woensdag 12 augustus 2026

Om Marsel

Een van de dingen die ik zo leuk vind aan op reis zijn, zijn de toevallige ontmoetingen. Soms worden die mogelijk gemaakt door minder toevallige ontmoetingen. Om Dus ben ik toevallig tegen het lijf gelopen omdat hij familie is van een van de teamleden. 

Maar soms kom je mensen ook gewoon op straat tegen en begin je een praatje. Toen ik in dat heerlijke stille klooster boven op de berg midden in het schiereiland Tanjungbunga zat, besloot ik eens naar beneden te wandelen, naar het dorp Lamabani. Wij Belanda’s willen immers de wereld exploreren om die vervolgens te bezetten.

Daar zat Om Marselinus op zijn platje voor het huis van zijn schoonouders. Hij zwaaide heel hard naar me met zijn arm ver boven zijn hoofd. Ik zwaaide terug. “Kom hier zitten” riep hij. “Kom koffiedrinken. Ayo.” Het is heel onbeleefd om zo’n aanbod te weigeren en ik had toch de tijd, dus ik stapte braaf “permisi” roepend zijn erf op en nam plaats op een onmiddellijk van binnen opgehaalde stoel. 

“Ik heb jou eerder gezien” verklaarde Om Marselinus. Ik kon me dat niet herinneren, maar hij verfriste mijn geheugen onmiddellijk. “Ik was bamboe aan het kappen aan de weg”, vertelde hij, “en toen reed jij langs in je auto [we kwamen toen terug uit Riangkroko]. Ik zwaaide naar je en jij zwaaide terug, en toen wist ik: dit is een goed en leuk mens. En nu zien we elkaar weer. Hoe wil je je koffie hebben?” Geen melk en geen suiker, het blijft altijd moeilijk uit te leggen, maar zijn schoonzus, die ook meeluisterde, zorgde er voor. 

Hij vroeg wat me hier bracht. Ik legde het uit. Hij vond het geweldig, en zijn schoonzus en zijn schoonouders ook. Er woont hier een man vlakbij die gambus speelt, vertelde hij. Zullen we daar morgen heen? Hij weet heel veel over de plaatselijk cultuur. Dat vond ik wel leuk, want ik had nog geen plannen voor morgen. Dan kunnen we meteen naar de waterval van Tengahdora, zei Om Marsel. Die is hier vlakbij. Hij is prachtig. 

Dat leek me superleuk, een wandelingetje, want ik zit de hele dag in auto’s en op (te kleine) stoelen. Omdat ik zo onbevattelijk lang ben hier is het ook vaak onbeleefd om te blijven staan, omdat je dan zo hoog boven anderen uittorent. Dus als mensen drie keer zeggen "Ga toch zitten!” dan ga ik toch maar weer zitten.

Inri, Dida en Goran hadden wel zin om mee te gaan, dus de dag erop togen we naar de waterval. 

Wij lopen het in 10-15 minuten, zei Om Marsel. Ik had al bedacht dat dat in elk geval een half uur lopen betekent. Uiteindelijk deden we een uur over die twee kilometer: steil, bijna recht naar beneden, met hulp van een stok en daarna weer even steil omhoog. Om Marsel had een kapmes bij zich waarmee hij het pad vrijmaakte. We moesten soms over omgevallen bomen heen klimmen. Het was echt een hindernisbaan in de hitte. Maar ik vond het geweldig: rondbanjeren in het prachtige bos in het ontoegankelijke noordoosten van Flores. Wie had dat kunnen denken toen ik twintig uur per dag met een noise canceler in mijn torenkamer in Utrecht ziek lag te wezen








Sommige van mijn twintig jaar jongere, stadse reisgenoten hadden meer moeite met het traject dan ik, wat me een beetje geruststelde met betrekking tot mijn fysieke gesteldheid als vijftigplusser (en wel met die prachtige nieuwe heupen aan weerszijden!). De wandeling en mijn rooie hoofd waren het meer dan waard. De waterval was prachtig. 




De gambusbuurman bleek niet beschikbaar, maar dat was niet erg want we waren allemaal ontzettend moe. We kregen nog koffie en cassave bij Om Marsel thuis. Ik had gelukkig oleh-oleh uit Nederland meegenomen. Hij wilde geen vergoeding voor zijn uitstekende gidsdiensten. En hij was ook niet moe. Hij loopt dit elke dag een paar keer. Hij is in hetzelfde jaar geboren als ik: 1973. 

Kakak Luis

Een prachtige organisatie waarover ik nog niet geblogd heb is SimpaSio, een grassroots culturele organisatie in Larantuka die met weinig middelen ontzettend veel voor elkaar krijgt. Ze richten zich op traditionele cultuur, maar in hedendaagse vormen. Ze werken met kinderen die ze leren schilderen, weven, sieraden maken, ze bieden theatercursussen aan, ze hebben een bibliotheek en fungeren als levend archief voor de regio. 

Ze zijn heel actief op sociale media waar ze Instagramfilmpjes maken over lokale cultuur en geschiedenis. Ik heb al Kunsts Flores-opnamen (niet alleen Oost Flores), foto’s en film digitaal met hen gedeeld, zodat die opnamen ook via hun organisatie toegankelijk zijn. 

Naast het ongelooflijk belangrijke werk dat ze doen, is het bij hen ook altijd ontzettend gezellig. Er lopen jonge activistische mensen rond die altijd bezig zijn met iets: traditionele sieraden maken, schilderen, oefenen voor een theatervoorstelling, froebelen op een muziekinstrument. Ze zijn echt onze vriendjes geworden sinds we hier zijn en helpen ons met contacten.

Inri wilde snorkelen vandaag en ik was vroeger met mijn ouders een fervent snorkelaar. Ik heb zoveel prachtige riffen gezien: in Sulawesi, in de Molukken. Dus ik wilde heel graag mee. Morgen vliegen we terug naar Kupang. Vandaag hadden we nog vrij. 

Het team te water: Arif (SimpaSio), Inri, Goran...

,,,en Ibu Boss die eindelijk een beetje relaxt.

Zo kwamen we in contact met kakak (bro) Luis. Hij is chauffeur; hij rijdt toeristen rond over het hele eiland Flores. En in zijn vrije tijd doet hij aan koraaltransplantatie, net als SimpaSio met weinig middelen meer dan zijn eigen inzet en toewijding. 

Hij is niet academisch geschoold, maar naar mijn bescheiden geesteswetenschappelijke mening kan hij doorgaan voor een gediplomeerd maritiem bioloog. Hij weet precies welk koraal waar groeit en dat komt neer op kennis van een specifieke omgeving op 3, 7 of 9 meter diepte (temperatuur, zoutgehalte, stroming), op zoveel meter van de kunst, want sommige koralen groeien in de ene omgeving wel en in de andere niet. Hij weet ook welke koralen vroeger ergens groeiden en nu niet meer, en hoe je ze kunt transplanteren van een plek waar ze nog wel groeien. 

Een half uur hebben we naast de haven van Larantuka (waar je zou verwachten dat er niets wil groeien) rondgesnorkeld. Hij heeft me als een trotse gids rondgeleid boven en (met af en toe een duik) door de riffen die er nu weer groeien. Met ontelbare prachtig felgekleurde vissen. Zeesterren. Wuivende anemonen. Sponsachtigen. Het zijn pockets in een verder nogal desolate omgeving. Veel is grijs en dood. Maar het is een begin. 

Met niet meer dan lege bierflessen en opengewerkte stoeptegels heeft hij, zo’n drie jaar geleden samen met twee maatjes, op de bodem structuren gebouwd waar vissen tussen kunnen schuilen en zich lekker voelen. Daar koekt ook vruchtbaar residu aan. Als je daar een beginnetje maakt met een levende koraalsoort, dan kan die soms verder groeien. De mannen hebben geen duikapparatuur. Ze duiken voor elke paar bierflesjes en elke stoeptegel en elk stukje koraal opnieuw op hun eigen adem naar beneden om alles goed neer te leggen. 

Je moet precies weten wat je doet en alle parameters van temperatuur, stroming en zoutgehalte op de radar hebben. Hoe heb je dat geleerd? vraag ik hem. YouTube-filmpjes kijken, antwoordt hij, en alles erover lezen wat je tegenkomt. 

Hij maakt zich enorme zorgen over de stijgende temperaturen van de oceanen wereldwijd. Maar hij is ook zo trots op die riffen, waar je af en toe nog een bierflesje en een stoeptegel als beginnetje tussen ziet. Ze groeien nu zelf, zegt Luis tevreden.

Ik kan het niet laten een link te leggen tussen deze “natuur”conservatie en het conserveren van “cultuur”, een link die in veel wetenschappelijke literatuur gelegd wordt tegenwoordig. De koralen van kakak Luis zijn eilanden van herstel in een vernietigde leefomgeving. Al snorkelend krijg ik weer meer begrip voor het narratief van verlies van Pak Sogan in Waibao en mijn Franse collega: de pockets zijn prachtig om te zien (net zoals je af en toe nog een prachtige traditionele dans opgevoerd krijgt), maar de doodgrijze omgeving eromheen maakt verdrietig. Het lijkt in niets op wat ik in mijn jeugdjaren aan spectaculaire, onafzienbare riffen bij Sulawesi en de Molukken heb gezien.

En weer is dat een kwestie van perspectief: een focus op wat ooit was en daarmee het verlies. Of een focus op de trots, de hoop en het doorzettingsvermogen van kakak Luis, die nog maar drie jaar bezig is en nu al iets wonderbaarlijks voor elkaar gekregen heeft. 

Net als SimpaSio probeert hij iets te laten herleven op een nieuwe manier met de beperkte middelen die hij heeft. De overheid ondersteunt op geen enkele manier. Mensen doen het zelf. En het lukt ze ook nog. Ik heb daar enorme bewondering voor. 

dinsdag 11 augustus 2026

(Digital) Nomad

Ik zit hier op het alleroostelijkste puntje van het eiland Flores, met schitterend uitzicht op het eiland Adonara. Onder de verkoelende mangroves en met de glasheldere zee aan mijn voeten kan ik hier koffie van het eiland drinken, vers en zo van de boom, en straks een bordje mie eten.  

Ik probeer niet teveel op een digital nomad te lijken

Ik ben voor het eerst in een week of twee alleen. Goran is naar zijn kampung op Adonara om familie op te zoeken, Dida is naar Maumere om haar aanstaande schoonfamilie te begroeten, en Inri is met een kennis naar het strand. 

Ik moet er weer aan wennen, in mijn eentje, en ik vind het ook fijn. We hebben een geweldige reis gehad met ons vieren. Morgen gaan we nog snorkelen en donderdag vliegen we terug naar Kupang. 

We hebben de afgelopen dagen nog twee heel bijzondere bezoeken afgelegd. We hebben de dorpen Waibao en Lewoloba opnieuw bezocht en zijn daar vergast op prachtige zang en dans. Ik ben me ervan bewust dat ik, wederom net als Kunst, even langswip, intense en betekenisvolle ontmoetingen heb met mensen, maar daarna weer wegga met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat ik hier niet meer terugkom. Ik heb hier nu immers niet echt meer iets te zoeken.

Antropologen die zich maanden of zelfs jaren achtereen laten opgaan in een gemeenschap aan de (voor hen) andere kant van de wereld. Ik heb er nooit echt toe behoord. In Zuid-Afrika was ik nog het langst: 2 x 4 maanden achter elkaar naast een groot aantal kortere veldwerkbezoeken. En ik voelde me altijd tekort schieten omdat ik niet langer bleef.

Maar ik ben daar anders over gaan denken. Waarom zou je, in theorie enkel voor onderzoeksdoeleinden (in de praktijk natuurlijk voor veel meer dan dat), je onderdompelen in een cultuur die je helemaal niet kent om die te beschrijven en te duiden voor mensen die die cultuur ook niet begrijpen? Het heeft intrinsieke waarde, ongetwijfeld, maar ik ben ervan overtuigd dat mensen uit de gemeenschap zelf dat veel beter kunnen. De implicatie daarvan is dat iedereen zich alleen nog maar met zijn eigen cultuur bezighoudt. Die implicatie staat me ook tegen. 

