maandag 20 juli 2026

Ibu Puspa

Zaterdag gingen Citra en ik boodschappen doen. Ik had een koffer nodig, want de koffer die ik nu online gekocht heb is een achterlijk groot bakbeest dat ik niet mee naar Flores durf te nemen vrijdag. Te genant. En ik moest malariamedicatie halen voor Flores. Zeker met zo'n long-covidgeschiedenis wil je echt geen malaria oplopen... Daarna gingen we sate kambing eten aan de weg. Citra weet altijd de allerbeste eetstalletjes. 


In de auto kunnen we altijd lekker babbelen, en Citra vertelde over haar grootouders toen we langs het steegje reden waar zij vroeger woonden.

Citra's zusje was veel ziek en had veel zorg nodig, dus Citra heeft een paar jaar bij haar grootouders gewoond zodat haar ouders beter voor haar zusje konden zorgen. Haar opa en oma hadden het niet breed. Opa was een lagere ambtenaar bij de gemeente. Oma was naaister. Ze hadden nooit honger, maar eten was beperkt tot rijst, groente en soja (tempe en tahu). Vlees was veel te duur. 

Maar op zondag was alles anders, vertelt Citra verder. Dan kwam Ibu Puspa. Ibu Puspa (spreek uit: Poespô) was een onberispelijk geklede dame die vlees verkocht op de nabijgelegen Pasar Beringharjo. Als de markt afgelopen was, zo rond het middaguur, dan nam Ibu Puspa in haar prachtige sarong en kebaya en heur haar in een bijkans gebeeldhouwde wrong een becak (een fietstaxi) en dan liet ze zich voor het huis van Citra's opa en oma afzetten met een tas vol vers vlees. De kinderen keken enorm op tegen deze keurige Javaanse dame en verheugden zich elke week op de waardevolle kost die ze bij zich had voor het middageten. 

Pas veel later, vertelde Citra, kwam ze erachter dat Ibu Puspa de maitresse was van de jongere broer van haar oma. Ze verkeerden ongetrouwd met elkaar, waar de hele familie natuurlijk wat van vond, maar niemand iets van zei, want Ibu Puspa kwam elke week langs met vers vlees. Waarom de partners niet getrouwd waren weet ik niet. Ongetwijfeld waren er ergens een of meer andere partners in het spel...

Ik zit ademloos te luisteren naar Citra. Ze is een paar jaar jonger dan ik, maar niet veel. Ik was ook in Yogya gedurende de tijd waarover zij vertelt (de jaren 80), slechts een paar kilometer noordelijker op de campus van de universiteit. Wij hadden elke dag vlees op tafel. 

Citra en ik hebben al vaker bedacht dat we elkaar goed tegengekomen zouden kunnen zijn, veertig jaar geleden. We weten zelfs een voetbalveldje waar we allebei vaak gespeeld hebben. Maar we zijn elkaar nooit tegengekomen, niet bewust althans, omdat de omstandigheden daar geen mogelijkheid toe gaven. Ik had alleen witte vriendjes en vriendinnetjes uit het kleine kringetje Nederlanders dat in Yogya verbleef. 

Indonesië was 40 jaar na de onafhankelijkheid dus nog steeds een gesegregeerd land, met de expats (vroeger de kolonialen, maar het waren dus gewoon dezelfde mensen, onder wie mijn ouders) in hun eigen bubbeltje. Nu kunnen Citra en ik bevriend zijn op min of meer gelijkwaardige basis, simpelweg ook omdat we allebei welvarend zijn, al is er in absolute zin met mijn salaris en haar salaris nog steeds letterlijk een wereld van verschil.  

Ik heb Citra gezegd dat ze een boek moet schrijven met deze jeugdherinneringen. Dus dit is alvast een voorpublicatie, met haar toestemming. Iedereen lezen straks, dat boek. 

vrijdag 17 juli 2026

TV

Televisie is zo'n achterhaald medium. Wie kijkt er nog analoog TV vandaag de dag? Van de week was ik voor het eerst van mijn meer dan vijftigjarige leven op TV, in een echte studio en met een visagiste vooraf enzo. En allemaal in het Indonesisch...


Het was een regionale Yogyase zender van de staatsomroep TVRI. "Niemand kijkt daarnaar" stelde Citra me gerust. Maar achteraf, vertelde ze, heeft iedereen je toch gezien: de buurvrouw, je collega's, de onderwijzers op de school van je kinderen. "Was jij gisteren niet op TV?" Maar dat vertelde ze gelukkig pas achteraf. Rani, wier promotieonderzoek ik begeleid, had me op de luchthaven van Yogyakarta op grote schermen druk zien gebaren toen ze uit het vliegtuig stapte.

Ik was uitgenodigd door de rechtenfaculteit van Universitas Gadjah Mada (UGM) om te komen vertellen over onze pogingen (met diverse Indonesische collega's) om Indonesisch cultureel erfgoed dat in Nederland opgeslagen en soms tentoongesteld ligt naar Indonesië terug te brengen. Daar zitten ook juridische dimensies aan, natuurlijk, waar ik de ballen verstand van heb. En eigenlijk wil ik dat graag zo houden. Maarja, ik ben een professor uit Nederland dus dan word ik uitgenodigd.

De rechtenfaculteit heeft in samenwerking met de TVRI Yogya een eigen programma op de regionale zender. Die talkshow heet Pro Justicia en gaat wekelijks wel een heel uur lang over juridische vraagstukken. Onderbroken door muziekjes, en reclameblokken, en informatiefilmpjes, maar toch: gewoon langer dan Nieuwsuur. Wat een fantastisch medium, TV. De rechtenfaculteit gebruikt het programma heel bewust als onderwijsmateriaal zoals schooltelevisie op school maar dan op universitair niveau. De jonge generaties lezen minder en kijken meer naar hun scherm, legde mijn collega van rechten uit. 


En dat uur mocht ik dus, samen met mijn collega die de juridische vraagstukken aansneed, vullen met mijn avonturen in Nias vorig jaar, het koloniale verleden dat Nederland en Indonesië verbindt, de aanbevelingen van de Commissie Koloniale Collecties van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit 2020, en het belang van voorouderlijke klanken voor herkomstgemeenschappen. Het vakgebied van mijn collega is adatrecht, de formalisering van inheemse, vaak ongeschreven regels. Adatrecht als categorie is bedacht door de Nederlanders (Snouck Hurgronje!), maar heeft ook een belangrijke basis gelegd voor de juridische organisatie van de Republiek. 

Op TV in het Indonesisch, heremetijd, nog net niet live, maar zo bleek achteraf, ook helemaal niet geredigeerd. Het werd gewoon zo uitgezonden als het opgenomen was. Ik heb peentjes zitten schijten en had me een hele dag lang als een hypergefocuste nerd zitten voorbereiden.

Dat het er allemaal uiteindelijk behoorlijk goed uitkwam (al zeg ik het zelf) had te maken met een aantal dingen.

De vragen waren me vooraf toegestuurd en mijn collega had aan de presentator gevraagd niet teveel te improviseren zodat ik dat ook niet hoefde te doen. Ook de vragen uit het publiek waren goddank helemaal geregisseerd en voorbereid.

Ik moet toegeven dat AI-vertalingen me gered hebben, gewoon om de snelheid. Ik kan in het Engels formuleren wat ik wil zeggen, google translate maakt er in één seconde Indonesisch van, en daarna pas ik dat aan aan mijn eigen woordenschat en de zinsconstructies die ik vaak gebruik. Als ik dat helemaal zelf had moeten bedenken had ik nooit genoeg tijd gehad. 

En dan hardop oefenen, zoals ik de studenten ook altijd aanraad, je mond en je oren laten wennen aan de klanken, de opeenvolging van woorden in je lichaamsgeheugen krijgen. Eén of twee keer is al genoeg. Het maakt een wereld van verschil. 

