zaterdag 11 juli 2026

Luar biasa

Toen ik vorig jaar in Nias was aangekomen, wilde ik elke dag bloggen. Ik had er geen tijd voor, want ik werd van een orahua-ceremonie naar de installatie van een nieuw balö jiulu (dorpshoofd) naar de teruggave-ceremonie van geluidsopnamen van Jaap Kunst geleid. Maar ik probeerde toch zoveel mogelijk op te schrijven omdat ik de uniekheid voelde van al die diepvreemde en exotische rituelen en gelegenheden. 

Dit jaar kwam ik aan in Yogya, de stad die ik al zo goed ken. Ik draaide, zoals gewoonlijk, een paar dagen rond in mijn eigen cirkeltjes van overdenkingen tijdens de jetlag (waarom ben ik hier? wat wil ik hier? hoe was het vroeger?), en toen begon de summer school van ons onderzoeksproject Re:Sound. Die vond plaats aan het Departement Geschiedenis van de Universitas Gadjah Mada, de universiteit waar mijn vader ook al lesgaf, en die daarom een beetje voelt als mijn alma mater. Bekender terrein in Indonesië bestaat niet voor mij.

Een conferentie, niet echt de moeite van het bebloggen waard, vond ik, tot ik er na enkele dagen achter kwam dat hier iets bijzonders aan de gang was. Net zo memorabel als al die exotische belevenissen in een dorpje in Zuid-Nias vorig jaar. Ik moet er over schrijven om het niet te vergeten. Archiveren...

Al bijna een decennium ben ik samen met mijn collega en goede vriend meLê yamomo aan het nadenken over de koloniale nalatenschappen van geluidsarchieven. In het begin van de twintigste eeuw, namen Europeanen en Noord-Amerikanen zoals Jaap Kunst muziek op in de Europese koloniën uit oprechte interesse in de muziek die ze op hun reizen tegenkwamen, en met oprechte zorg dat deze muziekpraktijken zouden verdwijnen. Maar ze waren deel van het koloniale systeem dat deze muzikale uitingen zo bedreigde. 

Jaap Kunst nam alleen die muziek op die genoeg afweek van wat hij in Europa gewend was te horen, muziek die niet in mineur-majeurtoonladders te vangen is, die ritmes en intervallen bevat die niet in Europa gepraktiseerd werden. Indonesische muziek die wel voor hem herkenbare muzikale kenmerken had (keroncong, ketoprak, ludruk), nam hij niet op en noemde hij letterlijk "besmet door westerse invloeden". De muzikale kenmerken van de zogenaamd "onbesmette" tradities, die hij opnam van Aceh en Nias tot aan Papoea en bijna alles wat daar geografisch tussen zit, stelde hij direct gelijk met de raciale kenmerken die hij in mensen observeerde. Ze werden door hem, en veel anderen apart gesteld, zonder geschiedenis of invloed van buiten, gevangen in een onveranderlijk "ethnos". 

Zijn geluidsarchief is dus hoogst selectief, niet alleen voor wat betreft de muziekpraktijken die hij wel en niet opnam, maar ook hóe hij die opnam. Hij werkte met een fonograaf, die geluidsgolven via een hoorn, een beweeglijk membraan en een naald direct in wasrollen graveerde. Die rollen kunnen maximaal 4 minuten muziek bevatten en zijn kostbaar; de hoorn kan enkel een paar zangers of instrumentalisten accommoderen. Iedereen die verder van de hoorn muziek staat te maken is onhoorbaar op de opname. Kunst zette zijn opnames dan ook uitgebreid in scene, en koppelde de geluiden die hij opnam daarmee los van de sociale functie die de uitingen hadden: welke zanger mocht hoorbaarder zijn dan welke andere? Mocht er tussendoor geroepen, gefloten of gelachen worden? Nee, ook als dat wel bij de praktijk hoorde. Roepen, gillen of lachen is immers geen "muziek" in de Europese zin van het woord. 

