maandag 17 augustus 2026

Gehecht en onthecht

Zoals ik al zei was ik ontzettend blij dat ik al dit voorouderlijke spoorzoeken niet alleen hoefde te doen. Het maakte veel meer emoties in me los dan ik van tevoren had gedacht en ik vind het ook veel moeilijker om erover te bloggen dan over die Jaap-Kunst-toestand, wat toch ook al een behoorlijk persoonlijk verhaal is. 

Mijn goede vriend Mas Ali ken ik al sinds 2018, toen ik mijn boek over maskanda bij hem thuis - via AirBnB - kon voltooien. Hij is zo'n belangrijke brugfiguur. We spreken Indonesisch met elkaar, en gebruiken Indonesische aanspreekvormen naar elkaar als Angus, zijn Australische vriend, er niet bij is. We eten met onze handen. In de namiddag, na ons bad, zijn we in sarong.

Maar Mas Ali kan ook ontzettend lekkere boeuf bourguignon klaarmaken. Hij draait vaak klassieke Europese muziek: Beethoven, Schubert, Bach. Hij is een milieu- en dierenactivist. Ik classificeer die belevingswerelden als respectievelijk Indonesisch en Europees. Voor hem gaan ze als vanzelfsprekend samen. En daarin vinden we elkaar ook, want we houden allebei van met onze handen heel scherp Indonesisch eten en Bach luisteren. 

Mas Ali heeft jarenlang bij internationale bedrijven en bij de Wereldbank gewerkt aan het soort ontwikkelingsprojecten dat mijn vader wetenschappelijk bestudeerde. Ik kan Indonesisch met hem spreken, maar net zo makkelijk Engels, wat voor mij oneindig veel makkelijker is.

Na drie weken rondtrekken in Oost Indonesië is dat ontzettend comfortabel, en weer heb ik als eigentijdse koloniaal het beste van beide werelden: het avontuur, het exotisme, maar uiteindelijk ook altijd weer de luxe van Mas Ali's BMW met airconditioning en Bachs Wohltemperierte Klavier, en een viersterrenhotel met helikopterplatform in Tretes. 

Dat comfort gaf me de afgelopen dagen emotionele ruimte. Het was Mas Ali's idee om dit te doen, niet het mijne. Het is een cadeautje van hem aan mij. Een ontzettend groot cadeau, kun je wel zeggen. Het zoeken naar de sporen van mijn grootouders' boerderijen in Tretes en Surabaya deed veel meer met me dan ik had verwacht. Ik zeg heel stoer dat het niet uitmaakt waar de boerderijen precies stonden, maar dat is alleen soms waar. Op andere momenten ben ik er eindeloos over aan het doordenken.

Er was iemand in Tretes die aangaf dat er op de plek van het sjieke Surya-hotel waar we in verbleven vroeger een militair terrein van de Nederlanders was. Een dag later had mijn broer via de verklaringen van mijn vader vlak voor hij stierf opgeduikeld dat er een Marine Etablissement net boven het buitenverblijf van mijn grootouders gelegen was. Dat was bedoeld voor Nederlandse militairen om op verhaal te komen tijdens de gruwelijke dekolonisatieoorlog van 1945-1949. Misschien lag die boerderij van mijn grootouders dan wel onder dat helikopterplatform, denk ik dan. En die gedachte laat me moeilijk los.  

Intussen zie ik - al luisterend naar de Bachs derde orkestsuite in D, BWV 1068 - de Indonesische dorpen van nu langstrekken. Het zorgt voor dissonantie in mijn hoofd en mijn wezen, maar het is ook prettig. Onthecht. Dat is fijn als een verleden zo dichtbij komt. 

Op andere momenten word ik in die comfortabele BMW met klassieke muziek overweldigd door verdrietigheid, op volkomen onverwachte momenten, zonder dat ik weet waarom. Er is voor mij niet echt iets om verdrietig over te zijn, maar ik het neemt me helemaal over. Dat rare Tretes. Het verleden. Die foto's van vroeger en nu. De stafkaarten. De foute kant van de geschiedenis. Het is één grote brij, maar het hoort erbij, want het is deel van mij.

En ik kan daar met Mas Ali en Angus over praten. Hoe bijzonder is dat. 

Tembok Doekoeh

Het melkveebedrijf van mijn grootvader lag in de jaren 1940 en '50 in Tembok Doekoeh, nu de heel erg volle Surabayase woonwijk Tembok Dukuh. Mas Ali en Angus zijn vandaag doorgevlogen naar Bali, ik blijf nog een dagje tot mijn hotel morgen in Yogya weer beschikbaar is. Morgenochtend lekker met de trein.

Dus vanmorgen besloot ik een bezoekje te brengen aan Tembok Dukuh, in de wetenschap dat het melkveebedrijf van mijn grootvader er niet meer zou zijn. 




Ik liet me er achterop een brommertje heenrijden. Lekker door de stad crossen. Ik liep een beetje rond door de smalle steegjes met winkeltjes, woningen, garages, schooltjes, moskeeën. Zoveel mensen. Zoveel bedrijvigheid. Heel moeilijk voor te stellen dat hier vroeger een boerderij was. Het was om 08.00 uur al ontzettend warm. Ik kwam twee dames tegen met wie ik een praatje begon. Ze woonden er al hun hele leven. 

Er was hier tot vrij recent een melkveebedrijf, naast de grote moskee, zeiden ze. Ik liep erheen en besloot de meneer die achter de balie van een koffietent naast de moskee om advies te vragen. Dat melkveebedrijf was van mijn familie, vertelde hij. We hebben het tot aan Covid overeind weten te houden. In 2023 was het niet meer te doen. 

Toen ik vertelde waar ik naar op zoek was werd hij dolenthousiast. Hij bood aan koffie voor me te maken en ik moest gaan zitten. 

Wat de bedrijvigheid van mijn grootvader in de jaren '50 uiteindelijk de das om heeft gedaan was zijn mislukte samenwerking met een aantal Chinees-Indonesische compagnons die, volgens mijn vader, misbruik hebben gemaakt van de penibele zakelijke situatie waarin mijn grootvader zich al bevond, door aanspraak te maken op een groot deel van de aandelen van het bedrijf. 

In combinatie met de pesterijen en regelmatige vernielingen van Indonesische jeugd is mijn familie, tegen wil en dank, uitgeweken naar Nederland. Uit krantenberichten waarin mijn grootvader geciteerd wordt, blijkt dat hij dat uitwijken zag als iets tijdelijks, net als Jaap Kunst, toen die in 1934 met verlof naar Nederland ging, en nooit meer zou terugkeren. Het idee dat Nederlanders niet naar Indië zouden kunnen terugkeren was zelfs in 1956 gewoonweg niet voor te stellen. 

De man die ik vanochtend tegenkwam in Tembok Dukuh is ook van Chinese komaf. Ik vertelde hem van de zakelijke overeenkomst die mijn grootvader met zijn Chinese compagnons had afgesloten zonder erbij te vertellen dat die samenwerking slecht voor onze familie was afgelopen. 

Samen speculeerden we over de mogelijkheid dat onze grootvaders ooit hadden samengewerkt. Dankzij grondig onderzoek in Delpher door mijn broer kon ik de namen van de Chinese compagnons van mijn grootvader erbij zoeken. We wilde allebei zó graag dat het waar was, dat mijn gesprekspartner aannam dat de spelling in de Nederlandse krant Tjia weleens zijn familienaam Tan zou kunnen zijn. 

We hebben zeker een uur met verse koffie toebroek over onze verledens zitten praten, over het bedrijf van zijn familie, over het bedrijf van mijn familie, dat "natuurlijk" hetzelfde bedrijf moet zijn geweest. Dat hier vroeger een rivier liep die drooggelegd is omdat ie zo stonk. Over de overeenkomsten in ervaringen van Chinese en Nederlandse mensen met het racisme van de Javanen, en tegelijkertijd dat mensen (inclusief de Javanen want mijn gesprekspartner heeft zowel een Chinese als een Javaanse naam en sprak duidelijk beter Javaans dan Indonesisch) in Surabaya lekker direct zijn, niet zo formeel en ondoorgrondelijk als in Yogya. Zo ging de ochtend voorbij in Tembok Dukuh.

Net als met de overblijfselen van het erfgoed dat Jaap Kunst verzamelde voel ik soms dat het niet zoveel uitmaakt of het waar is of niet. Of iemand echt de nazaat is van die en die. Dat een zeker buitenverblijf hier heeft gelegen of 500 meter verderop. Het contact met mensen nu, en wat dat losmaakt op dit moment vind ik veel spannender. Maar dat is natuurlijk vreselijk onwetenschappelijk. Mijn vader zou er zijn wenkbrauwen over fronsen, of erger...


Tretes

Tretes (spreek uit: Trètès) heeft altijd een bijzondere, bijna magische klank gehad bij ons thuis. Mijn vader sprak er altijd over met warmte, tegen ons, maar ook als hij herinneringen ophaalde met zijn zussen. "Zo was het in Tretes...". Ik denk dat dat mogelijk was omdat hij het Tretes van na zijn jeugd rigoureus had buitengesloten. Pure nostalgie.


Een deel van de magie van Tretes zat in de mystiek van de bergen en het bos. Van de rust in contrast met de ruige, bloedhete havenstad Surabaya. Zoals ik die ook in het klooster bovenop de berg in Flores voelde. En een deel van de affectie waarmee mijn vader sprak lag bij de vrienden die mijn grootouders in Tretes hadden, en de vriendjes en vriendinnetjes met wie mijn vader en zijn zussen konden spelen: in het bos, in het zwembad, bij de waterval, op het erf, bij de stallen. Allen Europees natuurlijk.

Door de week woonde mijn familie in Surabaya, waar ook het melkveebedrijf gevestigd was in Tembok Doekoeh. Maar bijna elk weekend gingen ze "de bergen in" waar ook een dependance van het bedrijf was om het Friese stamboekvee, dat mijn grootvader uit Nederland liet overkomen, te laten acclimatiseren. Mijn grootmoeder, ook in mijn eigen herinnering een fervent tuinierster, had de tuin om hun buitenverblijf, bijgenaamd 'Mickey Mouse', prachtig ontworpen met uitbundige dahlia's en petunia's.

Op de uitvaart van mijn vader vertelde mijn tante het verhaal van Lali Djiwo. Vanuit hun buitenverblijf liep een pad steil omhoog de hellingen van de magistrale Gunung Arjuno op, het bos in. Het was een betoverde plek. Niet iedereen mocht er komen. Soms verdwenen er mensen in het bos. Lali is Javaans voor verliezen. Djiwo betekent ziel: in dat bos kun je jezelf verliezen. Het is er magisch en ook gevaarlijk. Het pad was een passage naar een andere wereld. 

Fast forward naar 2026. Mas Ali had een hotel geregeld, op de hellingen van de Arjuno. Sjiek, modern, met een balkon dat uitkijkt op de Gungung Penanggunan (zoals ook het buitenverblijf van mijn grootouders uitkeek op die berg), en met - jawel - een helikopterplatform.


Meteen achter het hotel ging een pad naar boven, naar Lali Djiwo. Om 06.00 uur 's ochtends, voor het ontbijt, zijn we naar een waterval gelopen die verdacht veel lijkt op die in ons familiealbum. 


Wat oppervlakkig onderzoek op het internet onthult al gauw dat Lali Djiwo een koloniaal verzinsel is, bedacht door een ambtenaar van de koloniale overheid. In zijn vrije tijd was hij een fervent vogelaar en dé manier om geen last te hebben van andere mensen (lees: lokale mensen) die de vogels zouden afschrikken, is om er een spookverhaal bij te verzinnen en in te spelen op plaatselijk (bij)geloof.