Ik had me zó goed voorbereid dat ik op de dag zelf totaal rustig was, alles over me heen kon laten komen: de producer die me kordaat van de ene naar de andere hoek van de studio dirigeerde en me fronsend aankeek als ik haar instructie voor de zekerheid nog even herhaalde met mijn Hollandse accent, het leger visagistes met enorme dozen make-up - ik kon er echt van genieten. 

Ik ben eigenlijk altijd zenuwachtig, zelfs nog een klein beetje als ik college ga geven, na al die jaren en al die (goede) ervaring. Ik vind lesgeven het leukste wat er is. Maar ik ben niet meer zenuwachtig voor mijn zenuwen. Dat heeft mijn leraar Klassieke Talen me in de vijfde van de middelbare al als truc meegegeven: je mag best zenuwachtig zijn, geen enkel probleem, maar je hoeft niet zenuwachtig te worden van je zenuwachtigheid. 

Ik heb nog steeds plezier van dat advies. Dankjewel Toon!







https://photos.app.goo.gl/9BAQP37vWUMHfFnL8

zaterdag 11 juli 2026

Luar biasa

Toen ik vorig jaar in Nias was aangekomen, wilde ik elke dag bloggen. Ik had er geen tijd voor, want ik werd van een orahua-ceremonie naar de installatie van een nieuw balö jiulu (dorpshoofd) naar de teruggave-ceremonie van geluidsopnamen van Jaap Kunst geleid. Maar ik probeerde toch zoveel mogelijk op te schrijven omdat ik de uniekheid voelde van al die diepvreemde en exotische rituelen en gelegenheden. 

Dit jaar kwam ik aan in Yogya, de stad die ik al zo goed ken. Ik draaide, zoals gewoonlijk, een paar dagen rond in mijn eigen cirkeltjes van overdenkingen tijdens de jetlag (waarom ben ik hier? wat wil ik hier? hoe was het vroeger?), en toen begon de summer school van ons onderzoeksproject Re:Sound. Die vond plaats aan het Departement Geschiedenis van de Universitas Gadjah Mada, de universiteit waar mijn vader ook al lesgaf, en die daarom een beetje voelt als mijn alma mater, ookal heb ik er - afgezien van een taalcursus - nooit gestudeerd. Bekender terrein in Indonesië bestaat niet voor mij.


Een conferentie, niet echt de moeite van het bebloggen waard, vond ik, tot ik er na enkele dagen achter kwam dat hier iets bijzonders aan de gang was. Net zo memorabel als al die exotische belevenissen in een dorpje in Zuid-Nias vorig jaar. Ik moet er over schrijven om het niet te vergeten. Archiveren...

Al bijna een decennium ben ik samen met mijn collega en goede vriend meLê yamomo aan het nadenken over de koloniale nalatenschappen van geluidsarchieven. In het begin van de twintigste eeuw, namen Europeanen en Noord-Amerikanen zoals Jaap Kunst muziek op in de Europese koloniën uit oprechte interesse in de muziek die ze op hun reizen tegenkwamen, en met oprechte zorg dat deze muziekpraktijken zouden verdwijnen. Maar deze etnografen waren deel van het koloniale systeem dat deze muzikale uitingen zo bedreigde. 

Jaap Kunst nam alleen die muziek op die genoeg afweek van wat hij in Europa gewend was te horen, muziek die niet in mineur-majeurtoonladders te vangen is, die ritmes en intervallen bevat die niet in Europa gepraktiseerd werden. Indonesische muziek die wel voor hem herkenbare muzikale kenmerken had (keroncong, ketoprak, ludruk), nam hij niet op en noemde hij letterlijk "besmet door westerse invloeden". De muzikale kenmerken van de zogenaamd "onbesmette" tradities, die hij opnam van Aceh en Nias tot aan Papoea en bijna alles wat daar geografisch tussen zit, stelde hij direct gelijk met de raciale kenmerken die hij in mensen observeerde. Ze werden door hem, en veel andere Euro-Amerikaanse etnografen, apart gesteld, zonder geschiedenis of invloed van buiten, gevangen in een onveranderlijk "ethnos". 

Zijn geluidsarchief is dus hoogst selectief, niet alleen voor wat betreft de muziekpraktijken die hij wel en niet opnam, maar ook hóe hij die opnam. Hij werkte met een fonograaf, die geluidsgolven via een hoorn, een beweeglijk membraan en een naald direct in wasrollen graveerde. Die rollen kunnen maximaal 4 minuten muziek bevatten en zijn kostbaar; de hoorn kan enkel een paar zangers of instrumentalisten accommoderen. Iedereen die verder van de hoorn muziek staat te maken is onhoorbaar op de opname. Kunst zette zijn opnames dan ook uitgebreid in scène, en koppelde de geluiden die hij opnam daarmee los van de sociale functie die de uitingen hadden: welke zanger mocht hoorbaarder zijn dan welke andere? Mocht er tussendoor geroepen, gefloten of gelachen worden? Nee, ook als dat wel bij de praktijk hoorde. Roepen, gillen of lachen is immers geen "muziek" in de Europese zin van het woord. 

Jaap Kunst en onbekende zanger en toeschouwers in Urbinasopèn, Waigeo, 1932

De mensen wier stemmen Kunst opnam konden hoogstens wat advies geven, maar hadden niets te zeggen over het uiteindelijke resultaat van hun uitingen, laat staan over wat er met dat resultaat (dat staaltje/exemplaar van een door Europeanen bepaalde en afgebakende cultuur) stond te gebeuren: over de wereld gesleept, vermenigvuldigd, gehoord door mensen die zekere uitingen misschien wel niet geacht werden te horen. De uiting werd gescheiden van degene die die ooit uitte, de kennis werd gescheiden van de kenner. Uiter en kenner verdwenen uit het traject dat deze uitingen over de wereld aflegden: meegenomen, geannoteerd (vaak foutief, zo concludeerden we deze week veelvuldig), gecatalogiseerd en geclassificeerd volgens Europese maatstaven van meer en minder ontwikkelde volkeren, waarbij Europa natuurlijk elke keer weer als meest geciviliseerd uit de bus kwam. 

De vraag waar vele wetenschappers die zich met koloniaal erfgoed bezighouden zich al jaren het hoofd over breken is: wat doen we nu met dat beladen koloniale materiaal? In Nias merkte ik dat Kunsts geluidsopnamen wel degelijk waarde hebben voor de nazaten van degenen wier stemmen werden opgenomen, dat er hernieuwde interesse komt, ook onder jonge generaties, voor oude muziekpraktijken. Een traditie die door koloniale inmenging gebroken en onderbroken is, krijgt tenminste een gedeeltelijke hechting tussen vroeger en nu. Precies wat Kunst voor ogen had. Ook zijn de opnamen waardevolle historische getuigen van koloniale ontmoetingen die ons inzicht geven in de sociale en culturele structuur van een koloniale maatschappij. Die functie had Kunst nooit kunnen bevroeden.

Maar er is ook wat kapot gegaan in de beslissingen van Kunst bepaalde muziekpraktijken op zijn manier te bewaren en andere niet: in het verlies van zeggenschap en soevereiniteit, in het omvormen van een vergankelijke klinkende uiting met een functie en waarde in een onveranderlijk object dat opgeslagen ligt in een archief of museum op een plek waar niemand dat fragmentje van die uiting begrijpt, verantwoord gebruikt en zich er volgens de plaatselijke gewoonten toe verhoudt. De traditionele muziekpraktijken zijn eigenlijk twee keer gestorven: allereerst verdrongen door geïmporteerde (muziek)cultuur uit Europa (majeur-mineurtoonladders, gelijkzwevende stemming, concertcultuur, losgezongen van rituelen en dagelijkse ritmes) en daarna in stilte en in het donker opgeslagen in een archief in Europa, als in een graftombe.