Jaap Kunst en onbekende zanger en toeschouwers in Urbinasopèn, Waigeo, 1932

De mensen wier stemmen Kunst opnam konden hoogstens wat advies geven, maar hadden niets te zeggen over het uiteindelijke resultaat van hun uitingen, laat staan over wat er met dat resultaat (dat staaltje/exemplaar van een door Europeanen bepaalde en afgebakende cultuur) stond te gebeuren: over de wereld gesleept, vermenigvuldigd, gehoord door mensen die zekere uitingen misschien wel niet zouden mogen horen. De uiting werd gescheiden van degene die die ooit uitte, de kennis werd gescheiden van de kenner. Uiter en kenner verdwenen uit het traject dat deze uitingen over de wereld aflegden: meegenomen, geannoteerd (vaak foutief, zo concludeerden we deze week veelvuldig), gecatalogiseerd en geclassificeerd volgens Europese maatstaven van meer en minder ontwikkelde volkeren, waarbij Europa natuurlijk elke keer weer als meest geciviliseerd uit de bus kwam. 

De vraag waar vele wetenschappers die zich met koloniaal erfgoed bezighouden zich al jaren het hoofd over breken is: wat doen we nu met dat beladen koloniale materiaal? In Nias merkte ik dat Kunsts geluidsopnamen wel degelijk waarde hebben voor de nazaten van degenen wier stemmen werden opgenomen, dat er hernieuwde interesse komt, ook onder jonge generaties, voor oude muziekpraktijken. Een traditie die door koloniale inmenging gebroken en onderbroken is, krijgt tenminste een gedeeltelijk hechting tussen vroeger en nu. Precies wat Kunst voor ogen had. Ook zijn de opnamen waardevolle historische getuigen van koloniale ontmoetingen die ons inzicht geven in de sociale en culturele structuur van een koloniale maatschappij. Die functie had Kunst nooit kunnen bevroeden.

Maar er is ook wat kapot gegaan in de beslissingen van Kunst bepaalde muziekpraktijken op zijn manier te bewaren en andere niet: in het verlies van zeggenschap en soevereiniteit, in het omvormen van een vergankelijke klinkende uiting met een bepaalde functie en waarde in een onveranderlijk object dat opgeslagen ligt in een archief of museum op een plek waar niemand dat fragmentje van die uiting begrijpt, verantwoord gebruikt en zich er volgens de plaatselijke gewoonten toe verhoudt. De traditionele muziekpraktijken zijn eigenlijk twee keer gestorven: allereerst verdrongen door geïmporteerde (muziek)cultuur uit Europa (majeur-mineurtoonladders, concertcultuur, losgezongen van rituelen en dagelijkse ritmes) en daarna in stilte en in het donker opgeslagen in een archief in Europa, als in een graftombe.

Het probleem is dat deze vroegere gebeurtenissen doorwerken in het hier-en-nu, net als het slavernijverleden. Onderzoekers uit Zuidoost Azië hebben nog steeds moeite Europese archieven binnen te komen om hun eigen voorouders te kunnen horen. Herkomstgemeenschappen hebben nog steeds geen zeggenschap over wat er met deze koloniale constructies van hun klinkende uitingen moet gebeuren. Publicaties erover worden daarom nog steeds voornamelijk geschreven door mensen als ik: gevestigde witte academici in metropolen in het wereldwijde Noorden. 

Hoe doorbreken we dat? Daar ging deze summer school over. We kwamen er niet uit, natuurlijk, maar er gebeurde iets in die dagen van wetenschappelijke presentaties, discussies, excursies naar drie verschillende (geluids)archieven en musea in Indonesië, en de workshop over de Jaap Kunst Collectie die ik gisteren met de studenten hield. Er was basale overeenstemming over de problematiek, waar je in Europa veel tijd kwijt bent met nóg eens uitleggen waarom Jaap Kunsts bemoeienissen met de traditionele muziekpraktijken van het Nederlandsch-Indische koloniale rijk niet alleen maar positief uitpakten voor iedereen. Juist en vooral de studenten, voor wie de summer school bedoeld was, snapten de problematiek precies. Ik wil nooit meer naar een conferentie zonder studenten.

Ze waren kritisch, ze stelden scherpe vragen, ze durfden hun twijfels naar voren te brengen. We konden daadwerkelijk doordenken zonder rekening te hoeven houden met gevoeligheden van witte mensen die zich aangevallen voelen in hun weldoenerij en poortwachterschap. Dat schiep een ruimte die ik nog niet eerder in mijn wetenschappelijke loopbaan heb gevoeld en die gedeeld werd door alle deelnemers. Er werd ontzettend veel gelachen en er vloeiden ook tranen over wat er in de afgelopen eeuwen gebeurd is. De groep en de omgeving waren veilig genoeg om dat te laten gebeuren. Dat zal ik echt nooit vergeten.


Maandag - de opening

Veel mensen kenden elkaar al van onze vorige projecten zoals het project Decolonizing Southeast Asian Sound Archives (DeCoSEAS, 2021-2024), maar er waren ook veel nieuwe mensen, vooral de ongeveer 25 studenten van de vakgroep Geschiedenis van Universitas Gadjah Mada (UGM) en de Yogyase Hogeschool voor de Kunsten (ISI). Zij hadden onder Widya's bezielende leiding alles georganisserd en ze vervulden hun rol als dagvoorzitters met grote professionaliteit. Alles vond plaats in het Engels, hoewel 90% van de aanwezigen Indonesisch sprekend was. 






En toen kwam Ferdy Soukotta, een jonge muzikant en onderzoeker uit de Molukken, die als Visiting Fellow van Re:Sound drie maanden onderzoek gaat doen in Nederland, met zijn fantastische voordracht over Hena Masa Waya als vorm van levende, performatieve overdracht van erfgoed die niet alleen een aanvulling van, maar ook een alternatief voor een institutioneel archief als opslagplaats van objecten kan zijn. Veel deelnemers, onder wie ikzelf, moesten toen al even hun tranen wegslikken. Molukkers worden op Java enorm gediscrimineerd. De aanwezigheid van Oost-Indonesische cultuur in de officieuze Javaanse culturele hoofdstad Yogyakarta was betekenisvol: https://photos.app.goo.gl/zGQTjbPpHJVit68b9


En natuurlijk daarna lekker samen eten, zoals dat hoort in Indonesië.  


Dinsdag - Museum Sonobudoyo

Het Museum Sonobudoyo verkeert in zwaar weer. Het werd in de koloniale tijd opgericht als Europees vormgegeven opslag- en tentoonstellingsplek voor lokaal erfgoed, voortgekomen uit het Java Instituut, waar lokale elites en Nederlandse koloniale cultuur-afficionados elkaar troffen en nadachten over wat "Javaanse" cultuur, "inlandse" cultuur en Maleise taal en cultuur in zouden kunnen houden.

Sonobudoyo heeft een van de meest indrukwekkende collecties van Indonesië, met schilderijen, beeldhouwwerken, zilverwerk, textiel, wayangpoppen, muziekinstrumenten en een collectie van honderden shellac grammofoonplaten uit de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw. In 2013 heeft mijn moeder Indonesisch zilverwerk uit onze familie aan het museum gedoneerd, omdat we vonden dat het terug moest naar Indonesië. En ook later had ik altijd wel weer contact met mijn collega's van Sonobudoyo.




Afgelopen dinsdag kregen we er een rondleiding in de depots en een lezing over het belang van deze commercieel geproduceerde grammofoonplaten voor het ontstaan van ideeën over Javaanse en nationale Indonesische cultuur.

Het museum bevindt zich op de landerijen van de Sultan van Yogyakarta, Sri Sultan Hamengkubuwono X, in het centrum van Yogyakarta. De keraton omvat niet alleen het daadwerkelijke paleis van de Sultan, maar ook de ommuurde gronden eromheen. Eigenlijk is de keraton een stad in een stad. Recentelijk is de keraton uitgeroepen tot UNESCO Werelderfgoed. Geweldig, zou je denken, die bescherming van kwetsbaar erfgoed, maar niets is minder waar.