"Daar zijn ontzettend veel voorbeelden van", vertelde Mas Ali me. "Kanjeng Ratu Kidul, de koningin van de Indische Oceaan aan de zuidkust bij Yogya, die mannen in groene badkleding de zee in lokt en laat verdrinken is er ook zo eentje. Is niks Javaans aan. Een koloniaal verzinsel om "inlanders" op een afstand te houden door ze bang te maken". Weg magie. Het is maar goed dat mijn tante het nooit geweten heeft.




De wandeling in het bos van Lali Djiwo was desalniettemin prachtig en we zijn met ziel en al weer naar de bewoonde wereld teruggekeerd. 's Middags zijn we door het dorpje gaan wandelen op zoek naar Mickey Mouse. Ik wist dat Mickey Mouse niet meer bestaat, maar er zijn wel -tig andere vakantiehuisjes die er erg op lijken.

De atmosfeer was vreemd. Het is hoogseizoen, musim bule, het jaargetijde waarin alle Europeanen naar Indonesië komen omdat het vakantie is in Europa. Ik had me al ingesteld op een leger aan Nederlandse nostalgiezoekers in dat koloniale bergdorpje. Maar ik heb er geen witte gezien. Ook de Indonesische toeristen, die Yogya in deze tijd van het jaar uit heel Indonesië overspoelen om oud erfgoed te bekijken, schitterden in afwezigheid. 









De huisjes zijn veelal in goede staat, het dorp is niet verlaten, er is een moskee en een pasar, maar geen school en geen overheidsgebouwen. Het is nog steeds een resort. Het voelde heel anders dan die magische plek die mijn vader altijd had beschreven, niet omdat het zo anders of veranderd was dan hij had beschreven, maar omdat het een belichaming was van wat hij beschreef: een enclave, zoals je die ook in Zuid-Afrika nog steeds hebt, al zijn ze hier niet ommuurd met prikkeldraad. 

Dat maakte mijn bezoek aan Tretes een vreemde ervaring. We reden naar een dorpje verderop op de hellingen van de Arjuno. Daar was het wel normaal, een gewoon Indonesisch dorp, met scholen en een supermarkt. In het hier-en-nu, herkenbaar voor mij als Indonesië. Tretes is niet Indonesië. Het is iets anders, iets waar ik geen woorden voor heb. Alsof er geen ziel is... En mijn vraag is: is die er ooit wel geweest dan? 

Ik heb een theorette (een klein en wankel theorietje) bedacht over de onwil van mijn vader om ons na zijn terugkeer in 1969 mee te nemen naar Tretes: misschien zag hij het toen, als volwassene, voor wat het was: een apartheidsenclave, en was juist het feit dat het niet veranderd was te pijnlijk voor hem...

Napak Tilas

Ik heb er mijn werk van gemaakt: Napak tilas, de sporen van de voorouders traceren. Ik heb veel geblogd de afgelopen weken over hoe mijn voorganger aan de UvA, Jaap Kunst, in zekere zin een soort voorvader van me is en hoe ik op verschillende problematische manieren in zijn voetsporen treed. 

Maar ik heb nog weinig geblogd over de persoonlijke dimensie van mijn verbondenheid met dit land: het koloniale verleden van mijn eigen familie. 

Mijn grootouders hadden een melkveebedrijf in Surabaya, ongeveer tussen 1930 en 1956. Om alle kolonialen daar van verse melk, boter, room en yoghurt te voorzien. Mijn vader en mijn tantes zijn er geboren en opgegroeid. Toen mijn vader in 1956 op zijn 17de naar Nederland moest (ze werden er door Soekarno min of meer uitgeknikkerd, en dat werd ook wel eens tijd, 11 jaar na de onafhankelijkheid), was hij nog nooit in Nederland geweest en hij zou er ook nooit helemaal kunnen aarden. 

Dus toen hij eenmaal een aanstelling had als geograaf aan de universiteit, regelde hij een gastdocentschap voor zichzelf aan de Universitas Gadjah Mada in Yogyakarta. Dan kon ie af en toe terug. Zo bracht ik tussen 1976 en 1990 zelf drie maanden per jaar van mijn jeugd door op de campus van die universiteit. 

En nu (sinds 2025) heb ik er met collega's van diezelfde universiteit mijn eigen onderzoeksproject. Ik verbeeld me dat mijn vader tevreden om een hoekje kijkt.

Mijn ouders hebben me in Indonesië altijd overal mee naartoe genomen: de Bromo in Oost-Java, Bali, Lombok, Toraja in Sulawesi, de Molukken, maar nooit naar Surabaya. Tot een paar jaar geleden was ik er nog nooit geweest terwijl het vanuit Yogya maar 4 uur rijden of treinen is. Een kippeneindje in dit kolossaal grote land. 

In 1969, voor mijn geboorte, was mijn vader terug geweest naar Surabaya en naar het bergdorp Tretes dat door en voor de Nederlanders in de koloniale tijd tot resort was omgebouwd: lekker koel in de bergen. Het moet een traumatische ervaring zijn geweest. Er was in die 13 jaar sinds zijn vertrek zoveel veranderd dat hij het niet meer terug herkende. Hij wilde er nooit meer terug en verkondigde dat ook tot vervelends toe.

Ook hier speelt het spanningsveld tussen het narratief van verlies en nostalgie aan de ene kant en dat van progressiviteit aan de andere kant - een narratief dat ook mijn verhouding tot Kunsts werk kenmerkt - een grote rol. Mijn vader had een fantastische koloniale jeugd (NB: jaaaaren na de politieke onafhankelijkheid van Indonesië) met bediendes die alles achter zijn kont opruimden, en een baboe die als een moeder voor hem was. Tot aan zijn dood stond haar foto op zijn bureau. Maar hij was ook een fervent voorstander van de onafhankelijkheid van de republiek en hij zette zijn onderzoek en zijn onderwijs bewust in voor de "ontwikkeling" van een vrij en onafhankelijk Indonesië, zoals dat in de jaren 1960 en '70 progressief was.

Toen mijn vader terminaal ziek bleek, in 2011, ging hij uitgebreider vertellen over zijn jeugdjaren in Indonesië. Dat was een roerige tijd. Hij geboren in 1939, de Japanse bezetting in 1942, mijn grootvader geïnterneerd en bijna overleden. Van 1945 tot 1950 de onafhankelijkheidsoorlog waarin ze moesten vluchten en huis en haard en hun hond achterlaten. Vanaf 1950 wat rustiger vaarwater, maar nooit helemaal rustig. Soms floreerde mijn grootvader in de zaken van het melkveebedrijf, maar soms waren de omstandigheden zo moeilijk. Dan waren ze alles weer kwijt. 

Ook die omstandigheden staan in schril contrast met hoe mijn vader altijd over zijn jeugd had gesproken, als zorgeloos en avontuurlijk, wat ik herken van mijn eigen jeugd in Yogya: overal inklimmen, overal rondbanjeren, achterop een vrachtwagen door de bergen rijden, op een in gebruik zijnde spoorrails lopen als op een evenwichtsbalk, geen besef van risico en gevaar, altijd overal doorheen gezeild. 

Als een echte etnograaf heb ik in 2011 met een opnameapparaat alles opgenomen wat mijn vader vertelde. In zijn laatste weken ging ik bijna elke dag naar mijn ouderlijk huis om hem te laten vertellen. Het was een soort biecht voor hem. Hij moest het kwijt. Met zijn laatste krachten bereidde hij zich minutieus voor, en hij vertelde en vertelde en vertelde.

Juist omdat mijn vader het altijd vertikte om naar Surabaya terug te gaan, ben ik des te nieuwsgieriger. Ik weet dat er weinig meer over is van wat hij zich herinnerde, maar ik hoef me weinig aan te trekken van zijn herinneringen. Ik wil weten wat er nog wél is, in plekken, verhalen en in verhoudingen met mensen van nu. Het is eigenlijk dezelfde dynamiek als met dat hele Jaap-Kunst-verhaal.

Toen ik enkele weken geleden in Yogya had afgesproken met mijn vrienden Mas Ali en Angus en ik ze dit allemaal vertelde, zeiden ze: waarom gaan we er niet samen heen? We hebben vrij tegen de tijd dat je terugkomt uit Flores. We halen je op van de luchthaven van Surabaya en rijden naar Tretes. 