Met de mensen van ons team kan ik dat soort dilemma’s bespreken. Ze zijn allen academisch geschoold met academici als ouders, net als ik. We vormen samen ook een gemeenschap met gedeelde waarden, ook al stonden onze wiegen op verschillende plekken. Misschien liep het mede daardoor ook allemaal zo vlotjes deze week. 

Waibao Revisited

Ik wilde terug naar Waibao omdat we een week eerder alleen met Pak Sogan hadden kunnen spreken. En ik was toen ziek, dus ik had niet alles goed op een rijtje. Pak Sogan had waarlijke kennis van de oude gezangen, en ik wil niets afdoen aan zijn oprechte gevoel van verlies, maar ik hoorde soms letterlijk mijn Franse collega door zijn mond praten. 

Ik ben hier niet om onderzoek te doen naar hoe die gezangen vroeger klonken, noch om die oude gezangen te reconstrueren. Dat kunnen mensen van hier veel beter dan ik, als ze zich daartoe geroepen voelen. Ik ben hier om oude opnames van die gezangen – wat ze ook waard mogen zijn – terug te geven aan de nazaten van de zangers wier stemmen zijn opgenomen. Dus ik wilde die nazaten vinden. Wat zij er dan verder mee doen is aan hen, niet aan mij of aan welke andere etnomusicoloog dan ook.

De dorpssecretaris, die ook bij het gesprek met Pak Sogan aanwezig was geweest, begreep dat meteen. Hij begon een zoektocht nadat we de namen die Kunst had genoteerd aan hem hadden geappt (met dank aan mijn geweldige team dat dit allemaal coördineerde). De burgerlijke stand van een dorp is hier misschien niet tot in de puntjes schriftelijk geregeld, maar des te beter mondeling. Tot voor kort kon iedereen in het cultuurgebied van Lamaholot (heel Oost Flores) tot tien of twintig generaties terug zijn genealogie reciteren: wie afstamt van wie, wie met wie getrouwd is, wat de namen waren van alle kinderen, enz. Nu kan niet iedereen dat meer in zulk detail (er zijn nu immers schriftelijke alternatieven), maar toch lijkt iedereen nog uit zijn hoofd te kunnen opnoemen wie familie is van wie sinds de zoveelste generatie. Ongelooflijk is dat. 

Kunst heeft alleen een roepnaam van de zangers opgeschreven terwijl mensen hier drie namen hebben: een christelijke naam (santa), een dorpsnaam (desa) en een clannaam (marga). Maar de meeste roepnamen komen alleen in bepaalde marga’s voor dus dat hielp. Toen we een paar dagen na ons appje aan de dorpssecretaris terugkwamen in het dorp had hij een nazaat van drie van de vijf zangers gevonden. En die stonden op ons te wachten.

Hun afstamming van de zangers is niet met zekerheid te toetsen, maar ik ben er steeds minder van overtuigd dat dat moet. We liepen een aantal criteria af. De drie toehoorders herkenden meteen de stijlen van de gezangen en gaven aan dat hun respectievelijke vaders en grootvaders die stijlen beheersten, vloeiend in Bahasa mantra (de verheven archaïsche taal) konden reciteren. Natuurlijk kan dat grootspraak zijn, maar ik heb geen reden om aan te nemen dat dat het geval was. Ook de leeftijden klopten met de mogelijkheid dat deze mannen in het jaar 1930 voor Kunsts fonograaf hadden staan zingen. 

Het was wederom diep ontroerend om samen naar de gezangen te luisteren, uitleg te krijgen over het belang en de functie van de gezangen, de trots te zien op de gezichten van die mannen terwijl ze voor het eerst de stem van hun vader of grootvader weer hoorden. We moesten nog terug naar Larantuka (2 uur rijden), maar we bleven tot lang nadat de duisternis inviel in Waibao.


Naarmate de avond vorderde kwamen er meer mannen op leeftijd aanhaken. Als je zo’n gezang hoort, legden ze uit, dan mag je niet zomaar langslopen. Dan moet je blijven staan om er aandacht aan te geven en te luisteren. 

