Het melkveebedrijf van mijn grootvader lag in de jaren 1940 en '50 in Tembok Doekoeh, nu de heel erg volle Surabayase woonwijk Tembok Dukuh. Mas Ali en Angus zijn vandaag doorgevlogen naar Bali, ik blijf nog een dagje tot mijn hotel morgen in Yogya weer beschikbaar is. Morgenochtend lekker met de trein.
Dus vanmorgen besloot ik een bezoekje te brengen aan Tembok Dukuh, in de wetenschap dat het melkveebedrijf van mijn grootvader er niet meer zou zijn.
Ik liet me er achterop een brommertje heenrijden. Lekker door de stad crossen. Ik liep een beetje rond door de smalle steegjes met winkeltjes, woningen, garages, schooltjes, moskeeën. Zoveel mensen. Zoveel bedrijvigheid. Heel moeilijk voor te stellen dat hier vroeger een boerderij was. Het was om 08.00 uur al ontzettend warm. Ik kwam twee dames tegen met wie ik een praatje begon. Ze woonden er al hun hele leven.
Er was hier tot vrij recent een melkveebedrijf, naast de grote moskee, zeiden ze. Ik liep erheen en besloot de meneer die achter de balie van een koffietent naast de moskee om advies te vragen. Dat melkveebedrijf was van mijn familie, vertelde hij. We hebben het tot aan Covid overeind weten te houden. In 2023 was het niet meer te doen.
Toen ik vertelde waar ik naar op zoek was werd hij dolenthousiast. Hij bood aan koffie voor me te maken en ik moest gaan zitten.
Wat de bedrijvigheid van mijn grootvader in de jaren '50 uiteindelijk de das om heeft gedaan was zijn mislukte samenwerking met een aantal Chinees-Indonesische compagnons die, volgens mijn vader, misbruik hebben gemaakt van de penibele zakelijke situatie waarin mijn grootvader zich al bevond, door aanspraak te maken op een groot deel van de aandelen van het bedrijf.
In combinatie met de pesterijen en regelmatige vernielingen van Indonesische jeugd is mijn familie, tegen wil en dank, uitgeweken naar Nederland. Uit krantenberichten waarin mijn grootvader geciteerd wordt, blijkt dat hij dat uitwijken zag als iets tijdelijks, net als Jaap Kunst, toen die in 1934 met verlof naar Nederland ging, en nooit meer zou terugkeren. Het idee dat Nederlanders niet naar Indië zouden kunnen terugkeren was zelfs in 1956 gewoonweg niet voor te stellen.
De man die ik vanochtend tegenkwam in Tembok Dukuh is ook van Chinese komaf. Ik vertelde hem van de zakelijke overeenkomst die mijn grootvader met zijn Chinese compagnons had afgesloten zonder erbij te vertellen dat die samenwerking slecht voor onze familie was afgelopen.
Samen speculeerden we over de mogelijkheid dat onze grootvaders ooit hadden samengewerkt. Dankzij grondig onderzoek in Delpher door mijn broer kon ik de namen van de Chinese compagnons van mijn grootvader erbij zoeken. We wilde allebei zó graag dat het waar was, dat mijn gesprekspartner aannam dat de spelling in de Nederlandse krant Tjia weleens zijn familienaam Tan zou kunnen zijn.
We hebben zeker een uur met verse koffie toebroek over onze verledens zitten praten, over het bedrijf van zijn familie, over het bedrijf van mijn familie, dat "natuurlijk" hetzelfde bedrijf moet zijn geweest. Dat hier vroeger een rivier liep die drooggelegd is omdat ie zo stonk. Over de overeenkomsten in ervaringen van Chinese en Nederlandse mensen met het racisme van de Javanen, en tegelijkertijd dat mensen (inclusief de Javanen want mijn gesprekspartner heeft zowel een Chinese als een Javaanse naam en sprak duidelijk beter Javaans dan Indonesisch) in Surabaya lekker direct zijn, niet zo formeel en ondoorgrondelijk als in Yogya. Zo ging de ochtend voorbij in Tembok Dukuh.
Net als met de overblijfselen van het erfgoed dat Jaap Kunst verzamelde voel ik soms dat het niet zoveel uitmaakt of het waar is of niet. Of iemand echt de nazaat is van die en die. Dat een zeker buitenverblijf hier heeft gelegen of 500 meter verderop. Het contact met mensen nu, en wat dat losmaakt op dit moment vind ik veel spannender. Maar dat is natuurlijk vreselijk onwetenschappelijk. Mijn vader zou er zijn wenkbrauwen over fronsen, of erger...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten