Toen ik vorig jaar in Nias was aangekomen, wilde ik elke dag bloggen. Ik had er geen tijd voor, want ik werd van een orahua-ceremonie naar de installatie van een nieuw balö jiulu (dorpshoofd) naar de teruggave-ceremonie van geluidsopnamen van Jaap Kunst geleid. Maar ik probeerde toch zoveel mogelijk op te schrijven omdat ik de uniekheid voelde van al die diepvreemde en exotische rituelen en gelegenheden.
Dit jaar kwam ik aan in Yogya, de stad die ik al zo goed ken. Ik draaide, zoals gewoonlijk, een paar dagen rond in mijn eigen cirkeltjes van overdenkingen tijdens de jetlag (waarom ben ik hier? wat wil ik hier? hoe was het vroeger?), en toen begon de summer school van ons onderzoeksproject Re:Sound. Die vond plaats aan het Departement Geschiedenis van de Universitas Gadjah Mada, de universiteit waar mijn vader ook al lesgaf, en die daarom een beetje voelt als mijn alma mater. Bekender terrein in Indonesië bestaat niet voor mij.
Een conferentie, niet echt de moeite van het bebloggen waard, vond ik, tot ik er na enkele dagen achter kwam dat hier iets bijzonders aan de gang was. Net zo memorabel als al die exotische belevenissen in een dorpje in Zuid-Nias vorig jaar. Ik moet er over schrijven om het niet te vergeten. Archiveren...
Al bijna een decennium ben ik samen met mijn collega en goede vriend meLê yamomo aan het nadenken over de koloniale nalatenschappen van geluidsarchieven. In het begin van de twintigste eeuw, namen Europeanen en Noord-Amerikanen zoals Jaap Kunst muziek op in de Europese koloniën uit oprechte interesse in de muziek die ze op hun reizen tegenkwamen, en met oprechte zorg dat deze muziekpraktijken zouden verdwijnen. Maar ze waren deel van het koloniale systeem dat deze muzikale uitingen zo bedreigde.
Jaap Kunst nam alleen die muziek op die genoeg afweek van wat hij in Europa gewend was te horen, muziek die niet in mineur-majeurtoonladders te vangen is, die ritmes en intervallen bevat die niet in Europa gepraktiseerd werden. Indonesische muziek die wel voor hem herkenbare muzikale kenmerken had (keroncong, ketoprak, ludruk), nam hij niet op en noemde hij letterlijk "besmet door westerse invloeden". De muzikale kenmerken van de zogenaamd "onbesmette" tradities, die hij opnam van Aceh en Nias tot aan Papoea en bijna alles wat daar geografisch tussen zit, stelde hij direct gelijk met de raciale kenmerken die hij in mensen observeerde. Ze werden door hem, en veel anderen apart gesteld, zonder geschiedenis of invloed van buiten, gevangen in een onveranderlijk "ethnos".
Zijn geluidsarchief is dus hoogst selectief, niet alleen voor wat betreft de muziekpraktijken die hij wel en niet opnam, maar ook hóe hij die opnam. Hij werkte met een fonograaf, die geluidsgolven via een hoorn, een beweeglijk membraan en een naald direct in wasrollen graveerde. Die rollen kunnen maximaal 4 minuten muziek bevatten en zijn kostbaar; de hoorn kan enkel een paar zangers of instrumentalisten accommoderen. Iedereen die verder van de hoorn muziek staat te maken is onhoorbaar op de opname. Kunst zette zijn opnames dan ook uitgebreid in scene, en koppelde de geluiden die hij opnam daarmee los van de sociale functie die de uitingen hadden: welke zanger mocht hoorbaarder zijn dan welke andere? Mocht er tussendoor geroepen, gefloten of gelachen worden? Nee, ook als dat wel bij de praktijk hoorde. Roepen, gillen of lachen is immers geen "muziek" in de Europese zin van het woord.
![]() |
| Jaap Kunst en onbekende zanger en toeschouwers in Urbinasopèn, Waigeo, 1932 |
De mensen wier stemmen Kunst opnam konden hoogstens wat advies geven, maar hadden niets te zeggen over het uiteindelijke resultaat van hun uitingen, laat staan over wat er met dat resultaat (dat staaltje/exemplaar van een door Europeanen bepaalde en afgebakende cultuur) stond te gebeuren: over de wereld gesleept, vermenigvuldigd, gehoord door mensen die zekere uitingen misschien wel niet zouden mogen horen. De uiting werd gescheiden van degene die die ooit uitte, de kennis werd gescheiden van de kenner. Uiter en kenner verdwenen uit het traject dat deze uitingen over de wereld aflegden: meegenomen, geannoteerd (vaak foutief, zo concludeerden we deze week veelvuldig), gecatalogiseerd en geclassificeerd volgens Europese maatstaven van meer en minder ontwikkelde volkeren, waarbij Europa natuurlijk elke keer weer als meest geciviliseerd uit de bus kwam.
De vraag waar vele wetenschappers die zich met koloniaal erfgoed bezighouden zich al jaren het hoofd over breken is: wat doen we nu met dat beladen koloniale materiaal? In Nias merkte ik dat Kunsts geluidsopnamen wel degelijk waarde hebben voor de nazaten van degenen wier stemmen werden opgenomen, dat er hernieuwde interesse komt, ook onder jonge generaties, voor oude muziekpraktijken. Een traditie die door koloniale inmenging gebroken en onderbroken is, krijgt tenminste een gedeeltelijk hechting tussen vroeger en nu. Precies wat Kunst voor ogen had. Ook zijn de opnamen waardevolle historische getuigen van koloniale ontmoetingen die ons inzicht geven in de sociale en culturele structuur van een koloniale maatschappij. Die functie had Kunst nooit kunnen bevroeden.
Maar er is ook wat kapot gegaan in de beslissingen van Kunst bepaalde muziekpraktijken op zijn manier te bewaren en andere niet: in het verlies van zeggenschap en soevereiniteit, in het omvormen van een vergankelijke klinkende uiting met een bepaalde functie en waarde in een onveranderlijk object dat opgeslagen ligt in een archief of museum op een plek waar niemand dat fragmentje van die uiting begrijpt, verantwoord gebruikt en zich er volgens de plaatselijke gewoonten toe verhoudt. De traditionele muziekpraktijken zijn eigenlijk twee keer gestorven: allereerst verdrongen door geïmporteerde (muziek)cultuur uit Europa (majeur-mineurtoonladders, concertcultuur, losgezongen van rituelen en dagelijkse ritmes) en daarna in stilte en in het donker opgeslagen in een archief in Europa, als in een graftombe.
Het probleem is dat deze vroegere gebeurtenissen doorwerken in het hier-en-nu, net als het slavernijverleden. Onderzoekers uit Zuidoost Azië hebben nog steeds moeite Europese archieven binnen te komen om hun eigen voorouders te kunnen horen. Herkomstgemeenschappen hebben nog steeds geen zeggenschap over wat er met deze koloniale constructies van hun klinkende uitingen moet gebeuren. Publicaties erover worden daarom nog steeds voornamelijk geschreven door mensen als ik: gevestigde witte academici in metropolen in het wereldwijde Noorden.
Hoe doorbreken we dat? Daar ging deze summer school over. We kwamen er niet uit, natuurlijk, maar er gebeurde iets in die dagen van wetenschappelijke presentaties, discussies, excursies naar drie verschillende (geluids)archieven en musea in Indonesië, en de workshop over de Jaap Kunst Collectie die ik gisteren met de studenten hield. Er was basale overeenstemming over de problematiek, waar je in Europa veel tijd kwijt bent met nóg eens uitleggen waarom Jaap Kunsts bemoeienissen met de traditionele muziekpraktijken van het Nederlandsch-Indische koloniale rijk niet alleen maar positief uitpakten voor iedereen. Juist en vooral de studenten, voor wie de summer school bedoeld was, snapten de problematiek precies. Ik wil nooit meer naar een conferentie zonder studenten.
Ze waren kritisch, ze stelden scherpe vragen, ze durfden hun twijfels naar voren te brengen. We konden daadwerkelijk doordenken zonder rekening te hoeven houden met gevoeligheden van witte mensen die zich aangevallen voelen in hun weldoenerij en poortwachterschap. Dat schiep een ruimte die ik nog niet eerder in mijn wetenschappelijke loopbaan heb gevoeld en die gedeeld werd door alle deelnemers. Er werd ontzettend veel gelachen en er vloeiden ook tranen over wat er in de afgelopen eeuwen gebeurd is. De groep en de omgeving waren veilig genoeg om dat te laten gebeuren. Dat zal ik echt nooit vergeten.