Ze begonnen onder elkaar te overleggen wat de gezangen betekenden en al spoedig begonnen ze zelf te zingen. Dicht bij elkaar bewogen hun lichamen op het tandak-ritme en reciteerden ze de oude gezangen. Net als in Nias riepen de oude opnamen een spontane gezongen respons op omdat de klanken uit voorbije tijden weer hoorbaar werden voor degenen die ze begrijpen. Er ontstond een hernieuwde verbondenheid. 

En net als in Riangkroko werd ons verzekerd dat voor elke inauguratie van een huis, en in elk oogstseizoen er nog  gezangen worden gezongen, tot op de dag van vandaag. Ook dat kan grootspraak zijn, en alleen de eenvoudige gezangen betreffen. Het bewijst geenszins het ongelijk van Pak Sogan en mijn Franse collega, maar het narratief van verlies is niet het enige narratief. 

Er haakten niet alleen oudere mannen aan, al is het duidelijk dat de kennis en de praktijk van deze gezangen in hun handen ligt. Er staken, net als in Nias vorig jaar, ook kinderen en tieners hun hoofd om de hoek, om naar die grote Belanda te staren maar ook om te luisteren naar de gezangen die uit mijn speakertje kwamen en die toen zelf door de oudere generatie werd voorgedragen. 


De reden dat de kennis van de gezangen vooral bij de oudere generatie ligt, heeft overigens niet alleen te maken met het feit dat de praktijk zijn maatschappelijke hoogtijdagen heeft gehad. Jongeren mogen de gezangen niet zingen voordat hun ouder overleden is, zo leerde ik. Ze krijgen het als gift van de voorouders (je kunt het, of je kunt het niet) maar je mag het pas in de praktijk brengen als je vader er niet meer is. 

Wat in de cultuur van het Amsterdamse Concertgebouw een maatschappelijke realiteit is (waarom zitten er alleen grijze hoofden in die zaal: omdat er geen jong publiek meer voor deze muziek te vinden is of omdat je deze muziek pas op latere leeftijd leert waarderen?), is hier op Flores een maatschappelijk voorschrift. Alleen mensen die geen ouders meer hebben zijn gerechtigd deze gezangen te uiten. Bij overtreding daarvan wacht ongeluk of de dood. 

Maar wat ik leerde die dag in Waibao is dat de continuïteit van een traditie niet zozeer ligt in het letterlijk reconstrueren van hoe het vroeger was, maar veeleer in het samen beleven van trots op die traditie en het vertrouwen dat die op enige (nieuwe) manier belangrijk blijft. Een overheersend narratief van verlies doet dat vertrouwen geweld aan. 

Lewoloba Revisited

Ons eerste bezoek aan Lewoloba werd zo gewaardeerd dat er tijdens dat bezoek al plannen werden gemaakt voor de uitvoering van de dansen die zichtbaar waren op de zwijgende film die Kunst in 1930 opnam. Ook hier een spontane maar goed voorbereide respons op de oude beelden en geluiden.

Dus toen we enkele dagen later terugkeerden in Lewoloba hadden zich een stuk of tien mannen in traditioneel kostuum gestoken, met prachtige sarongs, ontbloot bovenlijf en vervaarlijke kapmessen in hun handen, onder dezelfde bergtop als waar Kunst een eeuw geleden zijn opnamen had gemaakt.

Ze waren boos, ontzettend boos. Ze hadden om 13.00 uur helemaal aangekleed klaargestaan om te beginnen en nu kwamen we hier om 15.00 uur aankakken. Wat dachten we wel. “Ik ben ontzettend kwaad”, verklaarde Pak Stefanus, de oudere cultuurkenner die me een week eerder nog zo uitgebreid geïnformeerd had over de oude gebruiken. Hij keek me nadrukkelijk aan terwijl hij dat zei. Dachten we soms dat ze niks anders te doen hadden? We hadden ze twee uur lang in de hete zon laten wachten in hun kledij.

Ik ging door de grond. Ik schaamde me verschrikkelijk. Deze mannen hadden speciaal voor mij een prachtige voorstelling voorbereid, met erfgoed dat zo, zo belangrijk voor hen is om te tonen. Waar ze eer en trots in leggen. En ze hadden zich de hele middag afgevraagd waar ik bleef.

