maandag 3 augustus 2026

Bruggen bouwen

Het lijkt nu alsof ik zelf zo even bij de Kathedraal van Larantuka op de deur klop en meteen met open armen wordt ontvangen. Maar dat is maar voor een heel klein deel mijn verdienste. 

Sinds ik meer dan twee jaar uit de running ben geweest door ziekte, leef ik meer in het nu. En ik ben me er beter van bewust dat ik niet mijn hele leven lang achterop een brommertje door Indonesië kan blijven crossen. Dat houdt een keer op, en ik ben al boven de 50. Dus ik heb wat spaargeld naar het IRGSC gesluisd. Ik kan nu nog wat met dat spaargeld doen. Over 10 jaar misschien niet meer. Dan kan ik er alleen maar op zitten. En dat is saai.

Voor die transactie heb ik nu van Elcid een heel team van het IRGSC meegekregen om me te assisteren bij het restitutieproces op Flores, jonge enthousiaste mensen, afgestudeerde twintigers, misschien net dertig. Dida, een architect die onderzoek heeft gedaan in Flores, regelt alle contacten. Inri, die gezondheidsprogramma's opzet, regelt de financiën, en nog veel meer. Goran filmt alles zodat de restitutie goed gedocumenteerd is. 

Ik had daar aanvankelijk wat weerstand tegen. Het is een potentieel koloniale werkwijze zoals o.a. Kunst die ontwikkeld heeft en die door generaties westerse antropologen en etnomusicologen is herhaald, vaak met een heel uitbuitend karakter, grof gezegd: de lokale assistenten doen het werk, de westerse wetenschapper publiceert het en krijgt de credits. 

En er zit ook een persoonlijk dimensie aan: ik ben gewend alles, maar dan ook alles, alleen te beslissen, te regelen en uit te voeren. Dat laatste is niet helemaal waar, trouwens. In Zuid-Afrika werkte ik ook met lokale mensen zonder wier hulp ik nooit had kunnen doen wat ik heb gedaan: de juiste mensen vinden, tolken, de informatie verwerken en interpreteren. Maar ik huurde hun diensten alleen in als ik dat zelf nodig vond, betaalde ervoor en vermeldde hun werk in mijn publicaties.

En dan komen we meteen bij de crux. Zonder lokale mensen is het soort onderzoek dat ik doe helemaal niet te doen. Mensen praten niet tegen een witte die zomaar even binnen komt lopen. Wat ik te horen kreeg in Zuid-Afrika begreep ik soms pas jaaaaren later na ongelooflijk veel uitleg van vrienden en collega's van daar.

Dus nu ben ik op stap met Dida en Inri, en Goran arriveert hopelijk straks, als de vulkaan en de wind het toelaten. Ik moet er aan wennen, want ik moet van hun te horen krijgen wanneer de volgende afspraak met leden van welke gemeenschap gepland is. Ik heb niet altijd alle namen van mogelijke contactpersonen op een rijtje, want zij onderhouden de contacten. Ze informeren me uitstekend, maar het internaliseren van de informatie werkt anders in mijn brein omdat ik niet zelf alle stapjes doorloop.

Het is een goede oefening in loslaten want wat zij doen kan ik helemaal niet zo goed als zij het doen: de juiste mensen vinden, de toffe logeeradressen vinden, een goeie chauffeur vinden, vertrouwen winnen, op het juiste moment met de juiste woorden doorvragen. Ik had die confrères van de kerk nooit in mijn eentje durven en kunnen benaderen; met ons drieën waren we zo binnen. Teamwork.  

En in heb ongelooflijk veel plezier met ze. Het is leuk om met ons drieën en straks met ons vieren op stap te zijn. Zojuist vertelde ik Inri over dit blogje (ze lezen sowieso mee, want dat kan tegenwoordig met één druk op de knop van google translate) en ze zei: het maakt me eigenlijk niet uit, ik vind het gewoon heel erg leuk om op reis te zijn, net als jij. 

Desalniettemin hadden ze wel oren naar de mogelijkheid om de resultaten samen te publiceren. Wat ik voor ogen heb - en ik weet niet of het lukt - is dat we alle vier bruggen en bruggenbouwers kunnen zijn tussen het geluids-, film- en fotomateriaal uit de koloniale tijd dat in Amsterdam ligt en de mogelijkheden van gemeenschappen hier om daar wat mee te doen als ze dat willen, wat of wie die gemeenschappen dan nu ook mogen zijn. Dat vergt in eerste instanties het opbouwen en onderhouden van relaties, en dat kun je het beste samen doen. Dat heb ik de afgelopen dagen geleerd. 

Inri, Dida & Barbara vertrekken vanuit Kupang


Voor de Kathedrale Kerk van de Heilige Rozenkrans in Larantuka


Barbara, Dida & Inri


Lopend met Dida op weg naar de ochtendmis in de Kathedraal


zondag 2 augustus 2026

Offos

Larantuka is een klein katholiek stadje in Oost Flores op een landstrook tussen de (slapende) vulkaan Ile Mandiri en de zee. Aan de overkant van de zee ligt het eiland Adonara, met al even sprookjesachtige bossen op de heuvels als op Flores. 


Op de strook tussen vulkaan en zee loopt één provinciale weg met vrolijk heen en weer hobbelende bemo's/minibusjes die mensen oppikken en afzetten langs dat kilometerslange lintstadje. Dat zijn echt rijdende superdisco's met gigantische geluidsinstallaties erin gemonteerd. Soms gaan de chauffeurs zodanig op in de reggae dat ze op het reggaeritme remmen en weer optrekken. Ze laten het busje dansen op de weg. Sowieso kom je er altijd wagenziek weer uit, maar je wordt er ook heel blij van. 

Die ene weg splitst zich bij genoeg ruimte tussen zee en berg soms in tweeën, en op één punt zelfs in drieën. Daar staat de Kathedrale Kerk van de Heilige Rozenkrans (zelfde naam als op Curaçao, vertelt AI mij, al komt de naam hier van de Portugezen: Reinha Rosari). 



Vanochtend zijn we naar de vroege ochtendmis geweest, om 6 uur. Ik ga nu weer bijkans elke week ter kerke. Er zaten 300 mensen in de kerk in een stad van 40.000 inwoners. Ik heb ze geteld tijdens de preek. En dat was alleen de vroege dienst. Om 08.00 uur in de ochtend is er nog één, en om 17.00 uur nóg één. Kom daar in Europa eens om.  

De Portugese invloeden zijn hier heel oud, uit de zestiende eeuw, de tijd van Tomas Luis de Vittoria en Carlo Gesualdo (Portugese componisten van die tijd weet ik even niet). Lang voor de Belanda's hier hun grote hoofd om de hoek kwamen steken in elk geval.

Ik ben hier op doorreis naar Tanjungbunga en Lewoloba waar Jaap Kunst lokale muziek heeft opgenomen. En bij toeval blijkt er in de stad Larantuka (dat immers stedelijk gebied is, dus Kunst had daar geen enkele interesse in - steden waren naar zijn idee sowieso niet "authentiek") iets heel bijzonders te zijn.

Kunst heeft op het hele eiland Flores verschillende uitvoeringen van het responsorium O Vos Omnes opgenomen. In Sikka, Lewoloba en klaarblijkelijk ook in Larantuka. Daar ben ik pas sinds een paar dagen achter, want de opname is niet als zodanig gelabeld in de collectie (de annotaties stikken van de fouten, zo merk ik elke dag in overleg met mensen die de muziek wel begrijpen).  

De speurtocht naar de herkomst van deze opname begon vorig jaar bij iemand in Kupang die me vertelde dat de aanduiding Bajawa (een ander volk op Flores) voor het opgenomen lied niet klopt en dat deze muziek hoogstwaarschijnlijk Lamaholot is, het volk dat hier in Oost Flores, op Solor en Adonara woont. Dit jaar werd dat bevestigd door twee leden van deze gemeenschap en zij zongen meteen allebei mee. Dit is het O Vos Omnes (dat hier uitgesproken wordt als Offos - daar moest ik even aan wennen) en deze versie komt waarschijnlijk uit Larantuka, het centrum van Portugees katholicisme.

Het is een Portugese melodie, op Latijnse tekst. "Portugees relict" schrijft Kunst zuinigjes bij de opnamen van het responsorium die hij in andere delen van Flores maakte. Hij vond het niet interessant want het was niet "puur" van hier, volgens hem, in volstrekte ontkenning van de geleefde culturele realiteit van die tijd. Maar hij heeft de melodie kennelijk wel opgenomen, tot drie keer toe. Het trok toch zijn aandacht. De opname van het O Vos uit Lewoloba is verloren gegaan, die uit Sikka is exact dezelfde melodie als deze uit Larantuka, maar met een andere zangtechniek.