Niet alleen het Museum Sonobudoyo, maar ook de duizenden arme Yogyanezen die in de afgelopen decennia binnen de muren van de keraton zijn neergestreken om met een winkeltje en een zaakje in hun schamel onderhoud te voorzien moeten ophoepelen. De Sultan wil de keraton namelijk terugbrengen tot de situatie ten tijde van Hamengkubuwono I, die heerste in het midden van de 18de eeuw, toen de keraton nog helemaal afgesloten was van de rest van de stad en alleen daartoe bevoegde personen zich binnen de muren mochten begeven.

Het is waanzin, smalen mijn collega's van de vakgroep geschiedenis. In 1755 stond er op het terrein van de keraton een klein paleisje en een moskee, verder niets. Wil de Sultan daar naar terug? Natuurlijk niet, maar hij heeft nu een argument om alles en iedereen die hij niet in de keraton wil eruit te zetten. De rondleiding die we dinsdag in het Museum kregen is het laatste bezoek op die locatie. Waar het Museum in de toekomst heen moet is nog onbekend, waarschijnlijk ergens ver buiten de stad.


Dit is precies de "ver-erfgoed-isering" die ook zo problematisch is aan de Jaap Kunst Collectie, en die - met dank aan UNESCO - overal ter wereld plaatsvindt. Een levende cultuur wordt tot object gemaakt, teruggebracht tot een onveranderlijk quasi-authentiek beeld van een verleden dat nooit bestaan heeft en ingezet voor huidige politieke of culturele belangen. Hele stadskernen van Cartagena in Colombia tot de Jantar Mantar in India zijn ontoegankelijk geworden voor de mensen die er ooit woonden. En wij blijven ons afvragen: hoe doorbreken we dat? 

Woensdag - Museum Ullen Sentalu

In Kaliurang kwam ik vroeger als kind ook vaak. Eerst moesten we wandelen, dat vond ik vervelend, maar gelukkig mochten we daarna zwemmen in het zwembad. Ook Kaliurang heeft een beladen koloniale geschiedenis. Het ligt op de helling van de vulkaan Merapi, het is er fris en vruchtbaar. 

De Nederlanders die in Yogya woonden en werkten hadden in Kaliurang hun buitenhuizen om in de weekenden te vluchten voor de hitte. Mijn grootouders hadden zo'n huis in Tretes, ook hoog en fris om te ontsnappen aan de hitte van Surabaya. Elk weekend gingen ze er heen. Geen wonder dus dat mijn vader enorm graag in Kaliurang kwam. Het staat nog vol met koloniale villa's.


Er is ook verschrikkelijk gevochten tijdens de dekolonisatieoorlog, de Nederlanders hebben er gruwelijk huisgehouden tijdens de Operatie Kraai in 1948, misschien juist omdat ze Kaliurang bij uitstek als een plek voor en van hen beschouwden. 

Maar nu is alles pais en vree in Kaliurang, ook bij het Museum Ullen Sentalu, prachtig verscholen in de bossen. De museumdirecteur wil er graag een Jaap Kunst Hoek inrichten, naar voorbeeld van de provinciale bibliotheek in Kupang waar bezoekers naar de opnamen kunnen luisteren. 




We brachten er een hele dag door, met lezingen en uitvoeringen in de open lucht. Opnieuw wilden we met de uitvoeringen laten zien dat ook zij vormen van overdracht zijn die in samenwerking en samenspraak met herkomstgemeenschappen tot stand kunnen komen. Opnieuw wilden we laten zien dat zulke overdracht (van traditie, cultuur, identiteit, maar ook als teruggave van naar Nederland gebrachte objecten) ligt in het aangaan van lange-termijnrelaties, niet in het eenvoudigweg overhandigen van een ding. Muziek is daar bij uitstek geschikt voor. 

