zondag 9 augustus 2026

Dinsdagmiddag - Waibao

Na onze sessie met de Confreria van Larantuka in de Kapela van Tuan Ma reden we met Om Dus en zijn chauffeur naar Tanjungbunga, een schiereiland in het noorden van Flores waar het eiland in het uiterste oosten toch naar het westen afbuigt. Het is een mooi maar slecht toegankelijk gebied met slechts een paar smalle wegen tussen de heuvels en de zee door.


Van links naar rechts: Goran, Barbara, Om Dus, Om Sopir (chauffeur), Inri, Om Willem

Om Dus, Om Willem, Barbara

Ik was intussen behoorlijk verkouden geworden, snotterig en koortsig, met watten in mijn kop. Vervelend, maar niets aan te doen, behalve flink wat paracetamol slikken. Het landschap was prachtig en we reden lekker met de raampjes open en de airco uit. Iedereen was vrolijk, er werd wat afgelachen met Om Dus en zijn even vrolijke chauffeur. 

Ik kan beter omgaan met mijn taalbeperkingen dan vorig jaar. De beperkingen zijn even groot: heel veel begrijp ik niet, of half, of verkeerd, en zeker Inri en Dida samen glijden van een op een moordend tempo uitgesproken Indonesisch vanzelf naar Bahasa Kupang. Omdat ik Indonesisch ook beperkt begrijp weet ik nooit hoe en wanneer die roetsj naar dialect plaatsvindt en weet ik ook nooit of ik iets zou moeten begrijpen of niet. Maar ik heb me daar bij neergelegd. Soms is het lastig en moet ik ze echt wijzen op mijn beperkingen, dat ze hun tempo moeten aanpassen en het geduld moeten opbrengen om af en toe iets te herhalen. Maar ik voel me minder geïsoleerd dan vorig jaar, al voel ik me soms wel een beetje door hen buitengesloten. Dat heeft misschien net zozeer met leeftijd, afkomst en positie te maken als met taal.

Dus ik liet iedereen lekker plezier hebben in de auto en als ik iets begreep kon ik even meedoen. Mijn energie sparen voor de bijeenkomst in het dorp straks. 

We arriveerden in de namiddag in de administratieve gemeente Waibao, een gemeentefusie tussen Tengahdei en Lebao waar Kunst in 1930 opnamen maakte. Intussen was ook Pak Willem ingestapt, een kennis van Om Dus die lokale contacten heeft. We wachtten in een bamboe-optrekje aan de weg dat het midden hield tussen een bushalte en een honk voor bikers (het was het laatste). 

De dorpssecretaris was er, en een aantal inwoners van het dorp, en we wachtten wederom op een oudere cultuurkenner in het dorp, Pak Sogan. Zijn zoon, een vriendelijke jongeman die Suharto heette (vernoemd naar de dictator van de Orde Baru [1965-1998]), vertelde dat zijn vader vroeger intensief heeft samengewerkt met een van mijn collega's. Zij was vanaf 2016 in het dorp en heeft met de drie ouderen die de oude gezangen nog konden zingen, geprobeerd ze te reconstrueren. Zij heeft toen ook opnames gemaakt.

Pak Sogan arriveerde en was uiterst hulpvaardig, maar leek ook een beetje vermoeid dat nu weer een Europeaan langskwam met oude opnamen. Dat had veel te maken met de teleurstellende uitkomsten van alle moeite die hij en mijn Franse collega zich getroost hebben om de liederen voor het nageslacht te behouden. Ze hebben de gezangen niet alleen opgenomen, ze hebben ook de lokale overheid betrokken om te proberen de praktijken weer onderdeel te laten zijn van het curriculum van de lagere en middelbare scholen in de omgeving, zodat ieder kind ze als vanzelfsprekend leert, net als het Indonesisch. 

Dat liep allemaal op niets uit, niet alleen door traagheid en laksheid van de overheidsinstanties (die endemisch is in heel Indonesië), maar ook omdat die jeugd echt niet geïnteresseerd bleek. Net als Bapak Stefanus in Lewoloba vertelt Bapak Sogan dat hij kinderen en tieners niet kan motiveren het te doen en te oefenen. "En het is moeilijk, begrijp je", legt hij uit, "de makkelijke gezangen en dansen gaan nog wel. Maar de ingewikkelde gezangen en dansen, die vergen oefening en die kan niemand meer."

Het grijpt Pak Sogan zo aan dat hij even moet huilen. De andere twee mannen die de gezangen nog konden zijn inmiddels gestorven. Hij is als enige over, terwijl er altijd meerdere mensen nodig zijn voor een uitvoering. Het geeft hem een overweldigend gevoel van verlies. 

Net als Pak Stefanus in Lewoloba legt hij uit waar elk gezang voor dient. Het is heel duidelijk dat ze hun relevantie hebben verloren. Vanaf 1965 werden de gezangen en inwijdingsrituelen steeds minder gepraktiseerd, vertelt hij. Ik verbind dat in mijn hoofd met het begin van de Orde Baru, het regime van Suharto die als marionet van de VS elk links geluid in Indonesië met grove mensenrechtenschendingen de kop in drukte in ruil voor de modernisering van landbouw en industrie vanuit de VS. Kleinschalige landbouw werd onrendabel en overbodig. Het is begrijpelijk dat de rituelen die daarbij hoorden ook steeds minder relevantie kregen. Het is des te ironischer dat Pak Sogan zijn zoon Suharto heeft genoemd. 

Het is een waarheid die Kunst al anticipeerde. Hij schreef in de jaren 1920 en 1930 al dat ie een eeuw te laat was gekomen. Dat alles vermalen en vergruzeld werd tussen de vernietigende kaken van wereldwijde industrialisatie, schaalvergroting en verstedelijking. Het is de waarheid waar ook ik mee grootgebracht ben, en waarin ik lang vurig heb geloofd: dat gevoel van verlies, van nostalgie ook, naar een verleden waarvan we als westerse bezoekers de restjes meekrijgen als exotische relikwieën van verschil met ons eigen verleden. Het is ook het narratief van mijn Franse collega, met wie Pak Sogan jaren intensief heeft samengewerkt, een samenwerking waarin dat verlies nog eens werd bevestigd door de apathie van de huidige generatie en de instituties. 

Maar die waarheid heeft zijn eigen problemen en zijn eigen geweld. "Het lijkt alsof jouw collega alle hoop heeft omgebracht" zei Om Dus in de auto terug, en ik had het zelf niet beter kunnen zeggen. Alsof de identiteit van een gemeenschap alleen afhangt van gezangen die uniek klinken in de oren van Europeanen zoals Kunst, mijn Franse collega en ik. Alsof die identiteit en eigenwaarde niet ook gevormd en ontwikkeld kunnen worden in Florinese reggae en hiphop-battles in lokale talen. Het is een heel eenkennig, puristisch en singulair narratief en mede omdat ik er zelf zo vurig in geloofd heb, maakt het me nu boos.  

Vanmiddag gaan we terug naar Waibao om met andere mensen van de gemeenschap te praten, en te doen waarvoor ik gekomen ben: de nazaten vinden van degenen die op de opnames uit 1930 zingen. Wat zij met die opnames willen doen is aan hen, niet aan mij. 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Naar de grond van de voorouders

Ik ga weer een lange blog schrijven in een aantal afleveringen. We hebben zoveel gedaan in de afgelopen week. Het doel van deze reis naar Oo...