Een van de dingen die ik zo leuk vind aan op reis zijn, zijn de toevallige ontmoetingen. Soms worden die mogelijk gemaakt door minder toevallige ontmoetingen. Om Dus ben ik toevallig tegen het lijf gelopen omdat hij familie is van een van de teamleden.
Maar soms kom je mensen ook gewoon op straat tegen en begin je een praatje. Toen ik in dat heerlijke stille klooster boven op de berg midden in het schiereiland Tanjungbunga zat, besloot ik eens naar beneden te wandelen, naar het dorp Lamabani. Wij Belanda’s willen immers de wereld exploreren om die vervolgens te bezetten.
Daar zat Om Marselinus op zijn platje voor het huis van zijn schoonouders. Hij zwaaide heel hard naar me met zijn arm ver boven zijn hoofd. Ik zwaaide terug. “Kom hier zitten” riep hij. “Kom koffiedrinken. Ayo.” Het is heel onbeleefd om zo’n aanbod te weigeren en ik had toch de tijd, dus ik stapte braaf “permisi” roepend zijn erf op en nam plaats op een onmiddellijk van binnen opgehaalde stoel.
“Ik heb jou eerder gezien” verklaarde Om Marselinus. Ik kon me dat niet herinneren, maar hij verfriste mijn geheugen onmiddellijk. “Ik was bamboe aan het kappen aan de weg”, vertelde hij, “en toen reed jij langs in je auto [we kwamen toen terug uit Riangkroko]. Ik zwaaide naar je en jij zwaaide terug, en toen wist ik: dit is een goed en leuk mens. En nu zien we elkaar weer. Hoe wil je je koffie hebben?” Geen melk en geen suiker, het blijft altijd moeilijk uit te leggen, maar zijn schoonzus, die ook meeluisterde, zorgde er voor.
Hij vroeg wat me hier bracht. Ik legde het uit. Hij vond het geweldig, en zijn schoonzus en zijn schoonouders ook. Er woont hier een man vlakbij die gambus speelt, vertelde hij. Zullen we daar morgen heen? Hij weet heel veel over de plaatselijk cultuur. Dat vond ik wel leuk, want ik had nog geen plannen voor morgen. Dan kunnen we meteen naar de waterval van Tengahdora, zei Om Marsel. Die is hier vlakbij. Hij is prachtig.
Dat leek me superleuk, een wandelingetje, want ik zit de hele dag in auto’s en op (te kleine) stoelen. Omdat ik zo onbevattelijk lang ben hier is het ook vaak onbeleefd om te blijven staan, omdat je dan zo hoog boven anderen uittorent. Dus als mensen drie keer zeggen "Ga toch zitten!” dan ga ik toch maar weer zitten.
Inri, Dida en Goran hadden wel zin om mee te gaan, dus de dag erop togen we naar de waterval.
Wij lopen het in 10-15 minuten, zei Om Marsel. Ik had al bedacht dat dat in elk geval een half uur lopen betekent. Uiteindelijk deden we een uur over die twee kilometer: steil, bijna recht naar beneden, met hulp van een stok en daarna weer even steil omhoog. Om Marsel had een kapmes bij zich waarmee hij het pad vrijmaakte. We moesten soms over omgevallen bomen heen klimmen. Het was echt een hindernisbaan in de hitte. Maar ik vond het geweldig: rondbanjeren in het prachtige bos in het ontoegankelijke noordoosten van Flores. Wie had dat kunnen denken toen ik twintig uur per dag met een noise canceler in mijn torenkamer in Utrecht ziek lag te wezen?
Sommige van mijn twintig jaar jongere, stadse reisgenoten hadden meer moeite met het traject dan ik, wat me een beetje geruststelde met betrekking tot mijn fysieke gesteldheid als vijftigplusser (en wel met die prachtige nieuwe heupen aan weerszijden!). De wandeling en mijn rooie hoofd waren het meer dan waard. De waterval was prachtig.
De gambusbuurman bleek niet beschikbaar, maar dat was niet erg want we waren allemaal ontzettend moe. We kregen nog koffie en cassave bij Om Marsel thuis. Ik had gelukkig oleh-oleh uit Nederland meegenomen. Hij wilde geen vergoeding voor zijn uitstekende gidsdiensten. En hij was ook niet moe. Hij loopt dit elke dag een paar keer. Hij is in hetzelfde jaar geboren als ik: 1973.