De melodie lijkt in niets op het Gregoriaanse gezang met dezelfde tekst, dezelfde lamenterende functie in de Goede Week voor Pasen. De Gregoriaanse versie is als bron gebruikt door Vittoria en Gesualdo voor hun magistrale zettingen van O Vos Omnes. Dus deze "Portugese melodie" is waarschijnlijk in Portugal, onderweg naar hier en hier gevormd, al 5 eeuwen geleden. Hartstikke inheems dus, zelfs in de puristische opvatting van Kunst. De versie die nu gezongen wordt, is enorm stabiel, vertelt iedereen me. De opname uit 1930 van Kunst is precies zoals de melodie nu nog in de Goede Week wordt gezongen, in de processie op Goede Vrijdag (Jumat Agung). En hij is ook precies dezelfde als die Kunst in Sikka opnam, zo'n 100 km verderop.  

Tot op de dag van vandaag is er jaarlijks een strenge selectieprocedure in een auditie die openstaat voor iedereen: om solo het O Vos Omnes in de processie van Goede Vrijdag te zingen. Er wordt een enorm belang aan gehecht, niet alleen binnen de kerkgemeenschap die bestaat uit een Confreria die de vijf Kapela's in de omgeving van de kathedraal verenigen, maar voor iedereen, want iedereen mag zich opgeven. En als iemand verkozen wordt om te zingen is dat een enorme eer. Mensen hebben het er generaties laten nog over: mijn moeder, mijn oma is een keer verkozen om te zingen. "Ze heeft Offos gedaan." Nu zijn het uitsluitend vrouwen die het mogen doen. Maar vroeger waren het ook mannen. Ik denk dat de zanger op Kunsts opname een man is.

De confrères van de kerk zijn ontzettend blij dat ik de opname kom laten horen. En weer voel ik dat er iets gebeurt als deze oude krakerige opnames worden afgespeeld voor mensen die zich verbonden voelen met de klanken en ze kunnen duiden. Deze traditie hoeft niet gereactiveerd te worden; ze is springlevend, maar de hervonden verbondenheid met het verleden is voor iedereen ontroerend. Zelfs met vertegenwoordigers van die wereldwijde criminele organisatie voel ik hoe relaties zich door die klinkende objecten heen opnieuw vormen.

Komende dinsdag ga ik er samen met de confrères rustig naar luisteren, en wellicht hebben ze nog ergens een lijst liggen met een naam wie het Offos in 1930 mocht zingen... Blijven speuren. 





maandag 27 juli 2026

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu ruim 25 jaar geleden. En in de kerk zingen betekent in zekere zin ook voorgaan in de dienst, wat een beetje eigenaardig was voor iemand die totaal en principieel atheïstisch is opgevoed.

Ik werd van atheïst dan ook al snel een agnost, en dat ben ik nog steeds, "geloof" ik, al weet ik het ook niet precies. Het Onze Vader ken ik nog steeds uit mijn hoofd in het Engels, niet in het Nederlands.

Terug in Nederland zong ik af en toe mee met de Domcantorij in de Utrechtse Dom van de PKN, waar de koorleden tijdens de preek De Groene Amsterdammer zitten te lezen in hun koormap. Voelde ik me ook erg thuis. 

Toen ik een relatie had met Mageshen in Zuid-Afrika ging ik elke week mee naar de evangelical church in Durban. Het was vooral heel gezellig, met veel jonge mensen van allerlei culturele achtergronden, eindelijk samen in één ruimte na eeuwen kolonialisme en decennia apartheid. En toffe swingende muziek.

En een absoluut hoogtepunt in mijn kerkgaande bestaan was de waanzinnige paasdienst in een Afro-Amerikaanse kerk in een grote loods in Los Angeles, ook samen met Mageshen, die daar zijn doctoraat in Music afrondde. Het dak vloog eraf, allemaal van de vreugde in da Lorrrrdd. Die zang, die overgave, die kracht van de gospel die door onze belichaamde muzikale gezamenlijkheid vorm kreeg. Ik word er nog blij van als ik er aan denk.

En dan was ik vorig jaar in dat onooglijke kamertje als kerk in Jakarta waar ik de lutherse Niassers volgde in hun aanroeping van de Heer. Overal voel ik het spanningsveld: ik vind het fijn in de kerk (waarschijnlijk omdat ik altijd alleen maar ben gegaan als ik er zin in had), maar ik voel ook steeds dat ik er niet bij hoor, en dat wíl ik ook niet. Ter kerke gaan leidt bij mij altijd tot vervreemding, vooral omdat juist mijn medekerkgangers buiten Europa (Afrika, Azië, Afro-Amerika) er voetstoots van uitgaan dat ik wel deel van deze van oorsprong Europese kerkgemeenschappen ben. En dan heb ik iets uit te leggen...

Maar toen Elcid zondag vroeg of ik meewilde naar de vesperdienst aarzelde ik geen moment. Elcid is een uitgesproken marxist en eigenlijk ook een anarchist, zegt hij zelf. Hij is de belichaming van het feit dat de aanname van mijn ouders dat gelovige mensen niet kritisch kunnen denken niet klopt. Hij is devoot katholiek en een ongelooflijk kritische activist. Die activistische katholieken zijn er in Nederland overigens ook, al weet ik niet hoeveel er daar nog van over zijn. Hier is het katholicisme in elk geval alive and kicking. 

Maar de vervreemding blijft voor mij: hoe kun je zo vol overgave deel zijn van een instituut dat zich - net als de VOC, maar die bestaat niet meer - toch min of meer als een wereldwijde criminele organisatie heeft opgesteld (sorry, katholieken!), zeker als je daar de historische misdaden tegen de menselijkheid bij optelt die niet alleen uit naam, maar met actieve inzet van dit instituut zijn begaan, eeuwen en eeuwen lang, overal ter wereld. Het geloven en de overgave zijn niet het probleem voor mij (er schijnt empirisch wetenschappelijk onderzoek te zijn dat gelovige mensen die hun lot in iets kunnen leggen dat groter is dan zijzelf, langer en gezonder leven, en ik kan me daar iets bij voorstellen), maar wel de associatie met de organisatie.

Maar het was fijn in de kerk. Een eenvoudig stenen gebouw met een golfplaten dak erop, met heiligenbeeldjes aan de muur en natuurlijk de kruisgang. Een volle kerk ook, met veel jonge mensen. Ik samen met Elcid en zijn dochtertje van een jaar of 8 in een prachtig jurkje, allemaal op ons zondags gekleed. Elcid had dat kledingvoorschrift nog even benadrukt toen hij me uitnodigde. Het samen bidden, respect betuigen, ook naar elkaar. De heiligheid van het moment waarop het brood tot het lichaam van Christus wordt verklaard en de wijn tot zijn bloed. Het koor dat echt goed zong (goed geprojecteerd en zuiver) met een uitstekende vrouwelijke dirigent ervoor. De preek vol grapjes waar iedereen om moest lachen en die ik niet begreep, maar dat gaf niet. 

Ik werd ook onmiddellijk en bijna tot tranen toe teruggebracht naar mijn vorige katholieke kerkdienst, nog maar kort geleden in het klooster van Steinfeld in de Duitse Eifel. Daar hebben we in juni als vrienden en familie van Koert zijn as uitgestrooid, met veel liefde en veel verdriet, waarna Bregje en ik de vesperdienst op zaterdagavond in het klooster bijwoonden. Dat was ook een behoorlijk volle kerk trouwens.

Alle misdaden tegen de menselijkheid ten spijt, de katholieke rituelen oefenen zoveel aantrekkingskracht uit, ook op mij. Dezelfde orde van dienst (met psalmen en het Magnificat) beleefde ik nauwelijks meer dan een maand geleden in het Duits in Duitsland en nu in dezelfde formules, met dezelfde gewaden en kruisbeelden aan de andere kant van de wereld in het Indonesisch op Timor. En de muziek: meestal duidelijk van hier met dansstructuren die niet uit Europa komen (een prachtig voorbeeld van dat regionale muzikale katholicisme vind je hier), maar vaak genoeg ook Gregoriaans en zeker twee gezangen die ik ooit zelf gezongen heb. 

Het is een vorm van verbondenheid, die hier (en ook elders) met geweld is opgelegd, maar het is verbondenheid. Het katholieke geloof wordt in Timor, en nog meer in Flores, nu diep beleefd als iets eigens waarin je ook als kritische activist zingeving, rust en troost kan vinden. En als agnost een onmiddellijke culturele verbondenheid met andere plekken op de wereld: Oxford (the Mag and Nunc), Durban, Steinfeld. Dat is een ongelooflijk fenomeen. 

En door de opengewerkte muren hoorden we de azan binnenwaaien, de oproep tot gebed van de moskee, in overmatige secunden vriendelijk meanderend op de verkoelende wind. 