Het probleem is dat deze vroegere gebeurtenissen doorwerken in het hier-en-nu, net als het slavernijverleden. Mensen uit het wereldwijde Zuiden moeten zich nog steeds voegen naar de maatschappelijke rollen die mensen als Kunst gedurende de koloniale tijd voor hen bedachten. Onderzoekers uit Zuidoost Azië hebben nog steeds moeite Europese archieven binnen te komen om hun eigen voorouders te kunnen horen. Herkomstgemeenschappen hebben nog steeds geen zeggenschap over wat er met deze koloniale constructies van hun klinkende uitingen moet gebeuren. Publicaties erover worden daarom nog steeds voornamelijk geschreven door mensen als ik: gevestigde witte academici in metropolen in het wereldwijde Noorden. 

Hoe doorbreken we dat? Daar ging deze summer school over. Hoe kunnen we beginnen ons zo'n breuk met gevestigde ordeningen van kennis voor te stellen? We kwamen er niet uit, natuurlijk, maar er gebeurde iets in die dagen van wetenschappelijke presentaties, discussies, excursies naar drie verschillende (geluids)archieven en musea in Indonesië, en de workshop over de Jaap Kunst Collectie die ik gisteren met de studenten hield. Er was basale overeenstemming over de problematiek, en daardoor ook een voorstellingsvermogen van iets dat er nog niet is. In Europa ben je veel tijd en energie kwijt met nóg eens uitleggen waarom Jaap Kunsts bemoeienissen met de traditionele muziekpraktijken van het Nederlandsch-Indische koloniale rijk niet alleen maar positief uitpakten voor iedereen. Hier hoefde dat niet. Juist en vooral de studenten, voor wie de summer school bedoeld was, snapten de problematiek precies. Ik wil nooit meer naar een conferentie zonder studenten.

Ze waren kritisch, ze stelden scherpe vragen, ze durfden hun twijfels naar voren te brengen. We konden daadwerkelijk doordenken zonder rekening te hoeven houden met gevoeligheden van witte mensen die zich aangevallen voelen in hun onschuld en poortwachterschap. Dat schiep een ruimte die ik nog niet eerder in mijn wetenschappelijke loopbaan heb gevoeld en die gedeeld werd door alle deelnemers. Er werd ontzettend veel gelachen en er vloeiden ook tranen over wat er in de afgelopen eeuwen gebeurd is. De groep en de omgeving waren veilig genoeg om dat te laten gebeuren. Dat zal ik echt nooit vergeten.


Maandag - De Opening

Veel mensen kenden elkaar al van onze vorige projecten zoals het project Decolonizing Southeast Asian Sound Archives (DeCoSEAS, 2021-2024), maar er waren ook veel nieuwe mensen, vooral de ongeveer 25 studenten van de vakgroep Geschiedenis van Universitas Gadjah Mada (UGM) en de Yogyase Hogeschool voor de Kunsten (ISI). Zij hadden onder Widya's bezielende leiding alles georganiseerd en ze vervulden hun rol als dagvoorzitters met grote professionaliteit. Alles vond plaats in het Engels, hoewel 90% van de aanwezigen Indonesisch sprekend was. 






En toen kwam Ferdy Soukotta, een jonge muzikant en onderzoeker uit de Molukken, die als Visiting Fellow van Re:Sound drie maanden onderzoek gaat doen in Nederland, met zijn fantastische voordracht over (en van!) Hena Masa Waya als vorm van levende, performatieve overdracht van erfgoed die niet alleen een aanvulling van, maar ook een alternatief voor een institutioneel archief als opslagplaats van objecten kan zijn. Veel deelnemers, onder wie ikzelf, moesten toen al even hun tranen wegslikken. Molukkers worden op Java enorm gediscrimineerd. De aanwezigheid van Oost-Indonesische cultuur in de officieuze Javaanse culturele hoofdstad Yogyakarta was betekenisvol: https://photos.app.goo.gl/zGQTjbPpHJVit68b9


En natuurlijk daarna lekker samen eten, zoals dat hoort in Indonesië.  