Het was een geweldig cadeau van ze. Ik had in mijn eentje nooit gedurfd en het bleek allemaal een hele hoop emotioneler te zijn dan ik had verwacht. Ik kon er steeds met ze over praten. En ze werden nooit moe van mijn eindeloze familieverhalen. Wat een vrienden heb ik toch!

zondag 16 augustus 2026

Ik ben veilig

Lieve mensen,

er heeft een verschrikkelijke aardbeving van 7,7 op de Schaal van Richter plaatsgevonden op Flores, ongeveer een dag nadat ik er vertrokken ben. Er zit een engeltje op mijn schouder. Ik ben veilig op Java, 1800 km verderop. 

Het epicentrum van de beving lag in in centraal-west Flores. Oost Flores, waar ik was, lijkt er goed doorheen gekomen te zijn. Al mijn kennissen zijn in orde. Maar zoveel andere mensen zijn dierbaren, woning en kostwinning kwijtgeraakt, gewond geraakt of gestorven. 

Niet te beheersen onheil komt heel dichtbij op zo'n moment.

Ik heb ook contact met mijn collega's in Kupang (200 km van Flores, maar in dezelfde provincie). Elcid heeft inderhaast een hulpactie opgezet. Overweeg graag even of je wil bijdragen. Een wereldbetaling naar Indonesië gaat als volgt:

Naam begunstigde: Vinsensius Sangu

Naam Bank: BNI

Rekeningnummer (in te vullen bij IBAN): 0166772820

SWIFT-code (in te vullen bij BIC): BNINIDJAEND

Veel liefs aan iedereen uit Oost-Java, waar ik later meer over vertel. 

woensdag 12 augustus 2026

Om Marsel

Een van de dingen die ik zo leuk vind aan reizen, zijn de toevallige ontmoetingen. Soms worden die mogelijk gemaakt door minder toevallige ontmoetingen. Om Dus ben ik toevallig tegen het lijf gelopen omdat hij een familievriend is van een van de teamleden. 

Maar soms kom je mensen ook gewoon op straat tegen en begin je een praatje. Toen ik in dat heerlijke stille klooster boven op de berg midden op het schiereiland Tanjungbunga zat, besloot ik eens naar beneden te wandelen, naar het dorp Lamabani. Wij Belanda’s willen immers de wereld exploreren om die vervolgens te bezetten.

Daar zat Om Marselinus op zijn platje voor het huis van zijn schoonouders. Hij zwaaide heel hard naar me met zijn arm ver boven zijn hoofd. Ik zwaaide terug. “Kom hier zitten” riep hij. “Kom koffiedrinken. Ayo.” Het is heel onbeleefd om zo’n aanbod af te slaan en ik had toch de tijd, dus ik stapte braaf “permisi” roepend zijn erf op en nam plaats op een onmiddellijk van binnen opgehaalde stoel. 

“Ik heb jou eerder gezien” verklaarde Om Marselinus. Ik kon me dat niet herinneren, maar hij friste mijn geheugen op. “Ik was bamboe aan het kappen aan de weg”, vertelde hij, “en toen reed jij langs in je auto [we kwamen toen terug uit Riangkroko]. Ik zwaaide naar je en jij zwaaide terug, en toen wist ik: dit is een goed en leuk mens. En nu zien we elkaar weer. Hoe wil je je koffie hebben?” Geen melk en geen suiker, het blijft altijd moeilijk uit te leggen, maar zijn schoonzus, die ook meeluisterde, zorgde er voor. 

Hij vroeg wat me hier bracht. Ik legde het uit. Hij vond het geweldig, en zijn schoonzus en zijn schoonouders ook. Er woont hier een man vlakbij die gambus speelt, vertelde hij. Zullen we daar morgen heen? Hij weet heel veel over de plaatselijk cultuur. Dat vond ik wel leuk, want ik had nog geen plannen voor morgen. Dan kunnen we meteen naar de waterval van Tengahdora, zei Om Marsel. Die is hier vlakbij. Hij is prachtig. 