Juan Arminandi, van de Dayakgemeenschap uit Kalimantan, speelt eigen werk op zijn zelfgemaakte muziekinstrument dat is gebaseerd op traditionele Dayak-instrumenten. Hij leert de organologie en speelwijzen van die instrumenten van ouderen in de gemeenschap en geeft er zijn eigen draai aan. Hij geeft opvoeringen over de gehele wereld (in 2023 en 2024 stond ie op het Holland Festival) en draagt op deze manier Dayak muzikaal erfgoed over, niet door het tot een object te maken en op te slaan, maar door het te laten leven, te laten klinken en te laten veranderen:  https://photos.app.goo.gl/fKf7rGcWoAcHM6Vw7

Rani Jambak, van de Minangkabaugemeenschap uit Sumatra, speelt eigen werk via haar zelfgemaakte klankinstallatie waarin het borduren van textiel vormend is voor de klanken die ze produceert. Met het borduren viert ze de matrilineaire tradities van Minang en de zeggenschap van vrouwen die door koloniale Europese man-vrouwbeelden toenemend in het gedrang gekomen zijn. Binnen het Re:Soundproject gaat ze hierop promoveren met een Joint Doctorate in the Arts aan UGM en de UvA:  https://photos.app.goo.gl/KdrP278GVv1xNc8w7

Dus, zo konden we ons afvragen, kunnen de uitvoerende kunsten (muziek, theater, dans) fungeren als levend archief dat democratischer fungeert dan die stille, donkere opslagplaats van dingen die ooit dynamische uitingen waren, gezongen klanken, levendige rommelige steden, wederzijdse vormen van begrip in het gebruik van bepaalde gebaren? Dat gaan we in de komende jaren verder uitproberen met elkaar. Empirisch onderzoek. 

Donderdag - Lokananta

Op weg naar Solo / Surakarta heb je geluk als je de Merapi kan zien. We hadden geluk, 's ochtends vroeg in de bus, op weg naar het platenarchief Lokananta.

Lokananta is ontzettend hip. Een museum voor Indonesische bezoekers: interactief, je kan veel selfies maken met het materiaal, en een ongelooflijk professioneel ingerichte digitalisatieruimte. En bovenal zijn er heel veel mogelijkheden om te luisteren.








Begonnen als grammofoonplatenfabriekje in 1956, de tijd van Soekarno in de vroege jaren van de onafhankelijkheid, werd Lokananta al snel een platenlabel dat allerlei vormen van populaire Indonesische muziek uitbracht, vaak om een nationale identiteit te benadrukken. Na de machtsovername van het leger in 1965 lag Lokananta aan de leiband van de heersende dictatuur, de Nieuwe Orde (Orde Baru) tot de reformatie in 1998. 

Nu is Lokananta geen platenlabel meer maar een archief en museum dat zelfs liederen tentoonstelt die ooit geassocieerd werden met de PKI, de Indonesische Communistische Partij, die in een gruwelijke massaslachting, gesteund door Amerikaanse, Britse en Australische geheime diensten, weggevaagd werd met 500.000 tot misschien wel een miljoen doden tot gevolg. Nog steeds is "1965" een beladen woord, maar Lokananta legt Genjer-Genjer nu gewoon in zijn vitrine nu:  


En bovenal is Genjer-Genjer te horen, trots verklankt in het museum: https://photos.app.goo.gl/iiuVyVDZdxfiwyjq7


En in de middag gebeurde het, in de studio van Lokananta waar we te gast waren: mijn goede vriend meLê yamomo gaf een lezing voor een breder publiek: wij, de studenten, maar ook de pers (radio en kranten) waren uitgenodigd. Daar vertelde meLê zijn verhaal, dat ik inmiddels goed ken, over zijn zoektocht naar de Manilla musicians, Aziatische operamuzikanten die niet in nationale archieven te vinden zijn omdat ze migreerden tussen landen en koloniale invloedssferen. Die niet als kunstenaars geregistreerd waren in koloniale narratieven omdat ze "inlands" waren. Hij vond ze uiteindelijk in de archieven van de brandweer en de politie die houten brandbare operahuizen in Manilla, Batavia, Singapore en Hong Kong veilig moesten houden. Hij vertelde over de moeilijkheden die hij in Europa is tegengekomen (en die ik zelf nooit ben tegengekomen, simpelweg omdat ik er Europees uitzie) om toegang te krijgen tot archieven waarin nalatenschappen van zijn eigen gemeenschap liggen. Hij bleef emailen en vragen om toegang; er kwam geen antwoord. Een vriend van hem met een Europese naam had binnen een week een positief antwoord op dezelfde vraag. 