We verontschuldigden ons met de meest uitgebreide “Mohon maaf”-formules, die ik braaf na-aapte van mijn teamleden. Ik nam de schuld bovendien op me. “Dit is mijn fout, het spijt me vreselijk, als ik geweten had dat het om 13.00 uur begon dan was ik zeker eerder gekomen.”

Het is de keerzijde van dingen niet allemaal zelf regelen. Je weet niet waar het misgegaan is. Achteraf bleek dat mijn team alles helemaal goed had gedaan, en alles had gedubbelcheckt. Het misverstand lag bij de burgemeester, die keer op keer had verklaard dat Pak Stefanus nog in de kerk zat op zondag, zonder te checken hoever Pak Stefanus en zijn mannen al waren met de voorbereidingen.

Toen dat eenmaal duidelijk was, was het Pak Stefanus’ beurt om zich te verontschuldigen. “Ik was boos. Ik reageerde vanuit mijn emotie” zei hij. “Ik hoop niet dat u nu ook boos bent en dat u mij vergeeft”. Natuurlijk ben ik niet boos, zei ik, en ik snap volkomen dat u wel boos bent. U hebt twee uur voor niets zitten wachten.

Alles weer koek-en-ei met Bapak Stefanus

Toen was alles goed. Zand erover. We gaan ervoor. In een moordend tempo zetten Goran en Dida alle camera’s klaar. De mannen gingen in hun uitgangspositie staan en voerden drie dansen en twee gezangen op. De dansers en zangers waren voornamelijk, maar niet uitsluitend oudere mannen. Ze begonnen aarzelend maar allengs kregen ze de smaak te pakken.

 

Er hadden zich veel inwoners van het dorp verzameld om het schouwspel gade te slaan, veel jonge mensen ook, die allemaal met me op de foto wilden.

De schoonheid, de trots en de breekbaarheid van de dansen zijn veel beter in beeld dan in tekst te vatten en aangezien blogspot mij niet toestaat video’s langer dan 10 seconden te uploaden doen we het met de foto’s. En die zijn al prachtig genoeg.

De dansers van Lewoloba en ons hele team samen


zondag 9 augustus 2026

Naar de grond van de voorouders

Ik ga weer een lange blog schrijven in een aantal afleveringen. We hebben zoveel gedaan in de afgelopen week. Het doel van deze reis naar Oost Flores is dat ik geluidsopnamen die Jaap Kunst in juli en augustus 1930 in Flores maakte kan delen met mensen die nu in de dorpen leven waar hij de gezangen een eeuw geleden opnam. 

Wat dat delen inhoudt, staat voor mij niet vast: het afspelen van de gedigitaliseerde wasrol, het laten zien van gedigitaliseerde foto's en zwijgende film, het uitwisselen van USB-sticks met de gedigitaliseerde bestanden van de specifieke regio, het doorgeven van het webadres van de website waar de opnamen online te vinden zijn, wellicht ooit ook het overhandigen van de wasrollen zelf aan nazaten van de zangers van toen.  

Met gedigitaliseerde bestanden gaat het niet meer zozeer om het overhandigen van een object, maar om het samen beleven van de ervaringen die dat bestand kan oproepen. Dat betekent niet dat de objecten onbelangrijk zijn. Mijn goede vriend John Njenga wees me erop dat, hoewel de wasrollen eigenlijk niet meer afgespeeld kunnen worden, ze toch waarde kunnen hebben voor brongemeenschappen omdat ze de stemmen en geluiden van een eeuw geleden hebben vastgelegd, en die stemmen nog steeds bevatten en dragen. Maar die objecten heb ik nu niet bij me. Ze liggen, weliswaar onder mijn curatie, in het Phonogramm-Archiv in Berlijn. 

We hebben ons dit jaar beperkt tot Oost Flores dat moeilijker toegankelijk is dan Midden en West Flores, en ook omdat ik er nog nooit geweest was en mijn expeditiedrang - die ik heb geërfd van mijn koloniale familie en van mijn voorganger aan de UvA Jaap Kunst - niet helemaal te onderdrukken is. Van de 182 gezangen die Kunst in Flores opnam komen er slechts 23 uit Oost Flores. Uit Larantuku (het O Vos Omnes), en de dorpen Lewoloba, Tengahdei, Lebao en Riangkroko. 


