zaterdag 25 juli 2026

In de verte

Terwijl ik dit blog aan het schrijven ben, op een terras met een lime squash aan het paradijselijke strand van de Baai van Kupang, blijf ik strak naar mijn scherm kijken. Ik lijk hard aan het werk terwijl ik in feite even rust zoek van de constante activiteiten hier. 

In de hoek van het terras met uitzicht op zee hangt een net iets te vriendelijke oudere meneer die in dit hotel een soort gastheer lijkt te zijn en die zijn taak erg serieus opvat. Hij wil alle deuren voor me openhouden, me aanwijzen hoe ik mijn koffer het stoepje op krijg, me laten zien welk knopje in de lift ik moet indrukken als ik naar de derde verdieping wil, etc.. Als een hondje volgt ie me. Ik weet dat als ik een moment om me heen kijk en zijn blik vang dat hij dat als een aanleiding ziet om een praatje te beginnen. En daar heb ik helemaal geen zin in. 

Als vrouw alleen op reis zijn kent zo zijn uitdagingen. Mijn uitgangspositie is goed. Ik ben minstens twee koppen groter dan de gemiddelde Indonesische man. Ik spreek Indonesisch en heb mijn repertoire van gewiekste antwoorden op vage pogingen tot flirts goed paraat in mijn werkgeheugen. En bovendien ben ik tegenwoordig van middelbare leeftijd. Dat scheelt. Maar vooral oudere meneren lijken dat als een kans te zien. Boven de 50 en nog niet getrouwd!?!? Zo iemand moet geholpen worden met gezelschap! 

Ik word me eigenlijk pas de laatste jaren, in navolging van een generatie vaak jongere vrouwen die geen zin meer heeft in dit soort gedoe, bewust van de inbreuk van zulk gedrag. Ik heb het eigenlijk altijd gewoon maar geaccepteerd als iets wat erbij hoort. Het eerste wat mensen (mannen én vrouwen) vragen, waar dan ook in de archipel, is of je getrouwd bent en hoeveel kinderen je hebt. Dat is belangrijk. En echt eng wordt het eigenlijk nooit als mijn antwoord op beide vragen nee is. Maar de consternatie is soms irritant.

En soms is het ook ontzettend grappig. Ik herinner me de reis die Citra en ik nu bijna 10 jaar geleden in 2017 maakten in Flores. We kwamen na een lange tocht door tamelijk onherbergzaam gebied aan bij het dorp Todo waar het dorpshoofd ons vriendelijk ontving, maar totaal verbijsterd was toen bleek dat ik met mijn 43 jaar nog niet getrouwd was. Ik moest als de sodemieter terug naar Nederland om een man te vinden. 

Citra stond achter hem terwijl hij me de les stond te lezen, en begon buiten zijn zicht met haar ogen te rollen. God, wat hebben we gelachen. We hebben er nu nog steeds plezier van, dat paternalisme van die man. Maarja, wij hebben de luxe om hem te laten lullen en weer verder te gaan. Vrouwen in zijn omgeving hebben die luxe niet, in een dorpje in the middle of nowhere. 

En op onze zelfde reis ontmoetten we Ibu Elisabeth in Timor: 7 kinderen had ze haar 50 jaar oudere echtgenoot, de Koning van Biboki, al geschonken en ze was nog maar 35 (en hij was écht 85...). Als Citra en ik op een andere tijd en plaats geboren waren dan we geboren zijn, dan had ons ook zo'n leven toebedeeld kunnen zijn.

En dan vergeet ik nog de chauffeur op Flores toen ik mijn reis alleen voortzette in 2017. Die man moest ik echt continu van me weghouden, wat irritant was dat. 

Maar soms is het ook leerzaam en dan komt de koloniale missionaris in mij een beetje boven. Als ik vertel dat ik liever ongetrouwd blijf en geen kinderen wil zodat ik de wereld over kan reizen, mijn werk kan doen en vaak hechte vriendschappen met mensen van over de hele wereld kan onderhouden, dan zie ik soms een paradigmaverschuiving in de ogen van mijn gesprekspartners, en niet alleen bij vrouwen. Dat dat ook kan. Dat het een optie is om een betekenisvol en vervuld leven te leiden en dat het dus niet zielig is, of een vorm van falen. Zulke momenten beleef ik best veel. Ook met mannen (vooral [brommer]taxichauffeurs). Dat voelt tof, dan.

