Dus wij met de chauffeur van onze homestay aan het strand een rondje om die berg. Om Bernardus - een kwieke zestiger met een weelderige bos witte krullen, type kunstenaar/architect, in zijn jongere jaren naar eigen zeggen erg in trek bij de dames - ontving ons hartelijk in zijn zelfgebouwde huis in het dorp op de helling. We kregen gemberthee en cassave en ik vertelde aan hem en zijn vrouw wat ik kwam doen.
Dat vond hij geweldig. Hij bood meteen aan om te helpen. Ik vraag me altijd af hoe mensen dat regelen maar het werkt in heel Indonesië zo. Het is een belangrijk aspect van mijn witte privilege, maar hulpbereidheid hier sijgt daar ook bovenuit. Mensen vegen hun agenda leeg en gaan je helpen: met telefoontjes naar relaties in bepaalde dorpen (toevallig of niet de dorpen waar ik moest wezen), met het aanbieden van hun auto met chauffeur die de weg op zijn duimpje kent (en dat is nodig met de wegen hier), en uiteindelijk wilde hij zelf ook wel mee op stap.
Aanvankelijk weet je nooit wat je aan iemand hebt. Maar Om Dus (de bijnaam van Bernardus) is Inri's oom, of oudoom of achterneef, dus je kan ook geen nee zeggen. Achteraf kan ik zeggen dat mijn doelen zonder Om Dus nooit zouden zijn bereikt. Hij was onmisbaar in het leggen van contacten, in het gladstrijken van misverstanden, in het faciliteren van vervoer, en in het hebben van een fantastische sfeer in de auto tijdens lange en langzame ritten over heel moeilijk begaanbare wegen.
De onmisbaarheid van Om Dus betrof natuurlijk hem persoonlijk - zijn betrokkenheid, zijn humor, zijn kennis - maar ook twee primaire andere zaken. Zijn culturele achtergrond als moedertaalspreker van Lamaholot, een achtergrond die hier overal zonder veel omhaal in tamelijk etnische termen wordt uitgelegd (huidskleur, haarsoort, neuzen - dat soort werk, al erkent iedereen ook de migratiestromingen en de mengingen) en zijn geslacht als basis voor zijn genderrol.
Er bevinden zich twee bevolkingsgroepen op het schiereiland Tanjungbunga, de aanvankelijk nomadische Paji en de meer sedentaire Demong. Om Dus behoort, net als bijna alle andere mensen die we hebben ontmoet, tot die laatste groep. Alle gezangen die Kunst heeft opgenomen zijn Demong. De Paji blijven een raadsel. Niemand dringt tot hen door, zegt men hier. Ik heb de afgelopen dagen veel geleerd over de geschiedenis van Indonesië en Zuid-Oost Azië van de tijden voordat, zoals ze dat hier (net als in Nias) zeggen "het geloof arriveerde" met de Europeanen. Invloeden uit India die via de Molukken hier terecht kwamen. De Paji en de Demong die altijd hebben gevochten om het schaarse drinkwater.
En dan het overweldigende patriarchaat in deze samenleving dat vast ouder is dan de hier oppermachtige katholieke kerk, maar er wel genoegzaam door versterkt en in stand gehouden wordt. Ik heb er meer last van dan op Java, waar mensen misschien dingen denken over vrouwen, maar niet meteen uiten naar een witte vrouw van middelbare leeftijd die docent is aan een Nederlandse universiteit. Hier is dat anders. We hadden een welbespraakte lokale man met senioriteit nodig om überhaupt ergens te komen, anders word je steeds volkomen overhoop gekakeld of in een hoek geluld. Met een kalme energie kletste Om Dus ons daar altijd weer uit.
Samen met Inri, Didi en Goran konden we een brug vormen om alle cultuurverschillen hanteerbaar te houden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten