maandag 17 augustus 2026

Napak Tilas

Ik heb er mijn werk van gemaakt: Napak tilas, de sporen van de voorouders traceren. Ik heb veel geblogd de afgelopen weken over hoe mijn voorganger aan de UvA, Jaap Kunst, in zekere zin een soort voorvader van me is en hoe ik op verschillende problematische manieren in zijn voetsporen treed. 

Maar ik heb nog weinig geblogd over de persoonlijke dimensie van mijn verbondenheid met dit land: het koloniale verleden van mijn eigen familie. 

Mijn grootouders hadden een melkveebedrijf in Surabaya, ongeveer tussen 1930 en 1956. Om alle kolonialen daar van verse melk, boter, room en yoghurt te voorzien. Mijn vader en mijn tantes zijn er geboren en opgegroeid. Toen mijn vader in 1956 op zijn 17de naar Nederland moest (ze werden er door Soekarno min of meer uitgeknikkerd, en dat werd ook wel eens tijd, 11 jaar na de onafhankelijkheid), was hij nog nooit in Nederland geweest en hij zou er ook nooit helemaal kunnen aarden. 

Dus toen hij eenmaal een aanstelling had als geograaf aan de universiteit, regelde hij een gastdocentschap voor zichzelf aan de Universitas Gadjah Mada in Yogyakarta. Dan kon ie af en toe terug. Zo bracht ik tussen 1976 en 1990 zelf drie maanden per jaar van mijn jeugd door op de campus van die universiteit. 

En nu (sinds 2025) heb ik er met collega's van diezelfde universiteit mijn eigen onderzoeksproject. Ik verbeeld me dat mijn vader tevreden om een hoekje kijkt.

Mijn ouders hebben me in Indonesië altijd overal mee naartoe genomen: de Bromo in Oost-Java, Bali, Lombok, Toraja in Sulawesi, de Molukken, maar nooit naar Surabaya. Tot een paar jaar geleden was ik er nog nooit geweest terwijl het vanuit Yogya maar 4 uur rijden of treinen is. Een kippeneindje in dit kolossaal grote land. 

In 1969, voor mijn geboorte, was mijn vader terug geweest naar Surabaya en naar het bergdorp Tretes dat door en voor de Nederlanders in de koloniale tijd tot resort was omgebouwd: lekker koel in de bergen. Het moet een traumatische ervaring zijn geweest. Er was in die 13 jaar sinds zijn vertrek zoveel veranderd dat hij het niet meer terug herkende. Hij wilde er nooit meer terug en verkondigde dat ook tot vervelends toe.

Ook hier speelt het spanningsveld tussen het narratief van verlies en nostalgie aan de ene kant en dat van progressiviteit aan de andere kant - een narratief dat ook mijn verhouding tot Kunsts werk kenmerkt - een grote rol. Mijn vader had een fantastische koloniale jeugd (NB: jaaaaren na de politieke onafhankelijkheid van Indonesië) met bediendes die alles achter zijn kont opruimden, en een baboe die als een moeder voor hem was. Tot aan zijn dood stond haar foto op zijn bureau. Maar hij was ook een fervent voorstander van de onafhankelijkheid van de republiek en hij zette zijn onderzoek en zijn onderwijs bewust in voor de "ontwikkeling" van een vrij en onafhankelijk Indonesië, zoals dat in de jaren 1960 en '70 progressief was.

Toen mijn vader terminaal ziek bleek, in 2011, ging hij uitgebreider vertellen over zijn jeugdjaren in Indonesië. Dat was een roerige tijd. Hij geboren in 1939, de Japanse bezetting in 1942, mijn grootvader geïnterneerd en bijna overleden. Van 1945 tot 1950 de onafhankelijkheidsoorlog waarin ze moesten vluchten en huis en haard en hun hond achterlaten. Vanaf 1950 wat rustiger vaarwater, maar nooit helemaal rustig. Soms floreerde mijn grootvader in de zaken van het melkveebedrijf, maar soms waren de omstandigheden zo moeilijk. Dan waren ze alles weer kwijt. 

Ook die omstandigheden staan in schril contrast met hoe mijn vader altijd over zijn jeugd had gesproken, als zorgeloos en avontuurlijk, wat ik herken van mijn eigen jeugd in Yogya: overal inklimmen, overal rondbanjeren, achterop een vrachtwagen door de bergen rijden, op een in gebruik zijnde spoorrails lopen als op een evenwichtsbalk, geen besef van risico en gevaar, altijd overal doorheen gezeild. 

Als een echte etnograaf heb ik in 2011 met een opnameapparaat alles opgenomen wat mijn vader vertelde. In zijn laatste weken ging ik bijna elke dag naar mijn ouderlijk huis om hem te laten vertellen. Het was een soort biecht voor hem. Hij moest het kwijt. Met zijn laatste krachten bereidde hij zich minutieus voor, en hij vertelde en vertelde en vertelde.

Juist omdat mijn vader het altijd vertikte om naar Surabaya terug te gaan, ben ik des te nieuwsgieriger. Ik weet dat er weinig meer over is van wat hij zich herinnerde, maar ik hoef me weinig aan te trekken van zijn herinneringen. Ik wil weten wat er nog wél is, in plekken, verhalen en in verhoudingen met mensen van nu. Het is eigenlijk dezelfde dynamiek als met dat hele Jaap-Kunst-verhaal.

Toen ik enkele weken geleden in Yogya had afgesproken met mijn vrienden Mas Ali en Angus en ik ze dit allemaal vertelde, zeiden ze: waarom gaan we er niet samen heen? We hebben vrij tegen de tijd dat je terugkomt uit Flores. We halen je op van de luchthaven van Surabaya en rijden naar Tretes. 

Het was een geweldig cadeau van ze. Ik had in mijn eentje nooit gedurfd en het bleek allemaal een hele hoop emotioneler te zijn dan ik had verwacht. Ik kon er steeds met ze over praten. En ze werden nooit moe van mijn eindeloze familieverhalen. Wat een vrienden heb ik toch!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Gehecht en onthecht

Zoals ik al zei was ik ontzettend blij dat ik al dit voorouderlijke spoorzoeken niet alleen hoefde te doen. Het maakte veel meer emoties in ...