Ik had vorige week een discussie met een masseuse in Yogya die me kwam pietjetten (zoals dat hier heet), mijn spieren waren totaal verstijfd van al dat computerwerk. Die discussie was voor mij dan weer leerzaam. Ze heeft haar hele leven haar echtgenoot gevolgd in wat hij deed. Hij werkte in Singapore en Maleisië en zij ging met hem mee. Werken mocht ze niet, want dat was zijn afdeling. Dat vond ze volkomen normaal en acceptabel. Hij was een goeie echtgenoot, zegt ze tegen me. Hij onderhield me. Ik kwam voor hem op nummer 1, dus ik was er gewoon altijd voor hem. Ik vraag haar meerdere keren of ze dat zelf ook wilde, maar die vraag begrijpt ze niet, en dat is geen taalprobleem. Ze lijkt haar huwelijk te zien als een doodnormale vorm van zorg voor elkaar.

Nu is hij overleden en is ze aan het werk. Ze mist hem, maar het is ook goed zo, want hij was ook wat ouder dan zij. Wat vindt ze fijner, wil ik weten met mijn sturende vraag. Maar ze laat zich niet sturen. Beide is goed, zegt ze. Haar kinderen zijn volwassen en goed terecht gekomen. Ze zegt dat ze het getroffen heeft in het leven. 

En was het bij mijn eigen ouders anders? Mijn moeder is ook gestopt met werken toen ik geboren werd, ze is mijn vader ook overal heen gevolgd, tot aan Indonesië toe, en ging pas weer werken toen mijn broer en ik oud genoeg waren. Daar werden geen vragen over gesteld. Dat was gewoon zo.   

De net iets te vriendelijke meneer is afgedropen. Ik kan nu rustig om me heen kijken en een beetje in de verte staren. Die verte is prachtig, en ik ben bevoorrecht dat ik die zo onbekommerd kan genieten.





Kenapa?

Gisteravond ben ik aangekomen in Kupang op het eiland Timor. En ik moet me weer aanpassen, aan ander weer (droog, Australisch - we zitten hier vlakbij Australië), de zeden (katholiek) met een uitbundigheid die je in het beheerste Vorstenlanden van Java niet snel tegenkomt, en de taal. 

Ik ben hier om samen met mijn collega's en vrienden van de NGO IRGSC in Kupang waarover ik al vaker geblogd heb, te kijken of we de meer dan 100 opnamen die Jaap Kunst in juli en augustus 1930 in Flores maakte terug te brengen naar de dorpen waar ze opgenomen zijn, net zoals Doni en ik dat vorig jaar in Nias hebben gedaan

Iedereen uit Flores die we hier in Kupang spreken (en dat zijn best veel mensen, want velen werken of studeren hier in de provinciehoofdstad van Oost Nusa Tenggara) zeggen dat zonder twijfel iedereen geïnteresseerd is en dat ze ons gaan helpen. Maar hoe, en wat, dat weten we nog niet zo goed. Dus dat gaan we de komende dagen uitvinden. 

De afgelopen dagen in Yogya waren ook weer druk, met een keynote lecture aan de Yogyase Hogeschool voor de Kunsten (ISI) waar Citra haar scepter zwaait, heel veel organisatorische beslommeringen voor de verblijven in Nederland van de promovendus in ons project Re:Sound (zij blijft een jaar in Nederland) en onze Visiting Fellow (hij blijft drie maanden). Het maakt me bewust van hoe moeilijk toegankelijk Nederland is voor mensen buiten de EU: de prijs van een vlucht en een visum, het zoeken van woonruimte in Amsterdam e.o., de borg die betaald moet worden (wie doet dat als NWO en universiteiten alleen maar kosten achteraf laten declareren?) Het is een enorme logistiek.

Dus nu zit ik op het terras van het hotel te chillen. Elcid begrijpt dat gelukkig. Even niet socialiseren, even geen verhaal voorbereiden in het Indonesisch (al moet dat morgen wel, want maandag staan er al weer een workshop en een talkshow in Kupang op het programma). En ik luister. Naar de golven van de zee, het gekwetter van de vogeltjes die op de ontbijtresten afkomen, de radio met Indonesische kweelmuziek uit de keuken, de spelende kindertjes in het zwembad. 