Al die dorpen heb ik in de afgelopen week bezocht met de digitale registraties van Kunsts geluids- en beeldopnamen. Elk bezoek was een betekenisvolle gebeurtenis. Ik merkte ook dat het iets verslavends heeft voor mij: de uitingen van overweldigende dankbaarheid dat ik uit Nederland ben gekomen om dit materiaal te delen, de zichtbare emotie die fysiek wordt in rillingen en soms zelfs huilen bij het horen van de opnames. In Nias gebeurde dat ook, en iets in mij wilde dat hier in Flores ook weer meemaken. Dat geeft me (met die geluidsregistraties als een soort tijdmachine in mijn hand) een vreemd soort macht die ik opzoek en ook veroordeel in mezelf. 

Er zit ook een vreemd spanningsveld in mijn handelen dat zowel een voortzetting als een uitdaging is van Jaap Kunsts handelen. Ik zie de waarde van zijn ondernemingen. Zonder zijn opnames hadden we nooit enige indruk kunnen krijgen van hoe gezangen honderd jaar geleden klonken. Dat brengen toehoorders keer op keer aan me over. Maar, om redenen die ik in eerdere blogs al noemde, ben ik ook heel kritisch op wat hij deed en hoe hij het deed, vanuit een vanzelfsprekende positie van superioriteit, iets produceren over mensen meer dan met mensen.

En al die punten van kritiek bevinden zich op een spectrum waarin ik me net zo goed beweeg. Ik treed in zijn voetsporen door bijna honderd jaar later over dezelfde soms bijna onbegaanbare weggetjes dezelfde dorpjes langs te lopen. Hij nam iets mee; ik breng het terug, maar door dat te doen krijgen de opnamen de autoriteit die Kunst ze toekende. En dat doe ik, net als Kunst, met een team van lokale mensen zonder wier hulp ik de dorpen nooit bereikt had en de communicatie met vertegenwoordigers van de gemeenschap en nazaten van de zangers nooit had kunnen beginnen. Ik reproduceer en voltooi zijn werk, een beetje tegen wil en dank.



En toch probeer ik het ook anders te doen. Kunst ging uit van het feit dat deze culturele uitingen zouden verdwijnen. Dat klopte ten dele, maar niet helemaal. Vaak genoeg geven mensen aan dat gezangen en rituelen nog gepraktiseerd worden, al is dat op een andere manier en soms in een andere context dan vroeger. Kunst zag zijn opnamen als objectieve registraties van een aan specifieke bevolkingsgroepen toebehorende cultuur die hij als onveranderlijk en puur beschouwde, als inherent en gedetermineerd. Zoals een collega van mij het formuleerde: als een edelsteen - mooi, gepolijst maar volkomen versteend.

Ik ben grootgebracht met dat idee van de edele puurheid van oosterse tradities. Het is een koloniaal idee waarin de inlander altijd intrinsiek anders moet zijn en blijven dan de Europeaan, en van de moderniteit  uitgesloten wordt. Elke keer als ik in Indonesië ben, kost het me moeite om dat diep gevoelde uitgangspunt van me af te schudden in het omarmen van een geleefde steeds veranderende culturele realiteit van nu, met reggae, karaoke, de prominentie van Instagram en TikTok waarin, zo leer ik steeds beter, ook cultuur gevormd, gedeeld en geleerd wordt, al is dat op een andere manier dan waarin ik me thuis voel. Maar wie ben ik om te bepalen wat de vormen van overdracht zouden moeten en kunnen zijn? Daarin hoop ik anders te zijn en te handelen dan Jaap Kunst.  

Zondag - Om Dus

Op zondag waren we, na de vroege ochtendmis in Larantuka, gaan passagieren (pasasir heet dat hier): Inri heeft een oom aan de andere kant van de Ile Mandiriberg. Die oom had ze al bijna twintig jaar niet gezien, maar zoals dat hier gaat: als je in de buurt bent, dan zoek je iemand op. Dat is een ongeschreven regel. 

