dinsdag 19 juli 2022

Biawak

En toen zag ik hem alsnog lopen. Of klimmen, beter gezegd. De biawak: een "monitor lizard"/kleine versie van de komodo varaan... Ik parkeerde de sjieke fiets van Mas Ali naast de bungalows na een stevige fietstocht uit de stad, en zag in mijn ooghoek iets bewegen. Toen ik opkeek zat de biawak al tegen de muur van de bungalow (niet de mijne, maar die van de buren). Hij liep verticaal tegen de muur op, net als een tjitjak, maar dan 10.000 keer groter. Hij was zeker anderhalve meter lang, inclusief staart, een prachtig beest, en verdween toen onder de pannen van het dak. Ik was te langzaam om een foto te kunnen maken. 

Biawaks zijn zeer intelligent. Ze werken samen in de jacht, hebben spelvaardigheden, en er zijn gevallen gerapporteerd van biawaks die kunnen tellen. Waarschijnlijk had hij liggen zonnen en werd hij gestoord door mij. Als hij stilletjes was blijven liggen had ik hem niet gezien. 

Omdat Mas Ali en ik er het de afgelopen dagen zo vaak over gehad hadden, appte ik hem (hij zit in Australië momenteel) om hem te vertellen dat ik de biawak gespot had. Aiai, dat vreesde ik al, antwoordde hij. De biawak is er. Hij woont hier. Niet goed voor de gasten, peinsde Mas Ali. Zeker niet als ze al bang zijn voor een tjitjak, vulde ik aan. Ik zal Mas Kenek vragen hem morgen te vangen, zei Mas Ali.

Pas toen ging ik erover nadenken. Had ik met mijn appje het doodvonnis van de biawak getekend, of in elk geval zijn verbanning? Waarschijnlijk wel. En dat allemaal omdat er mensen zijn (veel mensen) die uit Europa komen, of uit de stad komen, om aan de rand van de sawah hun vakantie door te brengen. Prachtig uitzicht immers.

De rand van de sawah moet daarom gebruiksklaar gemaakt worden voor mensen die bang zijn voor het donker, bang zijn voor stilte, en bang zijn voor tjitjaks. Het wordt licht, lawaaiig en andere dieren moeten verplaatst of gedood worden om deze mensen tegemoet te komen. Dat gebeurt niet alleen in het universum van de in de basis dierminnende Mas Ali en Barbara Titus. Dat gebeurt op de stranden van Bali en Phuket, op Aruba, Bonaire en Curaçao, en in de Himalaya, om maar even wat willekeurige dwarsstraten te noemen.

Dus dit is ter relativering van de mijn vorige blog over de ruimte die Indonesiërs mekaar gunnen. Indonesiërs zijn ook mensen. Ook hier wordt ruimte ingenomen die niet vanuit ieders perspectief inneembaar is. Er is - net als in Nederland - eigenbelang, geldwolverij, exploitatie van de natuur, koloniale uitbuiting, en corruptie. 

Het werkelijke probleem is de volledige acceptatie wereldwijd van de "alles-moet-wijken" mentaliteit: voor het delven van grondstoffen, bouwen van infrastructuur, faciliteren van toerisme. 

Zo'n gemeenplaats krijgt een extra urgentie voor me hier. Ik kan me met grote gebaren tegen die "alles-moet-wijken" mentaliteit keren, maar als ik er naar wil leven, dan moet ik de biawak ook een plekje gunnen, en accepteren dat hij boven mijn hoofd rondstommelt als ik in mijn bed lig. Hij was hier eerst. Hij heeft net zoveel recht op deze plek als ik, zo niet meer, en ik weet bovendien dat hij mij nooit kwaad zal doen. Dus waarom moet ie weg? 

The Gospel of Barbara: Als je rationeel kunt vaststellen dat je geen gevaar loopt dan is angst een keuze. Naar mijn idee zijn we die mogelijkheid tot het al dan niet kiezen voor angst verleerd omdat we zo gewend zijn geraakt aan controle: alles en iedereen wijkt toch wel. 