En naar de taal. Indonesisch is de eenheidstaal van de archipel. Elk kind krijgt onderwijs in het Indonesisch vanaf de basisschool, al is het voor niemand de eerste taal. Ieders eerste taal is de lokale taal: het Javaans (met lage, midden en hoge varianten afhankelijk van wie je aanspreekt), het Balinees, het Li Niha Raya in Zuid Nias dat weer anders is dan in Noord Nias, de talen van de verschillende bevolkingsgroepen op Flores (Lamaholot, Ngade, Naga, Manggarai, Sikka - allemaal anders) en het Kupangs (met nog meer Nederlandse woorden dan het Indonesisch). Er zijn meer dan 700 lokale talen in Indonesië.

Dus je begrijpt dat Indonesische woorden op Java anders worden uitgesproken dan dezelfde woorden in Kupang, want de lokale taal heeft zijn impact, niet alleen in woordenschat (ik merk in Kupang dat ik af en toe Javaanse woorden gebruik waarvan ik dacht dat ze Indonesisch waren, al spreek ik verder geen woord Javaans), maar ook in uitspraak. Dat leidt tot veel letterlijke spraakverwarring tussen mij en mijn gesprekspartners hier.

Een leuk voorbeeld is het woord "Kenapa?" Dat gebruik je heel erg vaak voor van alles: "Wat bedoel je?", "Wat is er aan de hand?", "Hoe gaat het met je?", "Wat zeg je?", "Hoe dan?". Het is net zoiets als het Nederlandse woord "Wat(te)?"

In het Javaans worden alle klinkers kort en gedekt gehouden. De e wordt soms zelfs helemaal ingeslikt: je schrijft hem wel maar in spraak blijft er alleen een glottisslag over. Het geschreven woord empat (vier) spreek je uit als mpat met een glottisslag ervoor. De a's in het Javaans worden vaak afgedekt tot ô's, maar niet altijd. 

Het Indonesische woord "kenapa" wordt op Java dan ook vaak uitgesproken als "knappa?"of soms zelfs "knôppô?"). Hoewel knôppô er als geschreven woord heel anders uitziet dan het geschreven kenapa is dat mijn standaardinstelling in het horen van de Indonesische taal. Als ik knappa or knôppô hoor dan weet mijn lichaam meteen dat er kenapa staat. Het zit in mijn lichaamsgeheugen omdat ik het als kind altijd zo gehoord heb.

Maar in Kupang zijn alle klinkers lang en open. "Knôppô?" wordt dan "Keenaaaaaaapaa?", een volstrekt andere klank; hetzelfde woord. Met een woord als kenapa, dat we allemaal zo vaak gebruiken kan ik die aanpassing goed maken, maar met Indonesische woorden die minder actief in mijn werkgeheugen staan, heb ik een extra vertaalslag nodig en extra tijd, en mijn gesprekspartners net zo goed als ze mij "knappa" horen zeggen. Ook weer een enorme logistiek. 

maandag 20 juli 2026

Ibu Puspa

Zaterdag gingen Citra en ik boodschappen doen. Ik had een koffer nodig, want de koffer die ik nu online gekocht heb is een achterlijk groot bakbeest dat ik niet mee naar Flores durf te nemen vrijdag. Te genant. En ik moest malariamedicatie halen voor Flores. Zeker met zo'n long-covidgeschiedenis wil je echt geen malaria oplopen... Daarna gingen we sate kambing eten aan de weg. Citra weet altijd de allerbeste eetstalletjes. 


In de auto kunnen we altijd lekker babbelen, en Citra vertelde over haar grootouders toen we langs het steegje reden waar zij vroeger woonden.

Citra's zusje was veel ziek en had veel zorg nodig, dus Citra heeft een paar jaar bij haar grootouders gewoond zodat haar ouders beter voor haar zusje konden zorgen. Haar opa en oma hadden het niet breed. Opa was een lagere ambtenaar bij de gemeente. Oma was naaister. Ze hadden nooit honger, maar eten was beperkt tot rijst, groente en soja (tempe en tahu). Vlees was veel te duur. 

Maar op zondag was alles anders, vertelt Citra verder. Dan kwam Ibu Puspa. Ibu Puspa (spreek uit: Poespô) was een onberispelijk geklede dame die vlees verkocht op de nabijgelegen Pasar Beringharjo. Als de markt afgelopen was, zo rond het middaguur, dan nam Ibu Puspa in haar prachtige sarong en kebaya en heur haar in een bijkans gebeeldhouwde wrong een becak (een fietstaxi) en dan liet ze zich voor het huis van Citra's opa en oma afzetten met een tas vol vers vlees. De kinderen keken enorm op tegen deze keurige Javaanse dame en verheugden zich elke week op de waardevolle kost die ze bij zich had voor het middageten. 