Dus wij met de chauffeur van onze homestay aan het strand een rondje om die berg. Om Bernardus - een kwieke zestiger met een weelderige bos witte krullen, type kunstenaar/architect, in zijn jongere jaren naar eigen zeggen erg in trek bij de dames - ontving ons hartelijk in zijn zelfgebouwde huis in het dorp op de helling. We kregen gemberthee en cassave en ik vertelde aan hem en zijn vrouw wat ik kwam doen. 

Dat vond hij geweldig. Hij bood meteen aan om te helpen. Ik vraag me altijd af hoe mensen dat regelen maar het werkt in heel Indonesië zo. Het is een belangrijk aspect van mijn witte privilege, maar hulpbereidheid hier sijgt daar ook bovenuit. Mensen vegen hun agenda leeg en gaan je helpen: met telefoontjes naar relaties in bepaalde dorpen (toevallig of niet de dorpen waar ik moest wezen), met het aanbieden van hun auto met chauffeur die de weg op zijn duimpje kent (en dat is nodig met de wegen hier), en uiteindelijk wilde hij zelf ook wel mee op stap. 

Aanvankelijk weet je nooit wat je aan iemand hebt. Maar Om Dus (de bijnaam van Bernardus) is Inri's oom, of oudoom of achterneef, dus je kan ook geen nee zeggen. Achteraf kan ik zeggen dat mijn doelen zonder Om Dus nooit zouden zijn bereikt. Hij was onmisbaar in het leggen van contacten, in het gladstrijken van misverstanden, in het faciliteren van vervoer, en in het hebben van een fantastische sfeer in de auto tijdens lange en langzame ritten over heel moeilijk begaanbare wegen. 

De onmisbaarheid van Om Dus betrof natuurlijk hem persoonlijk - zijn betrokkenheid, zijn humor, zijn kennis -  maar ook twee primaire andere zaken. Zijn culturele achtergrond als moedertaalspreker van Lamaholot, een achtergrond die hier overal zonder veel omhaal in tamelijk etnische termen wordt uitgelegd (huidskleur, haarsoort, neuzen - dat soort werk, al erkent iedereen ook de migratiestromingen en de mengingen) en zijn geslacht als basis voor zijn genderrol. 

Er bevinden zich twee bevolkingsgroepen op het schiereiland Tanjungbunga, de aanvankelijk nomadische Paji en de meer sedentaire Demong. Om Dus behoort, net als bijna alle andere mensen die we hebben ontmoet, tot die laatste groep. Alle gezangen die Kunst heeft opgenomen zijn Demong. De Paji blijven een raadsel. Niemand dringt tot hen door, zegt men hier. Ik heb de afgelopen dagen veel geleerd over de geschiedenis van Indonesië en Zuid-Oost Azië van de tijden voordat, zoals ze dat hier (net als in Nias) zeggen "het geloof arriveerde" met de Europeanen. Invloeden uit India die via de Molukken hier terecht kwamen. De Paji en de Demong die altijd hebben gevochten om het schaarse drinkwater. 

En dan het overweldigende patriarchaat in deze samenleving dat vast ouder is dan de hier oppermachtige katholieke kerk, maar er wel genoegzaam door versterkt en in stand gehouden wordt. Ik heb er meer last van dan op Java, waar mensen misschien dingen denken over vrouwen, maar niet meteen uiten naar een witte vrouw van middelbare leeftijd die docent is aan een Nederlandse universiteit. Hier is dat anders. We hadden een welbespraakte lokale man met senioriteit nodig om überhaupt ergens te komen, anders word je steeds volkomen overhoop gekakeld of in een hoek geluld. Met een kalme energie kletste Om Dus ons daar altijd weer uit. 

Samen met Inri, Didi en Goran konden we een brug vormen om verbindingen te leggen tussen levenssferen die zo behoorlijk ver uit elkaar liggen. 

Om Marsel

Een van de dingen die ik zo leuk vind aan op reis zijn, zijn de toevallige ontmoetingen. Soms worden die mogelijk gemaakt door minder toeval...