Praatjes

Praatjes. Praatjes. Praatjes. Ik heb er een heleboel. Ik weet niet zo goed of het waardevolle praatjes zijn, maar mensen in Yogya en in Kupang blijven me vragen praatjes te geven. Van de week ben ik genood bij de burgemeester van Kupang. Of ik hem ook even wil komen vertellen wat ik aan het doen ben. 


En op Flores (als we daar ooit komen, want de vulkaan Lewotobi Laki-Laki spuwt - as we speak - tot 1500m hoogte as de atmosfeer in - luchthavens dicht) is er in de stad Maumere ook weer een praatje gepland. Ze noemen dat hier workshop of talkshow, maar het is gewoon één richting op lullen. Ik heb bedacht dat ik mijn volgende praatje in de vorm van vragen aan het publiek ga gieten. Het moet maar eens afgelopen zijn met dat geouwehoer.

Want wat kom ik hier eigenlijk doen? Ik ben beperkt door mijn taalvaardigheid, dus de uitleg daarvan heeft nogal formulaïsche vormen aangenomen die dan wel weer handig tot een goed verteerbare eenduidige boodschap te maken zijn. Restitutie van koloniaal verzameld en gevormd erfgoed is niet in eerste instantie de teruggave van objecten (want zeker in het geval van geluidsopnamen zijn die objecten zelf koloniale constructies), maar het opbouwen en onderhouden van nieuwe relaties tussen al diegenen die op een of andere manier verbonden zijn met dit materiaal: nazaten van de zangers wier stemmen ooit werden opgenomen, vertegenwoordigers van de gemeenschap (en welke gemeenschap dan?), overheidsinstellingen, musea en ikzelf als curator. En die nieuwe relaties in het volle besef van hoe die mede gevormd zijn door de oude. 

Die riedel kan ik nu redelijk goed in het Indonesisch afdraaien, maar ik weet eigenlijk helemaal niet wat mensen hier op Timor en Flores als restitutie beschouwen en of ze er wel zin in hebben. Ik heb me voorgenomen dat ik daar vanaf nu explicieter naar ga vragen. 





zaterdag 25 juli 2026

In de verte

Terwijl ik dit blog aan het schrijven ben, op een terras met een lime squash aan het paradijselijke strand van de Baai van Kupang, blijf ik strak naar mijn scherm kijken. Ik lijk hard aan het werk terwijl ik in feite even rust zoek van de constante activiteiten hier. 

In de hoek van het terras met uitzicht op zee hangt een net iets te vriendelijke oudere meneer die in dit hotel een soort gastheer lijkt te zijn en die zijn taak erg serieus opvat. Hij wil alle deuren voor me openhouden, me aanwijzen hoe ik mijn koffer het stoepje op krijg, me laten zien welk knopje in de lift ik moet indrukken als ik naar de derde verdieping wil, etc.. Als een hondje volgt ie me. Ik weet dat als ik een moment om me heen kijk en zijn blik vang dat hij dat als een aanleiding ziet om een praatje te beginnen. En daar heb ik helemaal geen zin in. 

Als vrouw alleen op reis zijn kent zo zijn uitdagingen. Mijn uitgangspositie is goed. Ik ben minstens twee koppen groter dan de gemiddelde Indonesische man. Ik spreek Indonesisch en heb mijn repertoire van gewiekste antwoorden op vage pogingen tot flirts goed paraat in mijn werkgeheugen. En bovendien ben ik tegenwoordig van middelbare leeftijd. Dat scheelt. Maar vooral oudere meneren lijken dat als een kans te zien. Boven de 50 en nog niet getrouwd!?!? Zo iemand moet geholpen worden met gezelschap! 

Ik word me eigenlijk pas de laatste jaren, in navolging van een generatie vaak jongere vrouwen die geen zin meer heeft in dit soort gedoe, bewust van de inbreuk van zulk gedrag. Ik heb het eigenlijk altijd gewoon maar geaccepteerd als iets wat erbij hoort. Het eerste wat mensen (mannen én vrouwen) vragen, waar dan ook in de archipel, is of je getrouwd bent en hoeveel kinderen je hebt. Dat is belangrijk. En echt eng wordt het eigenlijk nooit als mijn antwoord op beide vragen nee is. Maar de consternatie is soms irritant.