Dat leek me superleuk, een wandelingetje, want ik zit de hele dag in auto’s en op (te kleine) stoelen. Omdat ik zo onbevattelijk lang ben hier is het ook vaak onbeleefd om te blijven staan, omdat je dan zo hoog boven anderen uittorent. Dus als mensen drie keer zeggen "Ga toch zitten!” dan ga ik toch maar weer zitten.

Inri, Dida en Goran hadden wel zin om mee te gaan, dus de dag erop togen we naar de waterval. 

Wij van het dorp lopen het in 10-15 minuten, zei Om Marsel. Ik had al bedacht dat dat in elk geval een half uur lopen betekent. Uiteindelijk deden we een uur over die twee kilometer: steil, bijna recht naar beneden, met hulp van een stok en daarna weer even steil omhoog. Om Marsel had een kapmes bij zich waarmee hij het pad vrijmaakte. We moesten soms over omgevallen bomen heen klimmen. Het was echt een hindernisbaan in de hitte. Maar ik vond het geweldig: rondbanjeren in het prachtige bos in het ontoegankelijke noordoosten van Flores. Wie had dat kunnen denken toen ik zestien uur per dag met een noise canceler in mijn torenkamer in Utrecht ziek lag te wezen? 








Sommige van mijn twintig jaar jongere, stadse reisgenoten hadden meer moeite met het traject dan ik, wat me een beetje geruststelde met betrekking tot mijn fysieke gesteldheid als vijftigplusser (en wel met die prachtige nieuwe heupen aan weerszijden!). De wandeling en mijn rooie hoofd waren het meer dan waard. De waterval was prachtig. 




De gambusbuurman bleek niet beschikbaar, maar dat was niet erg want we waren allemaal ontzettend moe. We kregen nog koffie en cassave bij Om Marsel thuis. Ik had gelukkig oleh-oleh uit Nederland meegenomen. Hij wilde geen vergoeding voor zijn uitstekende gidsdiensten. En hij was ook niet moe. Hij loopt dit elke dag een paar keer. Hij is in hetzelfde jaar geboren als ik: 1973. 

Kakak Luis

Een prachtige organisatie waarover ik nog niet geblogd heb is SimpaSio, een grassroots culturele organisatie in Larantuka die met weinig middelen ontzettend veel voor elkaar krijgt. Ze richten zich op traditionele cultuur, maar in hedendaagse vormen. Ze werken met kinderen die ze leren schilderen, weven, sieraden maken, ze bieden theatercursussen aan, ze hebben een bibliotheek en fungeren als levend archief voor de regio. 

Ze zijn heel actief op sociale media waar ze Instagramfilmpjes maken over lokale cultuur en geschiedenis. Ik heb al Kunsts Flores-opnamen (niet alleen Oost Flores), foto’s en film digitaal met hen gedeeld, zodat die opnamen ook via hun organisatie toegankelijk zijn. 

Naast het ongelooflijk belangrijke werk dat ze doen, is het bij hen ook altijd ontzettend gezellig. Er lopen jonge activistische mensen rond die altijd bezig zijn met iets: traditionele sieraden maken, schilderen, oefenen voor een theatervoorstelling, froebelen op een muziekinstrument. Ze zijn echt onze vriendjes geworden sinds we hier zijn en helpen ons met contacten.

Inri wilde snorkelen vandaag en ik was vroeger met mijn ouders een fervent snorkelaar. Ik heb zoveel prachtige riffen gezien: in Sulawesi, in de Molukken. Dus ik wilde heel graag mee. Morgen vliegen we terug naar Kupang. Vandaag hadden we nog vrij. 

Het team te water: Arif (SimpaSio), Inri, Goran...

,,,en Ibu Boss die eindelijk een beetje relaxt.

Zo kwamen we in contact met kakak (bro) Luis. Hij is chauffeur; hij rijdt toeristen rond over het hele eiland Flores. En in zijn vrije tijd doet hij aan koraaltransplantatie, net als SimpaSio met weinig middelen meer dan zijn eigen inzet en toewijding. 