Pas veel later, vertelde Citra, kwam ze erachter dat Ibu Puspa de maitresse was van de jongere broer van haar oma. Ze verkeerden ongetrouwd met elkaar, waar de hele familie natuurlijk wat van vond, maar niemand iets van zei, want Ibu Puspa kwam elke week langs met vers vlees. Waarom de partners niet getrouwd waren weet ik niet. Ongetwijfeld waren er ergens een of meer andere partners in het spel...

Ik zit ademloos te luisteren naar Citra. Ze is een paar jaar jonger dan ik, maar niet veel. Ik was ook in Yogya gedurende de tijd waarover zij vertelt (de jaren 80), slechts een paar kilometer noordelijker op de campus van de universiteit. Wij hadden elke dag vlees op tafel. 

Citra en ik hebben al vaker bedacht dat we elkaar goed tegengekomen zouden kunnen zijn, veertig jaar geleden. We weten zelfs een voetbalveldje waar we allebei vaak gespeeld hebben. Maar we zijn elkaar nooit tegengekomen, niet bewust althans, omdat de omstandigheden daar geen mogelijkheid toe gaven. Ik had alleen witte vriendjes en vriendinnetjes uit het kleine kringetje Nederlanders dat in Yogya verbleef. 

Indonesië was 40 jaar na de onafhankelijkheid dus nog steeds een gesegregeerd land, met de expats (vroeger de kolonialen, maar het waren dus gewoon dezelfde mensen, onder wie mijn ouders) in hun eigen bubbeltje. Nu kunnen Citra en ik bevriend zijn op min of meer gelijkwaardige basis, simpelweg ook omdat we allebei welvarend zijn, al is er in absolute zin met mijn salaris en haar salaris nog steeds letterlijk een wereld van verschil.  

Ik heb Citra gezegd dat ze een boek moet schrijven met deze jeugdherinneringen. Dus dit is alvast een voorpublicatie, met haar toestemming. Iedereen lezen straks, dat boek. 

vrijdag 17 juli 2026

TV

Televisie is zo'n achterhaald medium. Wie kijkt er nog analoog TV vandaag de dag? Van de week was ik voor het eerst van mijn meer dan vijftigjarige leven op TV, in een echte studio en met een visagiste vooraf enzo. En allemaal in het Indonesisch...


Het was een regionale Yogyase zender van de staatsomroep TVRI. "Niemand kijkt daarnaar" stelde Citra me gerust. Maar achteraf, vertelde ze, heeft iedereen je toch gezien: de buurvrouw, je collega's, de onderwijzers op de school van je kinderen. "Was jij gisteren niet op TV?" Maar dat vertelde ze gelukkig pas achteraf. Rani, wier promotieonderzoek ik begeleid, had me op de luchthaven van Yogyakarta op grote schermen druk zien gebaren toen ze uit het vliegtuig stapte.

Ik was uitgenodigd door de rechtenfaculteit van Universitas Gadjah Mada (UGM) om te komen vertellen over onze pogingen (met diverse Indonesische collega's) om Indonesisch cultureel erfgoed dat in Nederland opgeslagen en soms tentoongesteld ligt naar Indonesië terug te brengen. Daar zitten ook juridische dimensies aan, natuurlijk, waar ik de ballen verstand van heb. En eigenlijk wil ik dat graag zo houden. Maarja, ik ben een professor uit Nederland dus dan word ik uitgenodigd.

De rechtenfaculteit heeft in samenwerking met de TVRI Yogya een eigen programma op de regionale zender. Die talkshow heet Pro Justicia en gaat wekelijks wel een heel uur lang over juridische vraagstukken. Onderbroken door muziekjes, en reclameblokken, en informatiefilmpjes, maar toch: gewoon langer dan Nieuwsuur. Wat een fantastisch medium, TV. De rechtenfaculteit gebruikt het programma heel bewust als onderwijsmateriaal zoals schooltelevisie op school maar dan op universitair niveau. De jonge generaties lezen minder en kijken meer naar hun scherm, legde mijn collega van rechten uit. 