Al die verhalen ken ik, ze schokken me telkens weer. Ik ben zelf deel geworden van meLês verhaal, zoals hij deel geworden is van het mijne. We denken al zoveel jaren in tandem (en soms in tweespalt). Maar op donderdag was het anders. Alleen Vincent en ik waren Europees, zeg maar wit. Alle andere toehoorders waren Aziatisch. We voelden allemaal dat meLês verhaal onmiddellijk begrepen werd, er was geen herhaaldelijke uitleg of legitimatie van de problematiek nodig. Het landde bij de toehoorders. 

Ik zat achterin de zaal en ik voelde het gebeuren. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me als grote witte vrouw in Azië de spreekwoordelijke "fly on the wall". Niemand lette op mij. Ik was toeschouwer, had geen deel aan de discussie, juist omdat het probleem van witheid (the white gaze, a white ear, white fragility) waarvan ik wel degelijk onderdeel ben, zo openlijk besproken kon worden. Iedereen wist meteen wat er bedoeld werd met die doorgaans onbevraagde norm, zoals Jaap Kunst kon kiezen wat muziek was om op te nemen en wat niet, vanuit zijn cultureel gesitueerde Europese beleving die door iedereen als universeel werd (en vaak nog steeds wordt) beschouwd. Dit zijn de subtiele en daarom vaak onbesproken dimensies van koloniaal geweld. Op die middag kon het openlijk besproken worden. 

Er waren mensen in tranen na afloop, onder wie ikzelf. Het was een ontlading. Studenten kwamen bij me met vragen, die ik niet kon beantwoorden, maar wel kon bespreken met ze. Er was iets opengelegd. Terug in de bus naar Yogya was ik er stil van. 

Vrijdag - De Workshop

Op vrijdag werd de dag geopend door Bapak Hilmar Farid, een historicus, activist tijdens de Orde Baru, en ten tijde van het presidentschap van Jokowi de Directeur-Generaal, de hoogste ambtenaar van het Ministerie van Cultuur. Ik ben in 2018 door hem genood om over de Jaap Kunst Collectie te komen vertellen op het Ministerie in Jakarta. Daar is verder nooit echt iets uit gekomen. Maar daar ben ik eigenlijk wel blij om. Ik geef de opgenomen stemmen liever terug aan lokale gemeenschappen dan aan de nationale overheid. 

Das war einmal: 2018

Nu het presidentschap in Indonesië is overgenomen door de voormalige schoonzoon van de vroegere dictator Suharto en Pak Hilmar weer gewoon lesgeeft aan de universiteit zal hij dat waarschijnlijk met me eens zijn, al zal hij dat nooit hardop zeggen. Het was een hartelijk weerzien.

Hij gaf een geweldige lezing over de 500 interviews die zijn team tussen 2001 en 2003 afnam met overlevenden van de massaslachting van 1965. Het is nog steeds een blinde vlek in de geschiedenis van Indonesië. Zoals wij in Nederland op school en elders maar mondjesmaat iets horen over onze rol in de dekolonisatieoorlog van 1945-1949, zo horen Indonesische kinderen maar weinig feitelijkheden over de gebeurtenissen van 1965, het jaar waarin een ware heksenjacht op communisten werd geopend die honderdduizenden mensen het leven kostte. 

Eerst waren we met die interviews op zoek naar de feiten, zei Pak Hilmar: wie deed wat wanneer en hoe? Verzamelen van bewijslast voor het aantonen van mensenrechtenschendingen. Maar allengs begrepen we dat de klinkende aspecten van die interviews net zo belangrijk zijn om de gebeurtenissen te begrijpen: aarzelingen, stiltes, ongemakkelijke lachjes, doorklinkende emotie of de hoorbare onderdrukking daarvan. Dat krijg je nooit in een tekstuele transcriptie. Klank draagt kennis over die andere media niet kunnen overdragen. 