Hij is niet academisch geschoold, maar naar mijn bescheiden geesteswetenschappelijke mening kan hij doorgaan voor een gediplomeerd maritiem bioloog. Hij weet precies welk koraal waar groeit en dat komt neer op kennis van een specifieke omgeving op 3, 7 of 9 meter diepte (temperatuur, zoutgehalte, stroming), en op zoveel meter van de kunst, want sommige koralen groeien in de ene omgeving wel en in de andere niet. Hij weet ook welke koralen vroeger ergens groeiden en nu niet meer, en hoe je ze kunt transplanteren van een plek waar ze nog wel groeien. Die plekken moeten in zekere nabijheid zijn van elkaar, anders sterft het getransplanteerde koraal. 

Een half uur hebben we naast de haven van Larantuka (waar je zou verwachten dat er niets wil groeien) rondgesnorkeld. Hij heeft me als een trotse gids rondgeleid boven en (met af en toe een duik) door de riffen die er nu weer groeien. Met ontelbare prachtig felgekleurde vissen. Zeesterren. Wuivende anemonen. Sponsachtigen. Het zijn pockets in een verder nogal desolate omgeving. Veel is grijs en dood. Maar het is een begin. 

Met niet meer dan lege bierflessen en opengewerkte stoeptegels heeft hij, zo’n drie jaar geleden samen met twee maatjes, op de bodem structuren gebouwd waar vissen tussen kunnen schuilen en zich lekker voelen. Daar koekt ook vruchtbaar residu aan. Als je daar een beginnetje maakt met een levende koraalsoort, dan kan die soms verder groeien. De mannen hebben geen duikuitrusting, die kunnen ze niet betalen. Ze duiken op hun eigen adem voor elke paar bierflesjes en elke stoeptegel en elk stukje koraal opnieuw met enkel een paar zwemvliezen en een brilletje naar beneden om alles goed neer te leggen. 

Je moet precies weten wat je doet en alle parameters van temperatuur, stroming en zoutgehalte op de radar hebben. Hoe heb je dat geleerd? vraag ik hem. YouTube-filmpjes kijken, antwoordt hij, en alles erover lezen wat je tegenkomt. 

Hij maakt zich enorme zorgen over de stijgende temperaturen van de oceanen wereldwijd. Maar hij is ook zo trots op die riffen, waar je af en toe nog een bierflesje en een stoeptegel als beginnetje tussen ziet. Ze groeien nu zelf, zegt Luis tevreden.

Ik kan het niet laten een link te leggen tussen deze “natuur”conservatie en het conserveren van “cultuur”, een link die in veel wetenschappelijke literatuur gelegd wordt tegenwoordig. De koralen van kakak Luis zijn eilanden van herstel in een vernietigde leefomgeving. Al snorkelend krijg ik weer meer begrip voor het narratief van verlies van Pak Sogan in Waibao en mijn Franse collega: de pockets zijn prachtig om te zien (net zoals je af en toe nog een prachtige traditionele dans opgevoerd krijgt), maar de doodgrijze omgeving eromheen maakt verdrietig. Het lijkt in niets op wat ik in mijn jeugdjaren aan spectaculaire, onafzienbare riffen bij Sulawesi en de Molukken heb gezien.

En weer is dat een kwestie van perspectief: een focus op wat ooit was en daarmee het verlies. Of een focus op de trots, de hoop en het doorzettingsvermogen van kakak Luis, die nog maar drie jaar bezig is en nu al iets wonderbaarlijks voor elkaar gekregen heeft. 

Net als SimpaSio probeert hij iets te laten herleven op een nieuwe manier met de beperkte middelen die hij heeft. De overheid ondersteunt op geen enkele manier. Mensen doen het zelf. En het lukt ze ook nog. Ik heb daar enorme bewondering voor. 

Gehecht en onthecht

Zoals ik al zei was ik ontzettend blij dat ik al dit voorouderlijke spoorzoeken niet alleen hoefde te doen. Het maakte veel meer emoties in ...