En dat uur mocht ik dus, samen met mijn collega die de juridische vraagstukken aansneed, vullen met mijn avonturen in Nias vorig jaar, het koloniale verleden dat Nederland en Indonesië verbindt, de aanbevelingen van de Commissie Koloniale Collecties van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit 2020, en het belang van voorouderlijke klanken voor herkomstgemeenschappen. Het vakgebied van mijn collega is adatrecht, de formalisering van inheemse, vaak ongeschreven regels. Adatrecht als categorie is bedacht door de Nederlanders (Snouck Hurgronje!), maar heeft ook een belangrijke basis gelegd voor de juridische organisatie van de Republiek. 

Op TV in het Indonesisch, heremetijd, nog net niet live, maar zo bleek achteraf, ook helemaal niet geredigeerd. Het werd gewoon zo uitgezonden als het opgenomen was. Ik heb peentjes zitten schijten en had me een hele dag lang als een hypergefocuste nerd zitten voorbereiden.

Dat het er allemaal uiteindelijk behoorlijk goed uitkwam (al zeg ik het zelf) had te maken met een aantal dingen.

De vragen waren me vooraf toegestuurd en mijn collega had aan de presentator gevraagd niet teveel te improviseren zodat ik dat ook niet hoefde te doen. Ook de vragen uit het publiek waren goddank helemaal geregisseerd en voorbereid.

Ik moet toegeven dat AI-vertalingen me gered hebben, gewoon om de snelheid. Ik kan in het Engels formuleren wat ik wil zeggen, google translate maakt er in één seconde Indonesisch van, en daarna pas ik dat aan aan mijn eigen woordenschat en de zinsconstructies die ik vaak gebruik. Als ik dat helemaal zelf had moeten bedenken had ik nooit genoeg tijd gehad. 

En dan hardop oefenen, zoals ik de studenten ook altijd aanraad, je mond en je oren laten wennen aan de klanken, de opeenvolging van woorden in je lichaamsgeheugen krijgen. Eén of twee keer is al genoeg. Het maakt een wereld van verschil. 

Ik had me zó goed voorbereid dat ik op de dag zelf totaal rustig was, alles over me heen kon laten komen: de producer die me kordaat van de ene naar de andere hoek van de studio dirigeerde en me fronsend aankeek als ik haar instructie voor de zekerheid nog even herhaalde met mijn Hollandse accent, het leger visagistes met enorme dozen make-up - ik kon er echt van genieten. 

Ik ben eigenlijk altijd zenuwachtig, zelfs nog een klein beetje als ik college ga geven, na al die jaren en al die (goede) ervaring. Ik vind lesgeven het leukste wat er is. Maar ik ben niet meer zenuwachtig voor mijn zenuwen. Dat heeft mijn leraar Klassieke Talen me in de vijfde van de middelbare al als truc meegegeven: je mag best zenuwachtig zijn, geen enkel probleem, maar je hoeft niet zenuwachtig te worden van je zenuwachtigheid. 

Ik heb nog steeds plezier van dat advies. Dankjewel Toon!







https://photos.app.goo.gl/9BAQP37vWUMHfFnL8

zaterdag 11 juli 2026

Luar biasa

Toen ik vorig jaar in Nias was aangekomen, wilde ik elke dag bloggen. Ik had er geen tijd voor, want ik werd van een orahua-ceremonie naar de installatie van een nieuw balö jiulu (dorpshoofd) naar de teruggave-ceremonie van geluidsopnamen van Jaap Kunst geleid. Maar ik probeerde toch zoveel mogelijk op te schrijven omdat ik de uniekheid voelde van al die diepvreemde en exotische rituelen en gelegenheden. 

Dit jaar kwam ik aan in Yogya, de stad die ik al zo goed ken. Ik draaide, zoals gewoonlijk, een paar dagen rond in mijn eigen cirkeltjes van overdenkingen tijdens de jetlag (waarom ben ik hier? wat wil ik hier? hoe was het vroeger?), en toen begon de summer school van ons onderzoeksproject Re:Sound. Die vond plaats aan het Departement Geschiedenis van de Universitas Gadjah Mada, de universiteit waar mijn vader ook al lesgaf, en die daarom een beetje voelt als mijn alma mater, ookal heb ik er - afgezien van een taalcursus - nooit gestudeerd. Bekender terrein in Indonesië bestaat niet voor mij.