En soms is het ook ontzettend grappig. Ik herinner me de reis die Citra en ik nu bijna 10 jaar geleden in 2017 maakten in Flores. We kwamen na een lange tocht door tamelijk onherbergzaam gebied aan bij het dorp Todo waar het dorpshoofd ons vriendelijk ontving, maar totaal verbijsterd was toen bleek dat ik met mijn 43 jaar nog niet getrouwd was. Ik moest als de sodemieter terug naar Nederland om een man te vinden. 

Citra stond achter hem terwijl hij me de les stond te lezen, en begon buiten zijn zicht met haar ogen te rollen. God, wat hebben we gelachen. We hebben er nu nog steeds plezier van, dat paternalisme van die man. Maarja, wij hebben de luxe om hem te laten lullen en weer verder te gaan. Vrouwen in zijn omgeving hebben die luxe niet, in een dorpje in the middle of nowhere. 

En op onze zelfde reis ontmoetten we Ibu Elisabeth in Timor: 7 kinderen had ze haar 50 jaar oudere echtgenoot, de Koning van Biboki, al geschonken en ze was nog maar 35 (en hij was écht 85...). Als Citra en ik op een andere tijd en plaats geboren waren dan we geboren zijn, dan had ons ook zo'n leven toebedeeld kunnen zijn.

En dan vergeet ik nog de chauffeur op Flores toen ik mijn reis alleen voortzette in 2017. Die man moest ik echt continu van me weghouden, wat irritant was dat. 

Maar soms is het ook leerzaam en dan komt de koloniale missionaris in mij een beetje boven. Als ik vertel dat ik liever ongetrouwd blijf en geen kinderen wil zodat ik de wereld over kan reizen, mijn werk kan doen en vaak hechte vriendschappen met mensen van over de hele wereld kan onderhouden, dan zie ik soms een paradigmaverschuiving in de ogen van mijn gesprekspartners, en niet alleen bij vrouwen. Dat dat ook kan. Dat het een optie is om een betekenisvol en vervuld leven te leiden en dat het dus niet zielig is, of een vorm van falen. Zulke momenten beleef ik best veel. Ook met mannen (vooral [brommer]taxichauffeurs). Dat voelt tof, dan.

Ik had vorige week een discussie met een masseuse in Yogya die me kwam pietjetten (zoals dat hier heet), mijn spieren waren totaal verstijfd van al dat computerwerk. Die discussie was voor mij dan weer leerzaam. Ze heeft haar hele leven haar echtgenoot gevolgd in wat hij deed. Hij werkte in Singapore en Maleisië en zij ging met hem mee. Werken mocht ze niet, want dat was zijn afdeling. Dat vond ze volkomen normaal en acceptabel. Hij was een goeie echtgenoot, zegt ze tegen me. Hij onderhield me. Ik kwam voor hem op nummer 1, dus ik was er gewoon altijd voor hem. Ik vraag haar meerdere keren of ze dat zelf ook wilde, maar die vraag begrijpt ze niet, en dat is geen taalprobleem. Ze lijkt haar huwelijk te zien als een doodnormale vorm van zorg voor elkaar.

Nu is hij overleden en is ze aan het werk. Ze mist hem, maar het is ook goed zo, want hij was ook wat ouder dan zij. Wat vindt ze fijner, wil ik weten met mijn sturende vraag. Maar ze laat zich niet sturen. Beide is goed, zegt ze. Haar kinderen zijn volwassen en goed terecht gekomen. Ze zegt dat ze het getroffen heeft in het leven. 

En was het bij mijn eigen ouders anders? Mijn moeder is ook gestopt met werken toen ik geboren werd, ze is mijn vader ook overal heen gevolgd, tot aan Indonesië toe, en ging pas weer werken toen mijn broer en ik oud genoeg waren. Daar werden geen vragen over gesteld. Dat was gewoon zo.   

De net iets te vriendelijke meneer is afgedropen. Ik kan nu rustig om me heen kijken en een beetje in de verte staren. Die verte is prachtig, en ik ben bevoorrecht dat ik die zo onbekommerd kan genieten.





Kenapa?

Gisteravond ben ik aangekomen in Kupang op het eiland Timor. En ik moet me weer aanpassen, aan ander weer (droog, Australisch - we zitten hier vlakbij Australië), de zeden (katholiek) met een uitbundigheid die je in het beheerste Vorstenlanden van Java niet snel tegenkomt, en de taal. 

Ik ben hier om samen met mijn collega's en vrienden van de NGO IRGSC in Kupang waarover ik al vaker geblogd heb, te kijken of we de meer dan 100 opnamen die Jaap Kunst in juli en augustus 1930 in Flores maakte terug te brengen naar de dorpen waar ze opgenomen zijn, net zoals Doni en ik dat vorig jaar in Nias hebben gedaan

Iedereen uit Flores die we hier in Kupang spreken (en dat zijn best veel mensen, want velen werken of studeren hier in de provinciehoofdstad van Oost Nusa Tenggara) zeggen dat zonder twijfel iedereen geïnteresseerd is en dat ze ons gaan helpen. Maar hoe, en wat, dat weten we nog niet zo goed. Dus dat gaan we de komende dagen uitvinden. 

De afgelopen dagen in Yogya waren ook weer druk, met een keynote lecture aan de Yogyase Hogeschool voor de Kunsten (ISI) waar Citra haar scepter zwaait, heel veel organisatorische beslommeringen voor de verblijven in Nederland van de promovendus in ons project Re:Sound (zij blijft een jaar in Nederland) en onze Visiting Fellow (hij blijft drie maanden). Het maakt me bewust van hoe moeilijk toegankelijk Nederland is voor mensen buiten de EU: de prijs van een vlucht en een visum, het zoeken van woonruimte in Amsterdam e.o., de borg die betaald moet worden (wie doet dat als NWO en universiteiten alleen maar kosten achteraf laten declareren?) Het is een enorme logistiek.

Dus nu zit ik op het terras van het hotel te chillen. Elcid begrijpt dat gelukkig. Even niet socialiseren, even geen verhaal voorbereiden in het Indonesisch (al moet dat morgen wel, want maandag staan er al weer een workshop en een talkshow in Kupang op het programma). En ik luister. Naar de golven van de zee, het gekwetter van de vogeltjes die op de ontbijtresten afkomen, de radio met Indonesische kweelmuziek uit de keuken, de spelende kindertjes in het zwembad. 

En naar de taal. Indonesisch is de eenheidstaal van de archipel. Elk kind krijgt onderwijs in het Indonesisch vanaf de basisschool, al is het voor niemand de eerste taal. Ieders eerste taal is de lokale taal: het Javaans (met lage, midden en hoge varianten afhankelijk van wie je aanspreekt), het Balinees, het Li Niha Raya in Zuid Nias dat weer anders is dan in Noord Nias, de talen van de verschillende bevolkingsgroepen op Flores (Lamaholot, Ngade, Naga, Manggarai, Sikka - allemaal anders) en het Kupangs (met nog meer Nederlandse woorden dan het Indonesisch). Er zijn meer dan 700 lokale talen in Indonesië.

Dus je begrijpt dat Indonesische woorden op Java anders worden uitgesproken dan dezelfde woorden in Kupang, want de lokale taal heeft zijn impact, niet alleen in woordenschat (ik merk in Kupang dat ik af en toe Javaanse woorden gebruik waarvan ik dacht dat ze Indonesisch waren, al spreek ik verder geen woord Javaans), maar ook in uitspraak. Dat leidt tot veel letterlijke spraakverwarring tussen mij en mijn gesprekspartners hier.

Een leuk voorbeeld is het woord "Kenapa?" Dat gebruik je heel erg vaak voor van alles: "Wat bedoel je?", "Wat is er aan de hand?", "Hoe gaat het met je?", "Wat zeg je?", "Hoe dan?". Het is net zoiets als het Nederlandse woord "Wat(te)?"

In het Javaans worden alle klinkers kort en gedekt gehouden. De e wordt soms zelfs helemaal ingeslikt: je schrijft hem wel maar in spraak blijft er alleen een glottisslag over. Het geschreven woord empat (vier) spreek je uit als mpat met een glottisslag ervoor. De a's in het Javaans worden vaak afgedekt tot ô's, maar niet altijd. 

Het Indonesische woord "kenapa" wordt op Java dan ook vaak uitgesproken als "knappa?"of soms zelfs "knôppô?"). Hoewel knôppô er als geschreven woord heel anders uitziet dan het geschreven kenapa is dat mijn standaardinstelling in het horen van de Indonesische taal. Als ik knappa or knôppô hoor dan weet mijn lichaam meteen dat er kenapa staat. Het zit in mijn lichaamsgeheugen omdat ik het als kind altijd zo gehoord heb.

Maar in Kupang zijn alle klinkers lang en open. "Knôppô?" wordt dan "Keenaaaaaaapaa?", een volstrekt andere klank; hetzelfde woord. Met een woord als kenapa, dat we allemaal zo vaak gebruiken kan ik die aanpassing goed maken, maar met Indonesische woorden die minder actief in mijn werkgeheugen staan, heb ik een extra vertaalslag nodig en extra tijd, en mijn gesprekspartners net zo goed als ze mij "knappa" horen zeggen. Ook weer een enorme logistiek. 

maandag 20 juli 2026

Ibu Puspa

Zaterdag gingen Citra en ik boodschappen doen. Ik had een koffer nodig, want de koffer die ik nu online gekocht heb is een achterlijk groot bakbeest dat ik niet mee naar Flores durf te nemen vrijdag. Te genant. En ik moest malariamedicatie halen voor Flores. Zeker met zo'n long-covidgeschiedenis wil je echt geen malaria oplopen... Daarna gingen we sate kambing eten aan de weg. Citra weet altijd de allerbeste eetstalletjes. 


In de auto kunnen we altijd lekker babbelen, en Citra vertelde over haar grootouders toen we langs het steegje reden waar zij vroeger woonden.

Citra's zusje was veel ziek en had veel zorg nodig, dus Citra heeft een paar jaar bij haar grootouders gewoond zodat haar ouders beter voor haar zusje konden zorgen. Haar opa en oma hadden het niet breed. Opa was een lagere ambtenaar bij de gemeente. Oma was naaister. Ze hadden nooit honger, maar eten was beperkt tot rijst, groente en soja (tempe en tahu). Vlees was veel te duur. 

Maar op zondag was alles anders, vertelt Citra verder. Dan kwam Ibu Puspa. Ibu Puspa (spreek uit: Poespô) was een onberispelijk geklede dame die vlees verkocht op de nabijgelegen Pasar Beringharjo. Als de markt afgelopen was, zo rond het middaguur, dan nam Ibu Puspa in haar prachtige sarong en kebaya en heur haar in een bijkans gebeeldhouwde wrong een becak (een fietstaxi) en dan liet ze zich voor het huis van Citra's opa en oma afzetten met een tas vol vers vlees. De kinderen keken enorm op tegen deze keurige Javaanse dame en verheugden zich elke week op de waardevolle kost die ze bij zich had voor het middageten. 

Pas veel later, vertelde Citra, kwam ze erachter dat Ibu Puspa de maitresse was van de jongere broer van haar oma. Ze verkeerden ongetrouwd met elkaar, waar de hele familie natuurlijk wat van vond, maar niemand iets van zei, want Ibu Puspa kwam elke week langs met vers vlees. Waarom de partners niet getrouwd waren weet ik niet. Ongetwijfeld waren er ergens een of meer andere partners in het spel...

Ik zit ademloos te luisteren naar Citra. Ze is een paar jaar jonger dan ik, maar niet veel. Ik was ook in Yogya gedurende de tijd waarover zij vertelt (de jaren 80), slechts een paar kilometer noordelijker op de campus van de universiteit. Wij hadden elke dag vlees op tafel. 

Citra en ik hebben al vaker bedacht dat we elkaar goed tegengekomen zouden kunnen zijn, veertig jaar geleden. We weten zelfs een voetbalveldje waar we allebei vaak gespeeld hebben. Maar we zijn elkaar nooit tegengekomen, niet bewust althans, omdat de omstandigheden daar geen mogelijkheid toe gaven. Ik had alleen witte vriendjes en vriendinnetjes uit het kleine kringetje Nederlanders dat in Yogya verbleef. 

Indonesië was 40 jaar na de onafhankelijkheid dus nog steeds een gesegregeerd land, met de expats (vroeger de kolonialen, maar het waren dus gewoon dezelfde mensen, onder wie mijn ouders) in hun eigen bubbeltje. Nu kunnen Citra en ik bevriend zijn op min of meer gelijkwaardige basis, simpelweg ook omdat we allebei welvarend zijn, al is er in absolute zin met mijn salaris en haar salaris nog steeds letterlijk een wereld van verschil.  

Ik heb Citra gezegd dat ze een boek moet schrijven met deze jeugdherinneringen. Dus dit is alvast een voorpublicatie, met haar toestemming. Iedereen lezen straks, dat boek. 

Bruggen bouwen

Het lijkt nu alsof ik zelf zo even bij de Kathedraal van Larantuka op de deur klop en meteen met open armen wordt ontvangen. Maar dat is ma...