Dinsdag - Museum Sonobudoyo

Het Museum Sonobudoyo verkeert in zwaar weer. Het werd in de koloniale tijd opgericht als Europees vormgegeven opslag- en tentoonstellingsplek voor lokaal erfgoed, voortgekomen uit het Java Instituut, waar lokale elites en Nederlandse koloniale cultuur-afficionados elkaar troffen en nadachten over wat "Javaanse" cultuur, "inlandse" cultuur en Maleise taal en cultuur in zouden kunnen houden.

Sonobudoyo heeft een van de meest indrukwekkende collecties van Indonesië, met schilderijen, beeldhouwwerken, zilverwerk, textiel, wayangpoppen, muziekinstrumenten en een collectie van honderden shellac grammofoonplaten uit de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw. In 2013 heeft mijn moeder Indonesisch zilverwerk uit onze familie aan het museum gedoneerd, omdat we vonden dat het terug moest naar Indonesië. En ook later had ik altijd wel weer contact met mijn collega's van Sonobudoyo.




Afgelopen dinsdag kregen we er een rondleiding in de depots en een lezing over het belang van deze commercieel geproduceerde grammofoonplaten voor het ontstaan van ideeën over Javaanse en nationale Indonesische cultuur.

Het museum bevindt zich op de landerijen van de Sultan van Yogyakarta, Sri Sultan Hamengkubuwono X, in het centrum van Yogyakarta. De keraton omvat niet alleen het daadwerkelijke paleis van de Sultan, maar ook de ommuurde gronden eromheen. Eigenlijk is de keraton een stad in een stad. Recentelijk is de keraton uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed. Geweldig, zou je denken, die bescherming van kwetsbaar erfgoed, maar niets is minder waar.

Niet alleen het Museum Sonobudoyo, maar ook de duizenden Yogyanezen die in de afgelopen decennia binnen de muren van de keraton zijn neergestreken om met een winkeltje of een stalletje op de stoep in hun schamel onderhoud te voorzien moeten ophoepelen. De Sultan wil de keraton namelijk terugbrengen tot de situatie ten tijde van Hamengkubuwono I, die heerste in het midden van de 18de eeuw, toen de keraton nog helemaal afgesloten was van de rest van de stad en alleen daartoe bevoegde personen zich binnen de muren mochten begeven.

Het is waanzin, schamperen mijn collega's van de vakgroep geschiedenis. In 1755 stond er op het terrein van de keraton een klein paleisje en een moskee, verder niets. Wil de Sultan daar naar terug? Natuurlijk niet, maar hij heeft nu een argument om alles en iedereen die hij niet in de keraton wil eruit te mikken. De rondleiding die we dinsdag in het Museum kregen is het laatste bezoek op die locatie. Waar het Museum in de toekomst heen moet is nog onbekend, waarschijnlijk ergens ver buiten de stad.


Dit is precies de "ver-erfgoed-isering" die ook zo problematisch is aan de Jaap Kunst Collectie, en die - met dank aan UNESCO - overal ter wereld plaatsvindt. Een levende cultuur wordt tot object gemaakt, vernauwt tot een onveranderlijk quasi-authentiek beeld van een verleden dat nooit bestaan heeft en ingezet voor huidige politieke of culturele belangen. Hele stadskernen van Cartagena in Colombia tot de Jantar Mantar in India zijn ontoegankelijk geworden voor de mensen die er ooit woonden. En wij blijven ons afvragen: hoe doorbreken we die patronen? 

Woensdag - Museum Ullen Sentalu

In Kaliurang kwam ik vroeger als kind ook vaak. Eerst moesten we wandelen, dat vond ik vervelend, maar gelukkig mochten we daarna zwemmen in het zwembad. Ook Kaliurang heeft een beladen koloniale geschiedenis. Het ligt op de helling van de vulkaan Merapi, het is er fris en vruchtbaar. 

De Nederlanders die in Yogya woonden en werkten hadden in Kaliurang hun buitenhuizen om in de weekenden te vluchten voor de hitte. Mijn grootouders hadden zo'n huis in Tretes, ook hoog en fris om te ontsnappen aan de hitte van Surabaya. Elk weekend gingen ze er heen. Geen wonder dus dat mijn vader enorm graag in Kaliurang kwam. Het staat nog vol met koloniale villa's.