Een conferentie, niet echt de moeite van het bebloggen waard, vond ik, tot ik er na enkele dagen achter kwam dat hier iets bijzonders aan de gang was. Net zo memorabel als al die exotische belevenissen in een dorpje in Zuid-Nias vorig jaar. Ik moet er over schrijven om het niet te vergeten. Archiveren...

Al bijna een decennium ben ik samen met mijn collega en goede vriend meLê yamomo aan het nadenken over de koloniale nalatenschappen van geluidsarchieven. In het begin van de twintigste eeuw, namen Europeanen en Noord-Amerikanen zoals Jaap Kunst muziek op in de Europese koloniën uit oprechte interesse in de muziek die ze op hun reizen tegenkwamen, en met oprechte zorg dat deze muziekpraktijken zouden verdwijnen. Maar deze etnografen waren deel van het koloniale systeem dat deze muzikale uitingen zo bedreigde. 

Jaap Kunst nam alleen die muziek op die genoeg afweek van wat hij in Europa gewend was te horen, muziek die niet in mineur-majeurtoonladders te vangen is, die ritmes en intervallen bevat die niet in Europa gepraktiseerd werden. Indonesische muziek die wel voor hem herkenbare muzikale kenmerken had (keroncong, ketoprak, ludruk), nam hij niet op en noemde hij letterlijk "besmet door westerse invloeden". De muzikale kenmerken van de zogenaamd "onbesmette" tradities, die hij opnam van Aceh en Nias tot aan Papoea en bijna alles wat daar geografisch tussen zit, stelde hij direct gelijk met de raciale kenmerken die hij in mensen observeerde. Ze werden door hem, en veel andere Euro-Amerikaanse etnografen, apart gesteld, zonder geschiedenis of invloed van buiten, gevangen in een onveranderlijk "ethnos". 

Zijn geluidsarchief is dus hoogst selectief, niet alleen voor wat betreft de muziekpraktijken die hij wel en niet opnam, maar ook hóe hij die opnam. Hij werkte met een fonograaf, die geluidsgolven via een hoorn, een beweeglijk membraan en een naald direct in wasrollen graveerde. Die rollen kunnen maximaal 4 minuten muziek bevatten en zijn kostbaar; de hoorn kan enkel een paar zangers of instrumentalisten accommoderen. Iedereen die verder van de hoorn muziek staat te maken is onhoorbaar op de opname. Kunst zette zijn opnames dan ook uitgebreid in scène, en koppelde de geluiden die hij opnam daarmee los van de sociale functie die de uitingen hadden: welke zanger mocht hoorbaarder zijn dan welke andere? Mocht er tussendoor geroepen, gefloten of gelachen worden? Nee, ook als dat wel bij de praktijk hoorde. Roepen, gillen of lachen is immers geen "muziek" in de Europese zin van het woord. 

Jaap Kunst en onbekende zanger en toeschouwers in Urbinasopèn, Waigeo, 1932

De mensen wier stemmen Kunst opnam konden hoogstens wat advies geven, maar hadden niets te zeggen over het uiteindelijke resultaat van hun uitingen, laat staan over wat er met dat resultaat (dat staaltje/exemplaar van een door Europeanen bepaalde en afgebakende cultuur) stond te gebeuren: over de wereld gesleept, vermenigvuldigd, gehoord door mensen die zekere uitingen misschien wel niet geacht werden te horen. De uiting werd gescheiden van degene die die ooit uitte, de kennis werd gescheiden van de kenner. Uiter en kenner verdwenen uit het traject dat deze uitingen over de wereld aflegden: meegenomen, geannoteerd (vaak foutief, zo concludeerden we deze week veelvuldig), gecatalogiseerd en geclassificeerd volgens Europese maatstaven van meer en minder ontwikkelde volkeren, waarbij Europa natuurlijk elke keer weer als meest geciviliseerd uit de bus kwam. 

De vraag waar vele wetenschappers die zich met koloniaal erfgoed bezighouden zich al jaren het hoofd over breken is: wat doen we nu met dat beladen koloniale materiaal? In Nias merkte ik dat Kunsts geluidsopnamen wel degelijk waarde hebben voor de nazaten van degenen wier stemmen werden opgenomen, dat er hernieuwde interesse komt, ook onder jonge generaties, voor oude muziekpraktijken. Een traditie die door koloniale inmenging gebroken en onderbroken is, krijgt tenminste een gedeeltelijke hechting tussen vroeger en nu. Precies wat Kunst voor ogen had. Ook zijn de opnamen waardevolle historische getuigen van koloniale ontmoetingen die ons inzicht geven in de sociale en culturele structuur van een koloniale maatschappij. Die functie had Kunst nooit kunnen bevroeden.

Maar er is ook wat kapot gegaan in de beslissingen van Kunst bepaalde muziekpraktijken op zijn manier te bewaren en andere niet: in het verlies van zeggenschap en soevereiniteit, in het omvormen van een vergankelijke klinkende uiting met een functie en waarde in een onveranderlijk object dat opgeslagen ligt in een archief of museum op een plek waar niemand dat fragmentje van die uiting begrijpt, verantwoord gebruikt en zich er volgens de plaatselijke gewoonten toe verhoudt. De traditionele muziekpraktijken zijn eigenlijk twee keer gestorven: allereerst verdrongen door geïmporteerde (muziek)cultuur uit Europa (majeur-mineurtoonladders, gelijkzwevende stemming, concertcultuur, losgezongen van rituelen en dagelijkse ritmes) en daarna in stilte en in het donker opgeslagen in een archief in Europa, als in een graftombe.

Het probleem is dat deze vroegere gebeurtenissen doorwerken in het hier-en-nu, net als het slavernijverleden. Mensen uit het wereldwijde Zuiden moeten zich nog steeds voegen naar de maatschappelijke rollen die mensen als Kunst gedurende de koloniale tijd voor hen bedachten. Onderzoekers uit Zuidoost Azië hebben nog steeds moeite Europese archieven binnen te komen om hun eigen voorouders te kunnen horen. Herkomstgemeenschappen hebben nog steeds geen zeggenschap over wat er met deze koloniale constructies van hun klinkende uitingen moet gebeuren. Publicaties erover worden daarom nog steeds voornamelijk geschreven door mensen als ik: gevestigde witte academici in metropolen in het wereldwijde Noorden. 

Hoe doorbreken we dat? Daar ging deze summer school over. Hoe kunnen we beginnen ons zo'n breuk met gevestigde ordeningen van kennis voor te stellen? We kwamen er niet uit, natuurlijk, maar er gebeurde iets in die dagen van wetenschappelijke presentaties, discussies, excursies naar drie verschillende (geluids)archieven en musea in Indonesië, en de workshop over de Jaap Kunst Collectie die ik gisteren met de studenten hield. Er was basale overeenstemming over de problematiek, en daardoor ook een voorstellingsvermogen van iets dat er nog niet is. In Europa ben je veel tijd en energie kwijt met nóg eens uitleggen waarom Jaap Kunsts bemoeienissen met de traditionele muziekpraktijken van het Nederlandsch-Indische koloniale rijk niet alleen maar positief uitpakten voor iedereen. Hier hoefde dat niet. Juist en vooral de studenten, voor wie de summer school bedoeld was, snapten de problematiek precies. Ik wil nooit meer naar een conferentie zonder studenten.

Ze waren kritisch, ze stelden scherpe vragen, ze durfden hun twijfels naar voren te brengen. We konden daadwerkelijk doordenken zonder rekening te hoeven houden met gevoeligheden van witte mensen die zich aangevallen voelen in hun onschuld en poortwachterschap. Dat schiep een ruimte die ik nog niet eerder in mijn wetenschappelijke loopbaan heb gevoeld en die gedeeld werd door alle deelnemers. Er werd ontzettend veel gelachen en er vloeiden ook tranen over wat er in de afgelopen eeuwen gebeurd is. De groep en de omgeving waren veilig genoeg om dat te laten gebeuren. Dat zal ik echt nooit vergeten.


Maandag - De Opening

Veel mensen kenden elkaar al van onze vorige projecten zoals het project Decolonizing Southeast Asian Sound Archives (DeCoSEAS, 2021-2024), maar er waren ook veel nieuwe mensen, vooral de ongeveer 25 studenten van de vakgroep Geschiedenis van Universitas Gadjah Mada (UGM) en de Yogyase Hogeschool voor de Kunsten (ISI). Zij hadden onder Widya's bezielende leiding alles georganiseerd en ze vervulden hun rol als dagvoorzitters met grote professionaliteit. Alles vond plaats in het Engels, hoewel 90% van de aanwezigen Indonesisch sprekend was. 






