon een zoektocht nadat we de namen die Kunst had genoteerd aan hem hadden geappt (met dank aan mijn geweldige team dat dit allemaal coördineerde). De burgerlijke stand van een dorp is hier misschien niet tot in de puntjes schriftelijk geregeld, maar des te beter mondeling. Tot voor kort kon iedereen in het cultuurgebied van Lamaholot (heel Oost Flores) tot tien of twintig generaties terug zijn genealogie reciteren: wie afstamt van wie, wie met wie getrouwd is, wat de namen waren van alle kinderen, enz. Nu kan niet iedereen dat meer in zulk detail (er zijn nu immers schriftelijke alternatieven), maar toch lijkt iedereen nog uit zijn hoofd te kunnen opnoemen wie familie is van wie sinds de zoveelste generatie. Ongelooflijk is dat.
Kunst heeft alleen een roepnaam van de zangers opgeschreven terwijl mensen hier drie namen hebben: een christelijke naam (santa), een dorpsnaam (desa) en een clannaam (marga). Maar de meeste roepnamen komen alleen in bepaalde marga’s voor dus dat hielp. Toen we een paar dagen na ons appje aan de dorpssecretaris terugkwamen in het dorp had hij een nazaat van drie van de vijf zangers gevonden. En die stonden op ons te wachten.
Hun afstamming van de zangers is niet met zekerheid te toetsen, maar ik ben er steeds minder van overtuigd dat dat moet. We liepen een aantal criteria af. De drie toehoorders herkenden meteen de stijlen van de gezangen en gaven aan dat hun respectievelijke vaders en grootvaders die stijlen beheersten, vloeiend in Bahasa mantra (de verheven archaïsche taal) konden reciteren. Natuurlijk kan dat grootspraak zijn, maar ik heb geen reden om aan te nemen dat dat het geval was. Ook de leeftijden klopten met de mogelijkheid dat deze mannen in het jaar 1930 voor Kunsts fonograaf hadden staan zingen.
Het was wederom diep ontroerend om samen naar de gezangen te luisteren, uitleg te krijgen over het belang en de functie van de gezangen, de trots te zien op de gezichten van die mannen terwijl ze voor het eerst de stem van hun vader of grootvader weer hoorden. We moesten nog terug naar Larantuka (2 uur rijden), maar we bleven tot lang nadat de duisternis inviel in Waibao.
Naarmate de avond vorderde kwamen er meer mannen op leeftijd aanhaken. Als je zo’n gezang hoort, legden ze uit, dan mag je niet zomaar langslopen. Dan moet je blijven staan om er aandacht aan te geven en te luisteren.
Ze begonnen onder elkaar te overleggen wat de gezangen betekenden en al spoedig begonnen ze zelf te zingen. Dicht bij elkaar bewogen hun lichamen op het tandak-ritme en reciteerden ze de oude gezangen. Net als in Nias riepen de oude opnamen een spontane gezongen respons op omdat de klanken uit voorbije tijden weer hoorbaar werden voor degenen die ze begrijpen. Er ontstond een hernieuwde verbondenheid.
En net als in Riangkroko werd ons verzekerd dat voor elke inauguratie van een huis, en in elk oogstseizoen er nog gezangen worden gezongen, tot op de dag van vandaag. Ook dat kan grootspraak zijn, en alleen de eenvoudige gezangen betreffen. Het bewijst geenszins het ongelijk van Pak Sogan en mijn Franse collega, maar het narratief van verlies is niet het enige narratief.
Er haakten niet alleen oudere mannen aan, al is het duidelijk dat de kennis en de praktijk van deze gezangen in hun handen ligt. Er staken, net als in Nias vorig jaar, ook kinderen en tieners hun hoofd om de hoek, om naar die grote Belanda te staren maar ook om te luisteren naar de gezangen die uit mijn speakertje kwamen en die toen zelf door de oudere generatie werd voorgedragen.
De reden dat de kennis van de gezangen vooral bij de oudere generatie ligt, heeft overigens niet alleen te maken met het feit dat de praktijk zijn maatschappelijke hoogtijdagen heeft gehad. Jongeren mogen de gezangen niet zingen voordat hun ouder overleden is, zo leerde ik. Ze krijgen het als gift van de voorouders (je kunt het, of je kunt het niet) maar je mag het pas in de praktijk brengen als je vader er niet meer is.
Wat in de cultuur van het Amsterdamse Concertgebouw een maatschappelijke realiteit is (waarom zitten er alleen grijze hoofden in die zaal: omdat er geen jong publiek meer voor deze muziek te vinden is of omdat je deze muziek pas op latere leeftijd leert waarderen?), is hier op Flores een maatschappelijk voorschrift. Alleen mensen die geen ouders meer hebben zijn gerechtigd deze gezangen te uiten. Bij overtreding daarvan wacht ongeluk of de dood.
Maar wat ik leerde die dag in Waibao is dat de continuïteit van een traditie niet zozeer ligt in het letterlijk reconstrueren van hoe het vroeger was, maar veeleer in het samen beleven van trots op die traditie en het vertrouwen dat die op enige (nieuwe) manier belangrijk blijft. Een overheersend narratief van verlies doet dat vertrouwen geweld aan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten