zondag 9 augustus 2026

Naar de grond van de voorouders

Ik ga weer een lange blog schrijven in een aantal afleveringen. We hebben zoveel gedaan in de afgelopen week. Het doel van deze reis naar Oost Flores is dat ik geluidsopnamen die Jaap Kunst in juli en augustus 1930 in Flores maakte kan delen met mensen die nu in de dorpen leven waar hij de gezangen een eeuw geleden opnam. 

Wat dat delen inhoudt, staat voor mij niet vast: het afspelen van de gedigitaliseerde wasrol, het laten zien van gedigitaliseerde foto's en zwijgende film, het uitwisselen van USB-sticks met de gedigitaliseerde bestanden van de specifieke regio, het doorgeven van het webadres van de website waar de opnamen online te vinden zijn, wellicht ooit ook het overhandigen van de wasrollen zelf aan nazaten van de zangers van toen.  

Met gedigitaliseerde bestanden gaat het niet meer zozeer om het overhandigen van een object, maar om het samen beleven van de ervaringen die dat bestand kan oproepen. Dat betekent niet dat de objecten onbelangrijk zijn. Mijn goede vriend John Njenga wees me erop dat, hoewel de wasrollen eigenlijk niet meer afgespeeld kunnen worden, ze toch waarde kunnen hebben voor brongemeenschappen omdat ze de stemmen en geluiden van een eeuw geleden hebben vastgelegd, en die stemmen nog steeds bevatten en dragen. Maar die objecten heb ik nu niet bij me. Ze liggen, weliswaar onder mijn curatie, in het Phonogramm-Archiv in Berlijn. 

We hebben ons dit jaar beperkt tot Oost Flores dat moeilijker toegankelijk is dan Midden en West Flores, en ook omdat ik er nog nooit geweest was en mijn expeditiedrang - die ik heb geërfd van mijn koloniale familie en van mijn voorganger aan de UvA Jaap Kunst - niet helemaal te onderdrukken is. Van de 182 gezangen die Kunst in Flores opnam komen er slechts 23 uit Oost Flores. Uit Larantuku (het O Vos Omnes), en de dorpen Lewoloba, Tengahdei, Lebao en Riangkroko. 


Al die dorpen heb ik in de afgelopen week bezocht met de digitale registraties van Kunsts geluids- en beeldopnamen. Elk bezoek was een betekenisvolle gebeurtenis. Ik merkte ook dat het iets verslavends heeft voor mij: de uitingen van overweldigende dankbaarheid dat ik uit Nederland ben gekomen om dit materiaal te delen, de zichtbare emotie die fysiek wordt in rillingen en soms zelfs huilen bij het horen van de opnames. In Nias gebeurde dat ook, en iets in mij wilde dat hier in Flores ook weer meemaken. Dat geeft me (met die geluidsregistraties als een soort tijdmachine in mijn hand) een vreemd soort macht die ik opzoek en ook veroordeel in mezelf. 

Er zit ook een vreemd spanningsveld in mijn handelen dat zowel een voortzetting als een uitdaging is van Jaap Kunsts handelen. Ik zie de waarde van zijn ondernemingen. Zonder zijn opnames hadden we nooit enige indruk kunnen krijgen van hoe gezangen honderd jaar geleden klonken. Dat brengen toehoorders keer op keer aan me over. Maar, om redenen die ik in eerdere blogs al noemde, ben ik ook heel kritisch op wat hij deed en hoe hij het deed, vanuit een vanzelfsprekende positie van superioriteit, iets produceren over mensen meer dan met mensen.

En al die punten van kritiek bevinden zich op een spectrum waarin ik me net zo goed beweeg. Ik treed in zijn voetsporen door bijna honderd jaar later over dezelfde soms bijna onbegaanbare weggetjes dezelfde dorpjes langs te lopen. Hij nam iets mee; ik breng het terug, maar door dat te doen krijgen de opnamen de autoriteit die Kunst ze toekende. En dat doe ik, net als Kunst, met een team van lokale mensen zonder wier hulp ik de dorpen nooit bereikt had en de communicatie met vertegenwoordigers van de gemeenschap en nazaten van de zangers nooit had kunnen beginnen. Ik reproduceer en voltooi zijn werk, een beetje tegen wil en dank.



En toch probeer ik het ook anders te doen. Kunst ging uit van het feit dat deze culturele uitingen zouden verdwijnen. Dat klopte ten dele, maar niet helemaal. Vaak genoeg geven mensen aan dat gezangen en rituelen nog gepraktiseerd worden, al is dat op een andere manier en soms in een andere context dan vroeger. Kunst zag zijn opnamen als objectieve registraties van een aan specifieke bevolkingsgroepen toebehorende cultuur die hij als onveranderlijk en puur beschouwde, als inherent en gedetermineerd. Zoals een collega van mij het formuleerde: als een edelsteen - mooi, gepolijst maar volkomen versteend.

Ik ben grootgebracht met dat idee van de edele puurheid van oosterse tradities. Het is een koloniaal idee waarin de inlander altijd intrinsiek anders moet zijn en blijven dan de Europeaan, en van de moderniteit  uitgesloten wordt. Elke keer als ik in Indonesië ben, kost het me moeite om dat diep gevoelde uitgangspunt van me af te schudden in het omarmen van een geleefde steeds veranderende culturele realiteit van nu, met reggae, karaoke, de prominentie van Instagram en TikTok waarin, zo leer ik steeds beter, ook cultuur gevormd, gedeeld en geleerd wordt, al is dat op een andere manier dan waarin ik me thuis voel. Maar wie ben ik om te bepalen wat de vormen van overdracht zouden moeten en kunnen zijn? Daarin hoop ik anders te zijn en te handelen dan Jaap Kunst.  

Zondag - Om Dus

Op zondag waren we, na de vroege ochtendmis in Larantuka, gaan passagieren (pasasir heet dat hier): Inri heeft een oom aan de andere kant van de Ile Mandiriberg. Die oom had ze al bijna twintig jaar niet gezien, maar zoals dat hier gaat: als je in de buurt bent, dan zoek je iemand op. Dat is een ongeschreven regel. 

Dus wij met de chauffeur van onze homestay aan het strand een rondje om die berg. Om Bernardus - een kwieke zestiger met een weelderige bos witte krullen, type kunstenaar/architect, in zijn jongere jaren naar eigen zeggen erg in trek bij de dames - ontving ons hartelijk in zijn zelfgebouwde huis in het dorp op de helling. We kregen gemberthee en cassave en ik vertelde aan hem en zijn vrouw wat ik kwam doen. 

Dat vond hij geweldig. Hij bood meteen aan om te helpen. Ik vraag me altijd af hoe mensen dat regelen maar het werkt in heel Indonesië zo. Het is een belangrijk aspect van mijn witte privilege, maar hulpbereidheid hier sijgt daar ook bovenuit. Mensen vegen hun agenda leeg en gaan je helpen: met telefoontjes naar relaties in bepaalde dorpen (toevallig of niet de dorpen waar ik moest wezen), met het aanbieden van hun auto met chauffeur die de weg op zijn duimpje kent (en dat is nodig met de wegen hier), en uiteindelijk wilde hij zelf ook wel mee op stap. 

Aanvankelijk weet je nooit wat je aan iemand hebt. Maar Om Dus (de bijnaam van Bernardus) is Inri's oom, of oudoom of achterneef, dus je kan ook geen nee zeggen. Achteraf kan ik zeggen dat mijn doelen zonder Om Dus nooit zouden zijn bereikt. Hij was onmisbaar in het leggen van contacten, in het gladstrijken van misverstanden, in het faciliteren van vervoer, en in het hebben van een fantastische sfeer in de auto tijdens lange en langzame ritten over heel moeilijk begaanbare wegen. 

De onmisbaarheid van Om Dus betrof natuurlijk hem persoonlijk - zijn betrokkenheid, zijn humor, zijn kennis -  maar ook twee primaire andere zaken. Zijn culturele achtergrond als moedertaalspreker van Lamaholot, een achtergrond die hier overal zonder veel omhaal in tamelijk etnische termen wordt uitgelegd (huidskleur, haarsoort, neuzen - dat soort werk, al erkent iedereen ook de migratiestromingen en de mengingen) en zijn geslacht als basis voor zijn genderrol. 

Er bevinden zich twee bevolkingsgroepen op het schiereiland Tanjungbunga, de aanvankelijk nomadische Paji en de meer sedentaire Demong. Om Dus behoort, net als bijna alle andere mensen die we hebben ontmoet, tot die laatste groep. Alle gezangen die Kunst heeft opgenomen zijn Demong. De Paji blijven een raadsel. Niemand dringt tot hen door, zegt men hier. Ik heb de afgelopen dagen veel geleerd over de geschiedenis van Indonesië en Zuid-Oost Azië van de tijden voordat, zoals ze dat hier (net als in Nias) zeggen "het geloof arriveerde" met de Europeanen. Invloeden uit India die via de Molukken hier terecht kwamen. De Paji en de Demong die altijd hebben gevochten om het schaarse drinkwater. 

En dan het overweldigende patriarchaat in deze samenleving dat vast ouder is dan de hier oppermachtige katholieke kerk, maar er wel genoegzaam door versterkt en in stand gehouden wordt. Ik heb er meer last van dan op Java, waar mensen misschien dingen denken over vrouwen, maar niet meteen uiten naar een witte vrouw van middelbare leeftijd die docent is aan een Nederlandse universiteit. Hier is dat anders. We hadden een welbespraakte lokale man met senioriteit nodig om überhaupt ergens te komen, anders word je steeds volkomen overhoop gekakeld of in een hoek geluld. Met een kalme energie kletste Om Dus ons daar altijd weer uit. 

Samen met Inri, Didi en Goran konden we een brug vormen om alle cultuurverschillen hanteerbaar te houden.

Maandag - Lewoloba

Dus zo vertrokken we op maandagmorgen, toen Goran met zijn filmapparatuur uit Kupang was gearriveerd, met de auto van Om Dus naar Lewoloba, een half uurtje rijden van Larantuka. Dankzij de bemiddeling van Om Dus werden we ontvangen door de burgemeester van het dorp in een heel klein kantoortje op het gemeentehuis. Ik vertelde wederom wat ik kwam doen, en de burgemeester liet weten dat hij erg opgelucht was dat ik Indonesisch sprak, want hij had gevreesd dat hij zich in het Engels had moeten uitdrukken. 

Mijn bezoek was voorbereid want een oudere meneer die veel van de oude gebruiken weet was ook aanwezig. Deze 75 jaar oude meneer Stefanus nam het woord, en begon een college over de geschiedenis van het dorp. Vroeger lag het dorp hoger op de berg, maar na een aardverschuiving (longsor) in 1979 is het dorp in 1981 in zijn geheel naar hier verkast. Het oude dorp is nu verlaten, overgroeid, er zijn geen huizen en mensen meer. 

Het gezelschap van burgemeester, ambtenaren en ons hele team verplaatste zich naar een ruimte met een groot TV-scherm waar ik mijn powerpointpresentatie kon laten zien, met foto's, film en geluidsopnamen. Er werden snacks en drinken binnengebracht. Bapak Stefanus luisterde geconcentreerd, sprak uitgebreid over de rituele en maatschappelijke functies van gezangen (voor het inzegenen van een landje, voor het vragen van toestemming van de voorouders, voor het inaugureren van een huis). 

Terwijl hij aan het praten was, stopte hij plotseling. Hij rilde even (in het Nederlands zouden we zeggen: er liep iemand over zijn graf), en greep toen met beide handen zijn bovenarmen vast: "Waduuuh, merinding!" prevelde hij. "Ik krijg kippenvel/ik krijg het te kwaad/ik krijg de rillingen."

Die uitspraak hebben we in elk dorp dat we bezochten gehoord: merinding. De woordelijke vertaling van een fysieke reactie die overal weer anders was, maar overal heftig. De opnamen doen iets fysieks met mensen die begrijpen wat er klinkt.

De verhalen die loskomen brengen trots over, maar ook een gevoel van verlies. Pak Stefanus is nog een van de heel weinigen die de oude gezangen en dansen kent. Hij vertelt dat hij de jeugd verleidt met sterke drank en sigaretten om de oude praktijken te leren. Maar ze leren niet echt. Ze zijn niet echt geïnteresseerd. De gezangen zijn niet relevant voor hen. Ze luisteren naar hiphop en reggae en kijken TikTok-filmpjes. Die zijn wel relevant voor hen. 

We hebben de afgelopen dagen veel gepraat over die relevantie, meer dan over de precieze vorm, structuur en het karakter van de gezangen. Ze hadden een functie in een kleinschalige landbouw- en visserijgemeenschap, maar die kleinschaligheid is er niet meer. Katoen wordt nu niet meer hier verbouwd, geoogst, gesponnen en geweven met alle gezangen die daarbij horen. Er wordt een kant-en-klaar katoenen kledingstuk in de winkel gekocht. Moet je daar rouwig om zijn met een zoveel hogere levensstandaard dan een halve eeuw geleden? Ja, zeggen sommigen, want mensen ontlenen hun identiteit en eigenwaarde aan deze vormen van expressie. Dat laatste is absoluut waar; dat heb ik de afgelopen dagen gezien. Maar kun je die identiteit en eigenwaarde niet ook aan andere expressievormen ontlenen? Het antwoord op die vraag wordt voor mij steeds duidelijker. 

Dinsdagmorgen - Kapela Tuan Ma

De Armida van Larantuka bestaat uit een aantal Kapela's (kapellen) die niet alleen bepaalde kruiswegstaties in de lijdensweg van Christus symboliseren, maar ook verschillende "stammen" (suku-suku) in de regio die elk een eigen taak hebben in het vormgeven van die kruisweg. 

De kapela van Tuan Ma, onder de berg Ile Mandiri, is één van de belangrijkste in de Armida. Daar waren we genood om samen met de Confreria Kunsts opname van het O Vos Omnes in Larantuka uit 1930 te beluisteren. De Confreria bestaat o.a. uit de Presidenti (voorzitter), Scribant (secretaris), Prokurador, Persadu en Pemimpin Muji (de voorzitter van de O-Vos-jury die de 10 zangeressen selecteert voor de processie op Goede Vrijdag tijdens de Samana Santa). Twee van de zangeressen die het O Vos Omnes in recente jaren tijdens de Samana Santa hebben gezongen waren ook aanwezig (Zie daarvoor deze opname van de Samana Santa van vorig jaar).

Het was een ontroerende bijeenkomst, met veel kippenvel, veel achtergronduitleg, en veel dankbaarheid dat ik naar Larantuka gekomen was voor dit ene lied (dat is niet zo, maar wel een beetje). Al die observaties heb ik netjes in mijn etnografische rapport vastgelegd. Voor mij was de bijeenkomst vooral interessant in het observeren van de genderrollen. 

Het O Vos Omnes moet heden te dage door een vrouw gezongen worden. Het is immers Veronica die in Lamentaties 1:12 haar verdriet uit, een verdriet dat uiteindelijk het verlies van de Heilige Maria zelf symboliseert (zo is mij dat althans verteld, vraag me niet naar de details...). 

Naar mijn idee zingt er een man op Kunsts opname. En ik ken het Europese katholicisme als een traditie die vrouwen veelal buitensluit van het vormgeven van publieke vertoningen en, als het echt niet anders kan, vrouwenrollen door jonge jongens laat vertolken. Mijn teamleden uit Kupang herkenden dat helemaal niet en ook de jongere generatie Florinezen niet. Best emancipatoir, vond ik: Veronica ook echt door een vrouw laten personifiëren. 

In gesprek met de Confreria bleek het toch meer te zitten zoals ik dacht (Europees dus). De juryvoorzitter Bapak Pieter da Silva wist te vertellen dat tot begin jaren '60 het O Vos Omnes uitsluitend door mannen werd gezongen. Hoe heeft dat er dan uitgezien, wilden de jonge vrouwen die de rol de afgelopen jaren op zich hebben genomen weten: een man die Veronika moet voorstellen? 

Dat waren vaak hele jonge mannen, vaak nog jongens, vertelde Pieter da Silva, en dat verbaasde menigeen. En zoals op bovengenoemde YouTube-opname te zien is gaat de vertolker van Veronika gesluierd. Je weet niet wie de zanger(es) is. Dat kan dan net zo goed een jongen zijn. 

Zo ontstond er een overdracht van kennis tussen een oudere generatie en een jongere generatie naar aanleiding van deze oude opname, en die generaties waren in het gesprek mede gearticuleerd door gender. Het kerk-establishment uitsluitend oud en mannelijk; de zangers jong en vrouwelijk. 

Dat vertaalde zich naar de dynamiek van het gesprek in een samenleving waar mannelijkheid en senioriteit prioriteit krijgen boven vrouwelijkheid en jeugd. Ook vrouwen houden zich aan die ongeschreven regel. Ons voornamelijk vrouwelijke team stelde vragen aan de zangers: zij kunnen in muzikaal en technisch opzicht immers veel meer vertellen over wat ze in de opname horen dan iemand die toevallig voorzitter van de kerkraad is. Maar aanvankelijk werden onze vragen gericht aan de vrouwelijke zangers steeds beantwoord door een van de kerkvaders. 

We bleven doorvragen (mede dankzij mijn geweldige teamleden uit Kupang, die de dynamiek ook zagen), en uiteindelijk kwamen de vrouwen wel aan het woord. 

Ik was ontzettend opgelucht om te merken dat ze toch een heel eigen mening naar voren brachten. Terwijl de confrères nadrukkelijk hadden beweerd dat deze opname uit 1930 precies hetzelfde klinkt als de huidige uitvoeringen, gaven de zangers aan hoeveel verschillen er zijn tussen die tijdperken. De opname uit 1930 is sneller, meer gehaast (waarschijnlijk door de tijdsdruk van de wasrol van vier minuten). Maar ook met minder glissando dan nu om te ruimte tussen toonhoogtes op te vullen. Ook woorden worden volgens de zangers nu anders uitgesproken. 

Ook kwamen we dankzij goed doorvragen van mijn teamleden meer te weten over de persoonlijke motivatie van de zangers om dit gezang te zingen en op te gaan voor de auditie waarin slechts 10 zangers uit tientallen kandidaten worden verkozen.

De antwoorden deden me beseffen dat deze traditie nog leeft omdat mensen er op heel jonge leeftijd al mee bezig zijn, de melodie horen van hun ouders en grootouders, een diepe devotie meekrijgen vanuit hun katholieke geloof in een leven dat zich afspeelt in de kerk. Klasgenoten en sportclubgenoten bediscussiëren eindeloos wie dit jaar verkozen is om te zingen, er is een urgentie om erbij te horen. Het heeft iets idolatrisch, naar mijn gevoel, alsof het gaat om een popsong die iedereen op school moet kunnen meezingen. Dat idolatirische is waarschijnlijk meteen de kracht van de traditie. 

Dinsdagmiddag - Waibao

Na onze sessie met de Confreria van Larantuka in de Kapela van Tuan Ma reden we met Om Dus en zijn chauffeur naar Tanjungbunga, een schiereiland in het noorden van Flores waar het eiland in het uiterste oosten toch naar het westen afbuigt. Het is een mooi maar slecht toegankelijk gebied met slechts een paar smalle wegen tussen de heuvels en de zee door.


Van links naar rechts: Goran, Barbara, Om Dus, Om Sopir (chauffeur), Inri, Om Willem

Om Dus, Om Willem, Barbara

Ik was intussen behoorlijk verkouden geworden, snotterig en koortsig, met watten in mijn kop. Vervelend, maar niets aan te doen, behalve flink wat paracetamol slikken. Het landschap was prachtig en we reden lekker met de raampjes open en de airco uit. Iedereen was vrolijk, er werd wat afgelachen met Om Dus en zijn even vrolijke chauffeur. 

Ik kan beter omgaan met mijn taalbeperkingen dan vorig jaar. De beperkingen zijn even groot: heel veel begrijp ik niet, of half, of verkeerd, en zeker Inri en Dida samen glijden van een op een moordend tempo uitgesproken Indonesisch vanzelf naar Bahasa Kupang. Omdat ik Indonesisch ook beperkt begrijp weet ik nooit hoe en wanneer die roetsj naar dialect plaatsvindt en weet ik ook nooit of ik iets zou moeten begrijpen of niet. Maar ik heb me daar bij neergelegd. Soms is het lastig en moet ik ze echt wijzen op mijn beperkingen, dat ze hun tempo moeten aanpassen en het geduld moeten opbrengen om af en toe iets te herhalen. Maar ik voel me minder geïsoleerd dan vorig jaar, al voel ik me soms wel een beetje door hen buitengesloten. Dat heeft misschien net zozeer met leeftijd, afkomst en positie te maken als met taal.

Dus ik liet iedereen lekker plezier hebben in de auto en als ik iets begreep kon ik even meedoen. Mijn energie sparen voor de bijeenkomst in het dorp straks. 

We arriveerden in de namiddag in de administratieve gemeente Waibao, een gemeentefusie tussen Tengahdei en Lebao waar Kunst in 1930 opnamen maakte. Intussen was ook Pak Willem ingestapt, een kennis van Om Dus die lokale contacten heeft. We wachtten in een bamboe-optrekje aan de weg dat het midden hield tussen een bushalte en een honk voor bikers (het was het laatste). 

De dorpssecretaris was er, en een aantal inwoners van het dorp, en we wachtten wederom op een oudere cultuurkenner in het dorp, Pak Sogan. Zijn zoon, een vriendelijke jongeman die Suharto heette (vernoemd naar de dictator van de Orde Baru [1965-1998]), vertelde dat zijn vader vroeger intensief heeft samengewerkt met een van mijn collega's. Zij was vanaf 2016 in het dorp en heeft met de drie ouderen die de oude gezangen nog konden zingen, geprobeerd ze te reconstrueren. Zij heeft toen ook opnames gemaakt.

Pak Sogan arriveerde en was uiterst hulpvaardig, maar leek ook een beetje vermoeid dat nu weer een Europeaan langskwam met oude opnamen. Dat had veel te maken met de teleurstellende uitkomsten van alle moeite die hij en mijn Franse collega zich getroost hebben om de liederen voor het nageslacht te behouden. Ze hebben de gezangen niet alleen opgenomen, ze hebben ook de lokale overheid betrokken om te proberen de praktijken weer onderdeel te laten zijn van het curriculum van de lagere en middelbare scholen in de omgeving, zodat ieder kind ze als vanzelfsprekend leert, net als het Indonesisch. 

Dat liep allemaal op niets uit, niet alleen door traagheid en laksheid van de overheidsinstanties (die endemisch is in heel Indonesië), maar ook omdat die jeugd echt niet geïnteresseerd bleek. Net als Bapak Stefanus in Lewoloba vertelt Bapak Sogan dat hij kinderen en tieners niet kan motiveren het te doen en te oefenen. "En het is moeilijk, begrijp je", legt hij uit, "de makkelijke gezangen en dansen gaan nog wel. Maar de ingewikkelde gezangen en dansen, die vergen oefening en die kan niemand meer."

Het grijpt Pak Sogan zo aan dat hij even moet huilen. De andere twee mannen die de gezangen nog konden zijn inmiddels gestorven. Hij is als enige over, terwijl er altijd meerdere mensen nodig zijn voor een uitvoering. Het geeft hem een overweldigend gevoel van verlies. 

Net als Pak Stefanus in Lewoloba legt hij uit waar elk gezang voor dient. Het is heel duidelijk dat ze hun relevantie hebben verloren. Vanaf 1965 werden de gezangen en inwijdingsrituelen steeds minder gepraktiseerd, vertelt hij. Ik verbind dat in mijn hoofd met het begin van de Orde Baru, het regime van Suharto die als marionet van de VS elk links geluid in Indonesië met grove mensenrechtenschendingen de kop in drukte in ruil voor de modernisering van landbouw en industrie vanuit de VS. Kleinschalige landbouw werd onrendabel en overbodig. Het is begrijpelijk dat de rituelen die daarbij hoorden ook steeds minder relevantie kregen. Het is des te ironischer dat Pak Sogan zijn zoon Suharto heeft genoemd. 

Het is een waarheid die Kunst al anticipeerde. Hij schreef in de jaren 1920 en 1930 al dat ie een eeuw te laat was gekomen. Dat alles vermalen en vergruzeld werd tussen de vernietigende kaken van wereldwijde industrialisatie, schaalvergroting en verstedelijking. Het is de waarheid waar ook ik mee grootgebracht ben, en waarin ik lang vurig heb geloofd: dat gevoel van verlies, van nostalgie ook, naar een verleden waarvan we als westerse bezoekers de restjes meekrijgen als exotische relikwieën van verschil met ons eigen verleden. Het is ook het narratief van mijn Franse collega, met wie Pak Sogan jaren intensief heeft samengewerkt, een samenwerking waarin dat verlies nog eens werd bevestigd door de apathie van de huidige generatie en de instituties. 

Maar die waarheid heeft zijn eigen problemen en zijn eigen geweld. "Het lijkt alsof jouw collega alle hoop heeft omgebracht" zei Om Dus in de auto terug, en ik had het zelf niet beter kunnen zeggen. Alsof de identiteit van een gemeenschap alleen afhangt van gezangen die uniek klinken in de oren van Europeanen zoals Kunst, mijn Franse collega en ik. Alsof die identiteit en eigenwaarde niet ook gevormd en ontwikkeld kunnen worden in Florinese reggae en hiphop-battles in lokale talen. Het is een heel eenkennig, puristisch en singulair narratief en mede omdat ik er zelf zo vurig in geloofd heb, maakt het me nu boos.  

Vanmiddag gaan we terug naar Waibao om met andere mensen van de gemeenschap te praten, en te doen waarvoor ik gekomen ben: de nazaten vinden van degenen die op de opnames uit 1930 zingen. Wat zij met die opnames willen doen is aan hen, niet aan mij. 

Woensdag - Riangkroko

Een groot deel van de weg naar Riangkroko is ongeasfalteerd. Dat betekent dat je er in de regentijd (van november tot april) helemaal niet kunt komen met een auto zonder vierwielaandrijving - je komt in een mum van tijd met rondspinnende wielen vast te zitten in de modder. Nu, in de droge tijd, kan het wel, maar alleen minder dan stapvoets om een auto met vijf Indonesiërs en één zware Belanda niet te beschadigen op de hobbels, kuilen en stenen. Na zonsondergang is deze weg (zonder verlichting) sowieso niet begaanbaar. 

Ik was de dag koortsig begonnen, en die wordt doorgaans hoger naarmate de dag vordert, maar zodra we in de auto zaten, op weg naar avontuur knapte ik al weer op. De koorts zakte, de watten in mijn kop verdwenen. Ik kon weer een beetje in het Indonesisch uit mijn woorden komen. En het was weer dolgezellig in de auto met dansende Florinese popmuziek waarbij iedereen luidkeels meezong. Raampjes open, zwaaiende mensen buiten. "Ik voel me de Koningin" probeerde ik. "De Nederlandse Koningin!" gierde iedereen, en daar hebben we de hele rit plezier van gehad. 

Kunst heeft volgens zijn eigen administratie drie liederen opgenomen in Riangkroko, op één wasrol. En ik ben het met Kunst en mijn Franse collega eens: vanuit Europees perspectief is dit waanzinnig unieke muziek. Twee zangers zingen in parallelle secunden, op een ritme dat deels gepuncteerd is en deels ook interlocking (de zangers vullen elkaar aan in het opzetten van het ritme). Het is een tandak-gezang (en ik snap nu wat mijn vader bedoelde als hij mijn adhd-broertje weer eens tot rust maande: "Jongen, houd eens op met tandakken!". De tandak wordt volgens velen die ik hier spreek in heel Tanjungbunga gepraktiseerd, nog steeds, en heeft een hypnotiserende werking van continue beweging. 

Toen we na veel gehobbel aankwamen in Riangkroko was er eerst een probleem op te lossen. Men had ons gistermiddag verwacht, maar toen waren we druk met Pak Sogan in Waibao en Om Willem had niet laten weten dat we Riangkroko niet meer zouden kunnen halen voor het donker. Ze hadden voor niets zitten wachten en waren daar zichtbaar ontstemd over. 

Om Dus gleed het strak. Hij erkende ruiterlijk dat dit onze fout was en begon toen op fluistertoon een gesprek met de burgemeester. Ik vond eerst nog dat ik het moest volgen om verantwoordelijkheid te nemen voor de gang van zaken, maar het was spoedig duidelijk dat de fluistertoon tot doel had dat de conversatie alleen Om Dus en de burgemeester betrof. Ik weet dus niet wat er besproken is, maar na afloop zei Om Dus dat hij ze doodleuk een ultimatum had gesteld (terwijl wij fout zaten - ik had dat nooit gedurfd): deze mevrouw is helemaal uit Nederland gekomen om iets te delen met jullie. We kunnen dat nu doen, of niet. Dan gaan we nu weer. Kies maar. 

Vanaf toen was alles in orde. Ik werd met alle egards behandeld, er werd een projector voor de powerpointpresentatie opgetrommeld. Iemand ging op een brommertje koffie en vers gemaakte snacks halen en er ontspon zich een levendige discussie over de opgenomen muziek. Heel anders dan in Waibao verklaarde men hier (en ik kan het niet toetsen, het kan grootspraak zijn) dat de gezangen nog steeds zo worden gezongen: voor het oogstseizoen, voor het inzegenen van een huis, voor huwelijken en uitvaarten. Tandak is een levendige praktijk, dat hoor ik ook van andere bronnen. 

Ook hier bleek weer dat de annotaties van het verzamelde materiaal niet kloppen. Kunst noemt titels  van drie liederen op deze wasrol. Alle toehoorders waren duidelijk over het feit dat alleen de eerste te horen is op de opname. Waar de andere twee zijn is onduidelijk. Ik heb er weer een speurtocht bij.  

Toen betrad een kwieke zestiger het gemeentehuis. Hij had een telefoontje gehad van één van de aanwezigen die de naam van de zangers op mijn powerpointpresentatie had gezien: Merien en Golo. De afstammelingen van Golo zijn allemaal gestorven, wist iedereen, maar Merien heeft een kleinzoon die ook Merien heet. Die kwam nu binnen. We beluisterden de opname opnieuw. 

Dida vroeg aan iedereen, en aan Merien in het bijzonder, wat ze voelden toen ze de opnamen hoorden. "Merinding", zeiden ze allemaal: ik krijg er kippenvel van. Het is alsof er een enorme energie van de opgenomen klanken uitgaat, zeiden ze, die enerzijds hypnotiserend is, maar die ons ook bijna laat huilen (hampir sampai nangis). Ook spraken ze over een enorme trots die ze voelden. 