En toen kwam Ferdy Soukotta, een jonge muzikant en onderzoeker uit de Molukken, die als Visiting Fellow van Re:Sound drie maanden onderzoek gaat doen in Nederland, met zijn fantastische voordracht over (en van!) Hena Masa Waya als vorm van levende, performatieve overdracht van erfgoed die niet alleen een aanvulling van, maar ook een alternatief voor een institutioneel archief als opslagplaats van objecten kan zijn. Veel deelnemers, onder wie ikzelf, moesten toen al even hun tranen wegslikken. Molukkers worden op Java enorm gediscrimineerd. De aanwezigheid van Oost-Indonesische cultuur in de officieuze Javaanse culturele hoofdstad Yogyakarta was betekenisvol: https://photos.app.goo.gl/zGQTjbPpHJVit68b9


En natuurlijk daarna lekker samen eten, zoals dat hoort in Indonesië.  


Dinsdag - Museum Sonobudoyo

Het Museum Sonobudoyo verkeert in zwaar weer. Het werd in de koloniale tijd opgericht als Europees vormgegeven opslag- en tentoonstellingsplek voor lokaal erfgoed, voortgekomen uit het Java Instituut, waar lokale elites en Nederlandse koloniale cultuur-afficionados elkaar troffen en nadachten over wat "Javaanse" cultuur, "inlandse" cultuur en Maleise taal en cultuur in zouden kunnen houden.

Sonobudoyo heeft een van de meest indrukwekkende collecties van Indonesië, met schilderijen, beeldhouwwerken, zilverwerk, textiel, wayangpoppen, muziekinstrumenten en een collectie van honderden shellac grammofoonplaten uit de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw. In 2013 heeft mijn moeder Indonesisch zilverwerk uit onze familie aan het museum gedoneerd, omdat we vonden dat het terug moest naar Indonesië. En ook later had ik altijd wel weer contact met mijn collega's van Sonobudoyo.




Afgelopen dinsdag kregen we er een rondleiding in de depots en een lezing over het belang van deze commercieel geproduceerde grammofoonplaten voor het ontstaan van ideeën over Javaanse en nationale Indonesische cultuur.

Het museum bevindt zich op de landerijen van de Sultan van Yogyakarta, Sri Sultan Hamengkubuwono X, in het centrum van Yogyakarta. De keraton omvat niet alleen het daadwerkelijke paleis van de Sultan, maar ook de ommuurde gronden eromheen. Eigenlijk is de keraton een stad in een stad. Recentelijk is de keraton uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed. Geweldig, zou je denken, die bescherming van kwetsbaar erfgoed, maar niets is minder waar.

Niet alleen het Museum Sonobudoyo, maar ook de duizenden Yogyanezen die in de afgelopen decennia binnen de muren van de keraton zijn neergestreken om met een winkeltje of een stalletje op de stoep in hun schamel onderhoud te voorzien moeten ophoepelen. De Sultan wil de keraton namelijk terugbrengen tot de situatie ten tijde van Hamengkubuwono I, die heerste in het midden van de 18de eeuw, toen de keraton nog helemaal afgesloten was van de rest van de stad en alleen daartoe bevoegde personen zich binnen de muren mochten begeven.

Het is waanzin, schamperen mijn collega's van de vakgroep geschiedenis. In 1755 stond er op het terrein van de keraton een klein paleisje en een moskee, verder niets. Wil de Sultan daar naar terug? Natuurlijk niet, maar hij heeft nu een argument om alles en iedereen die hij niet in de keraton wil eruit te mikken. De rondleiding die we dinsdag in het Museum kregen is het laatste bezoek op die locatie. Waar het Museum in de toekomst heen moet is nog onbekend, waarschijnlijk ergens ver buiten de stad.


Dit is precies de "ver-erfgoed-isering" die ook zo problematisch is aan de Jaap Kunst Collectie, en die - met dank aan UNESCO - overal ter wereld plaatsvindt. Een levende cultuur wordt tot object gemaakt, vernauwt tot een onveranderlijk quasi-authentiek beeld van een verleden dat nooit bestaan heeft en ingezet voor huidige politieke of culturele belangen. Hele stadskernen van Cartagena in Colombia tot de Jantar Mantar in India zijn ontoegankelijk geworden voor de mensen die er ooit woonden. En wij blijven ons afvragen: hoe doorbreken we die patronen? 

In de verte

Terwijl ik dit blog aan het schrijven ben, op een terras met een lime squash aan het paradijselijke strand van de Baai van Kupang, blijf ik ...