Er is ook verschrikkelijk gevochten tijdens de dekolonisatieoorlog, de Nederlanders hebben er gruwelijk huisgehouden tijdens de Operatie Kraai in 1948, misschien juist omdat ze Kaliurang bij uitstek als een plek voor en van hen beschouwden. 

Maar nu is alles pais en vree in Kaliurang, ook bij het Museum Ullen Sentalu, prachtig verscholen in de bossen. De museumdirecteur wil er graag een Jaap Kunst Hoek inrichten, naar voorbeeld van de provinciale bibliotheek in Kupang waar bezoekers naar de opnamen kunnen luisteren. 




We brachten er een hele dag door, met lezingen en uitvoeringen in de open lucht. Opnieuw wilden we met de uitvoeringen laten zien dat ook zij vormen van overdracht zijn die in samenwerking en samenspraak met herkomstgemeenschappen tot stand kunnen komen. Opnieuw wilden we laten zien dat zulke overdracht (van traditie, cultuur, identiteit, maar ook als teruggave van naar Nederland gebrachte objecten) ligt in het aangaan van lange-termijnrelaties, niet in het eenvoudigweg overhandigen van een ding. Muziek is daar bij uitstek geschikt voor. 

Juan Arminandi, van de Dayakgemeenschap uit Kalimantan, speelt eigen werk op zijn zelfgemaakte muziekinstrument dat is gebaseerd op traditionele Dayak-instrumenten. Hij leert de organologie en speelwijzen van die instrumenten van ouderen in de gemeenschap en geeft er zijn eigen draai aan. Hij geeft opvoeringen over de gehele wereld (in 2021 en 2025 stond ie op het Holland Festival) en draagt op deze manier Dayak muzikaal erfgoed over, niet door het tot een object te maken en op te slaan, maar door het te laten leven, te laten klinken en te laten veranderen:  https://photos.app.goo.gl/fKf7rGcWoAcHM6Vw7

Rani Jambak, van de Minangkabaugemeenschap uit Sumatra, speelt eigen werk via haar zelfgemaakte klankinstallatie waarin het borduren van textiel vormend is voor de klanken die ze produceert. Met het borduren viert ze de matrilineaire tradities van Minang en de zeggenschap van vrouwen die door koloniale Europese man-vrouwbeelden toenemend in het gedrang gekomen zijn. Binnen het Re:Soundproject gaat ze hierop promoveren met een Joint Doctorate in the Arts aan UGM en de UvA:  https://photos.app.goo.gl/KdrP278GVv1xNc8w7

Dus, zo konden we ons afvragen, kunnen de uitvoerende kunsten (muziek, theater, dans) fungeren als levend archief dat democratischer fungeert dan die stille, donkere opslagplaats van dingen die ooit dynamische uitingen waren, gezongen klanken, levendige rommelige steden, wederzijdse vormen van begrip in het gebruik van bepaalde gebaren? Dat gaan we in de komende jaren verder uitproberen met elkaar. Empirisch onderzoek. 

Donderdag - Lokananta Records

Op weg naar Solo / Surakarta heb je geluk als je de Merapi en de Merbabu kan zien. Meestal zitten deze machtige vulkanen in de wolken. We hadden geluk, 's ochtends vroeg in de bus, op weg naar het platenarchief Lokananta.

Lokananta is ontzettend hip. Een museum voor Indonesische bezoekers: interactief, je kan veel selfies maken met het materiaal, en een ongelooflijk professioneel ingerichte digitalisatieruimte. En bovenal zijn er heel veel mogelijkheden om te luisteren.








Begonnen als grammofoonplatenfabriekje in 1956, de tijd van Soekarno in de vroege jaren van de onafhankelijkheid, werd Lokananta al snel een platenlabel dat allerlei vormen van populaire Indonesische muziek uitbracht, vaak om een nationale identiteit te benadrukken. Na de machtsovername van het leger in 1965 lag Lokananta aan de leiband van de heersende dictatuur, de Nieuwe Orde (Orde Baru) tot de reformatie in 1998. 

Nu is Lokananta geen platenlabel meer maar een archief en museum dat zelfs liederen tentoonstelt die ooit geassocieerd werden met de PKI, de Indonesische Communistische Partij, die in een gruwelijke massaslachting, gesteund door Amerikaanse, Britse en Australische geheime diensten, gedurende de Koude Oorlog weggevaagd werd met 500.000 tot misschien wel een miljoen doden tot gevolg. Nog steeds is "1965" een beladen woord, maar Lokananta legt Genjer-Genjer gewoon in zijn vitrine nu:  


En bovenal is Genjer-Genjer te horen, trots verklankt in het museum: https://photos.app.goo.gl/iiuVyVDZdxfiwyjq7


En in de middag gebeurde het, in de studio van Lokananta waar we te gast waren: mijn goede vriend meLê yamomo gaf een lezing voor een breder publiek: wij, de studenten, maar ook de pers (radio en kranten) waren uitgenodigd. Daar vertelde meLê zijn verhaal, dat ik inmiddels goed ken, over zijn zoektocht naar de Manilla musicians, Aziatische operamuzikanten (Rossini, Verdi, Meyerbeer) die niet in nationale archieven te vinden zijn omdat ze migreerden tussen landen en koloniale invloedssferen. Die niet als kunstenaars geregistreerd waren in koloniale narratieven omdat ze "inlands" waren. Hij vond ze uiteindelijk in de archieven van de brandweer en de politie die houten brandbare operahuizen in Manilla, Batavia, Singapore en Hong Kong veilig moesten houden. Hij vertelde over de moeilijkheden die hij in Europa is tegengekomen (en die ik zelf nooit ben tegengekomen, simpelweg omdat ik er Europees uitzie) om toegang te krijgen tot archieven waarin nalatenschappen van zijn eigen gemeenschap liggen. Hij bleef emailen en vragen om toegang; er kwam geen antwoord. Een vriend van hem met een Europese naam had binnen een week een positief antwoord op dezelfde vraag. 


Al die verhalen ken ik, ze schokken me telkens weer. Ik ben zelf deel geworden van meLês verhaal, zoals hij deel geworden is van het mijne. We denken al zoveel jaren in tandem (en soms in tweespalt). Maar op donderdag was het anders. Alleen Vincent (die meLês verhaal ook goed kent) en ik waren Europees, zeg maar wit. Alle andere toehoorders waren Aziatisch. We voelden allemaal dat meLês verhaal onmiddellijk begrepen werd, er was geen herhaaldelijke uitleg of legitimatie van de problematiek nodig. Het landde bij de toehoorders. 

Ik zat achterin de zaal en ik voelde het gebeuren. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me als grote witte vrouw in Azië de spreekwoordelijke "fly on the wall". Niemand lette op mij. Ik was toeschouwer, had geen deel aan de discussie, juist omdat het probleem van witheid (the white gaze, a white ear, white fragility) waarvan ik wel degelijk onderdeel ben, zo openlijk besproken kon worden. Iedereen wist meteen wat er bedoeld werd met die doorgaans onbevraagde norm, zoals Jaap Kunst kon kiezen wat muziek was om op te nemen en wat niet, vanuit zijn cultureel gesitueerde Europese beleving die door iedereen als universeel werd (en vaak nog steeds wordt) beschouwd. Dit zijn de subtiele en daarom vaak onbesproken dimensies van koloniaal geweld. Op die middag kon het openlijk besproken worden. 

Er waren mensen in tranen na afloop, onder wie ikzelf. Het was een ontlading. Studenten kwamen bij me met vragen, die ik niet kon beantwoorden, maar wel kon bespreken met ze. Er was iets opengelegd. Terug in de bus naar Yogya was ik er stil van. 

Ibu Puspa

Zaterdag gingen Citra en ik boodschappen doen. Ik had een koffer nodig, want de koffer die ik nu online gekocht heb is een achterlijk groot ...