Het voelt als een enorme bevestiging van hun eigen cultuur dat iemand uit Nederland de moeite neemt voor dit ene lied naar Riangkroko af te reizen. Nederland kennen ze allemaal. Bijna iedereen heeft er wel een paar (verre) familieleden wonen. Dat is het geval in de hele provincie Nusa Tenggara Timur, waar mensen, net als in de Molukken, tijdens de dekolonisatieoorlog net zo vaak aan Nederlandse kant vochten als aan Republikeins-Indonesische. Maar met die ene hobbelige weg is het al een enorme onderneming om vanuit Riangkroko het volgende dorp te bereiken, laat staan de regionale hoofdstad Larantuka of provinciehoofdstad Kupang. Die steden zijn ont-zet-tend ver weg van hier. De meeste mensen uit Riangkroko zijn er nog nooit geweest en zullen er nooit komen. Nederland is dan bijna niet voor te stellen, behalve dan via die familieleden en dat gezamenlijke verleden. Zo was mijn bezoek op zoveel fronten betekenisvol.  



woensdag 5 augustus 2026

Brevier

En toen... na uren stapvoets over half geasfalteerde weggetjes en steile hellingen omhoog met spectaculaire uitzichten...





... zit ik nu in het trappistenklooster Lamanabi, met Cisterziënzer monniken van de strikte observantie, in echte pijen en soms een kap over hun hoofd. Niet een handvol oude mannetjes die wachten op hun laatste uur, maar een levendige gemeenschap met een twintigtal jongelingen, die ik mag aanspreken met Bapak Pater of Frater. Ze zijn opgeleid in Rome.



Er is een strak brevier in het klooster met Metten, Lauden, Terts, Sext, None, Vespers en Completen op vaste momenten in de dag. Gasten worden uitgenodigd om mee te bidden. Ik wil wel, maar ik durf niet zo goed. Van ver hoor ik de monniken uit de kerk Gregoriaans zingen. 

Het is een onwerkelijke rust die past bij deze orde die contemplatie en handenarbeid voorop heeft staan. Achter het klooster is een moestuin. Gasten houden zelf hun kamer schoon en wassen hun eigen bordjes af. De maaltijden worden gezamenlijk genoten op voorgeschreven tijden. Het eten is heel eenvoudig: rijst, groente en een beetje vis of kip, maar erg, erg lekker en vers. Bovenop de heuvel horen we alleen de krekels, de roep van de tokeh, af en toe een haan, en die prachtige flarden Gregoriaans. 

Ik vind het hier heerlijk.

Ik heb in Larantuka een griepje/verkoudheid opgelopen. Ik voelde me 's ochtends nog kiplekker, maar Indonesisch spreken ging moeilijk. Niet genoeg brainpower om op een normaal tempo mijn gedachten in die taal om te zetten. En 's middags sloeg het toe, in een bijeenkomst met dorpsoudsten in Lewoloba, die ook nog aan één stuk door zaten te roken. Mijn slijmvliezen kwamen in opstand. Ik voelde de verhoging, zelfs in de tropische lucht. 

Ik heb mezelf door de dag heen getrokken, en ik ben dolblij met het team. Ze hebben me nu zo vaak mijn verhaal horen afdraaien dat ze het zelf kunnen en natuurlijk met eloquenter taalgebruik dan ik. Dus ze hielpen me, deden het woord, vroegen door, namen alles op op film zodat we het later terug kunnen kijken. 

Het is vervelend om ziek te zijn, maar ik kan me er ook aan overgeven. Het is opvallend dat ik geen enkel long-covidverschijnsel heb. Meestal laaien tinnitus en tremoren in dit soort omstandigheden op, maar nu niet. 

Vanochtend gaan we nog even naar Riangkroko waar Kunst opnamen maakte. Daarna hebben we anderhalve dag rust in het klooster ingepland zodat ik kan herstellen en we de verzamelde gegevens op systematische wijze kunnen verwerken. Over dat onderzoek, dat dankzij mijn team dus nauwelijks hinder ondervindt van mijn verkoudheid, kan ik wel tien blogs schrijven. Dat ga ik de komende dagen ook doen. 

Ik ben vooral zo blij met de stilte: geen disco, geen karaoke, geen buur die om half twee 's nachts besluit de geluidsinstallatie even op volle sterkte uit te testen, geen honderdduizend brommertjes die zich door één smalle weg heen persen, geen "hello mister!!"s en kinderen die aan je armen trekken en met je op de foto willen. Ik geloof dat mijn brein en mijn wezen zo werkt: focus, contemplatie, niet teveel prikkels tegelijk, daar gedij ik het beste bij. Perfecte omstandigheden voor herstel. 

Naar de grond van de voorouders

Ik ga weer een lange blog schrijven in een aantal afleveringen. We hebben zoveel gedaan in de afgelopen week. Het doel van deze reis naar Oo...