Zijn conclusie was een opmaat voor een monstersessie van 2 x 2 uur lesgeven. Ik had aangeboden een workshop te geven over de Jaap Kunst Collectie aan de studenten. Ik had ze een aantal wetenschappelijke teksten te lezen gegeven en ze gevraagd een opname uit de Collectie te kiezen (bij voorkeur één waar ze zelf affiniteit mee hadden) en daar informatie bij te zoeken. Hoe vullen klinkende, beeldende en tekstuele bronnen elkaar aan? Welke vormen van overdracht kunnen we onderscheiden (in de verzamelde muziek en in de structuur van de collectie)? En hoe verhouden we ons tot de gekozen opname als we daar samen naar gaan luisteren?

Sommige studenten waren tegen mijn instructie ingegaan en hadden bewust voor een andere praktijk gekozen dan waar ze zelf bekend mee waren ("anders wordt het zo Javacentrisch" - chapeau!), met muziek uit Nias, Flores, Noord-Sumatra en Sulawesi. Anderen (vooral van de Hogeschool voor de Kunsten) waren zelf muzikant en konden de vele onjuistheden in Kunsts annotaties en categoriseringen van de door hun gekende praktijk benoemen. Ze hadden zich (naast de hele organisatie van de logistiek van de summer school) ongelooflijk goed voorbereid met powerpoints en aantekeningen. We waren allemaal diep onder de indruk. 

En toen was het afgelopen. De summer school was voorbij. Het was volbracht. De studenten waren uitgelaten. Ze gilden en ze schreeuwden en hadden de slappe lach. Er werden foto's gemaakt en nog meer foto's. De zoveelste doos met snacks werd binnengebracht. We waren allemaal dolblij met het resultaat.


Een gezonde omgeving is een lawaaiige omgeving, zegt meLê altijd, waarin iedereen zich mag laten horen, ook al is dat niet altijd makkelijk. In mijn long-coviddagen was horen en zien me vergaan. Maar nu vond ik het super.

maandag 25 augustus 2025

Oleh-oleh

Om de overgang van Indonesië naar Nederland vorm te geven (en de scherpe randjes er een beetje af te halen) schrijf ik nu thuis aan mijn keukentafel in Utrecht toch nog even een blogje over mijn laatste dagen in Yogya. 

Die dagen waren vol en fijn, met bezoekjes van mensen die me nog even wilden spreken en lekker zwemmen in Ambarrukmo. Ik krijg altijd al heimwee naar Yogya voor ik er vertrek, en dat maakt zulke laatste dagen altijd bitterzoet: het eten is lekkerder, de brommerritjes spannender, de geluiden van vogels, krekels, cicaks en tokes zijn betekenisvoller, de fijne contouren van de hellingen van de vulkanen Merbabu en Merapi zijn overweldigender op die weinige momenten dat ze zich aan het wolkendek en de smog onttrekken en zichtbaar zijn. Ze torenen boven de stad uit, de Merapi altijd met een rookpluim uit zijn top. 

Bijzonder was de ontmoeting met Bapak Prof Baiquni, ooit promovendus bij mijn vader, nu voorzitter van het landelijke hooglerarenoverleg. In het oude hoofdgebouw van de Universitas Gadjah Mada (UGM), vlak na de onafhankelijkheid van Indonesië gebouwd als eerste instelling voor hoger onderwijs in de Republiek, ademde ik een Oxfordse sfeer: hoge plafonds, statige trappen, zuilengalerijen. Mijn eigen geschiedenis en de (post)koloniale geschiedenis raakten elkaar weer even. 

Ik sprak de Indonesische promovendi die nu met mijn begeleiding werken; vruchtbare, productieve gesprekken met mooie plannen en ideeën. Ook dat is een voortzetting van wat al was, een continuïteit in mijn werk, na twee jaar ziekte, maar ook met een intergenerationele dimensie.  

Ik vond weggaan uit Yogya als kind altijd heel erg. En ik heb er ook al vaker over geblogd. Dat oude gevoel van verlorenheid komt terug als ik de terugreis moet aanvangen, elke keer weer. "Wanneer kom ik hier weer terug? Is dit de laatste keer?" Ook dat gevoel heeft een koloniale dimensie: Indië verloren is rampspoed geboren. Wat moet die arme Nederlander, gewend aan comfort en bediendes en (meestal) zelfverkozen avontuur, in een rottig kikkerlandje als Nederland met zijn honderdduizend regeltjes en preventiemaatregelen

Maar de laatste jaren merk ik dat die angstigheid en verlorenheid minder wordt. Misschien omdat ik gewoon een dagje ouder word. Maar ook omdat er nu een continuïteit zit in wat ik hier doe. Voor de komende jaren heb ik samen met mensen in Indonesië zoveel plannen gemaakt dat ze nog niet in een heel mensenleven gerealiseerd kunnen worden. Ik heb hier echt iets te zoeken, al wil ik me graag bewust blijven van het feit dat ik hier iets te zoeken heb omdat de Nederlanders dit land ooit hebben overgenomen terwijl ze er geen fluit te zoeken hadden. Geen fluit. 

Vrijdag, een dag voor ik vertrok, gingen Citra en ik naar DHL om bagage naar Nederland te sturen. Toen ik in Jakarta het ontzettend lieve en totaal onhandelbare cadeau van de Niasse kerk had gekregen, was ik onder de indruk van de snelheid en het gemak waarmee het ding binnen drie dagen in Utrecht in mijn rommelkamer stond. Het kost een lieve duit maar dan heb je ook wat. 

Ik had vier tassen met spullen, allemaal cadeaus, lieve mensen, oftewel oleh-oleh: relatiegeschenkjes. Dat bleek bij het DHL-verzendpunt 18 kilo te wegen, 18 kilo aan cadeaus: batikken stoffen, houten en kunststoffen plakkaten met eervolle vermeldingen erop, drie trommels met koekjes van iemand met wie ik ontzettend fijn samenwerk, maar die ik alleen online ken, en heel.veel.boeken. Dat heb je ervan met al die intellectuele vrienden.  

Die hoeveelheid oleh-oleh bleek 22.000.000 (22 miljoen) rupiah te kosten om te verzenden, bijna 1.200 euro. Net zoveel als een tijdig geboekte retourvlucht Amsterdam-Jakarta. Dat was te gortig. Citra bood onmiddellijk aan dat die vier tassen dan wel bij haar thuis konden staan. Ik had nu een onhandige overstap in Kuala Lumpur, maar volgend jaar neem ik een extra koffer mee, en dan betaal ik wel bij op de terugreis. Dat kan nooit zoveel zijn als de DHL-prijs. 

Ik voelde me bezwaard natuurlijk, maar Citra wuifde dat resoluut weg. "Dat je zoveel oleh-oleh krijgt, is omdat mensen hier zo dol op je zijn, Barbara." Dat meende ze, uit de grond van haar hart, en ik voel dat ook zo. En dat maakt het ook minder erg om terug te gaan. 

Ik zit nu nog een beetje in die fase tussen twee plekken, die zowel prettig als onrustig is: niet meer in Indonesië, nog niet in Nederland. Ik krijg nog appjes van onze redacteur van Tempo (de Groene Amsterdammer van Indonesië: kritisch, diepgravend, knijterintellectueel) dat een diepteartikel over ons project in Nias wil publiceren met laatste redactievragen. Komende vrijdag mag ik bij Radio 1 iets over datzelfde project komen vertellen. Indonesische vrienden appen of ik veilig thuisgekomen ben. Ik wandel mijn reguliere wandelrondje om het Park Oog in Al en de Kanaalstraat om langzaam weer te aarden. 

En het is heerlijk om weer thuis te zijn. Mijn eigen ruimte na twee maanden continu onderweg zijn. Ik had de allerbeste homestays en logeeradressen (behalve in Jakarta), maar thuis aan je eigen keukentafel met je eigen pannen je eigen maaltje koken en naar muziek luisteren die nu eens niet te hard en in distortion uit een telefoontje of een slechte geluidsinstallatie kraakt is ongelooflijk fijn. Ik weet dat ik niet zonder Indonesische ervaringen kan, maar ik weet ook waar ik thuis ben. 

Luar biasa

Toen ik vorig jaar in Nias was aangekomen, wilde ik elke dag bloggen. Ik had er geen tijd voor, want ik werd van een orahua-ceremonie naar ...