Dus ik ga oefenen met het idee dat de biawak en ik een plekje kunnen delen. Oefening baart kunst. Het is al een dag of vier geleden dat ik zijn bestaan heb gerapporteerd. Hij heeft zich vooralsnog niet laten vangen... 

zaterdag 16 juli 2022

Ruimte

Ik heb al vaker geblogd over het verkeer in Indonesië en hoe ik me daarin beweeg. Met inmiddels 1196 mensen per km2 op Java (ter vergelijking: in Nederland leven we met 508 mensen op een km2) zijn verkeersstromen (of liever het gebrek aan stroming) een steeds groter probleem. Toch blijf ik gefascineerd door de manier waarop zo'n trage verkeersstroom als een autonoom organisme lijkt te opereren en waarin iedere verkeersdeelnemer met de andere een relatie aangaat, al is het maar even. 

Er zijn verkeersregels, maar dat zijn richtlijnen. In principe rijden we hier links, maar dat betekent niet dat je niet af en toe ook een stukje aan de andere kant tegen het verkeer in kunt rijden als het moeilijk is om over te steken. Daar maakt iedereen ruimte voor. En regels zijn er ook echt, maar die zijn impliciet en contextafhankelijk. Het ligt aan de situatie wat geoorloofd is en dat bepaal je als weggebruikers met elkaar in het moment: voorrang geven of voorrang nemen, wel of niet oversteken, links of rechts rijden. Het sleutelwoord hierin is "ruimte", de ui-terst schaarse ruimte die we allemaal met elkaar moeten delen.

Waar ruimte is daar ga je rijden of staan of lopen, maar niet voor je hebt afgetast of er misschien een medeweggebruiker is die die ruimte ook nodig heeft. Ik heb me al meerdere keren "slecht" gedragen door in te halen, door te rijden of voorrang te nemen omdat ik daar volgens Nederlandse regels recht op heb. Dat is ontzettend lomp. Ik had eerst even moeten kijken of iemand die uit tegenovergestelde richting komt, bijvoorbeeld, toch even over mijn baan heen voor mijn neus af wil slaan. Dan rem je even af. Kan die medeweggebruiker ook weer door. 

In zo'n verkeerssamenleving let iedereen dus veel beter op elkaar, en dat vergroot de verkeersveiligheid. Nu zijn er vast allerlei aspecten die de veiligheid ook weer ondermijnen (hoewel dat eigenlijk wel meevalt: vrijwel iedereen draagt een helm op de brommer, iedereen doet zijn autogordel vast), maar niemand rauscht, niemand is ongeduldig. We zitten nu eenmaal met 1196 mensen op een km2 en het is warm. Dan duurt het even voor je ergens bent. Ik voel me heel veilig in dit verkeer.

Die oplettendheid en het feit dat ik met mijn afhankelijkheid van expliciete opgeschreven regels soms niet oplettend genoeg ben en ruimte inneem die ik niet hoor in te nemen is een mooie metafoor voor de sociale omgang hier in het algemeen en mijn positie daarin. Ik moet continu mijn antennes aan hebben staan. Me voorstellen wat mensen van me verwachten, wat ze wel en niet willen of kunnen doen, want dat zullen ze niet altijd (expliciet) willen zeggen, juist omdat het niet de bedoeling is dat je daarmee ruimte gaat innemen die iemand anders misschien nodig heeft, en agenda's gaat bepalen waar eigenlijk (ook) een ander inbreng in zou moeten hebben. Ziedaar kolonialisme in een notendop.

Die ruimte laten aan elkaar vind ik heel prettig, al kost het ook veel inspanning en lukt het niet altijd. Het streven alleen al schept lucht, schept bewegingsmogelijkheid; het zorgt ervoor dat je zonder gezichtsverlies van mening kunt veranderen, iets in kunt brengen of mee kunt buigen, of elkaar de credits kunt geven voor iets wat je samen hebt gedaan. Niemand zet zijn hakken in het zand. Niemand claimt eigendom of waarheid.  

Ik vind het ook een duurzame instelling: dat je niet neemt of inneemt waarvan we nu eenmaal hebben afgesproken dat jou dat toekomt, maar dat je je telkens opnieuw moet afvragen of die ruimte jou wel toekomt en of een ander die misschien niet harder nodig heeft. Je dat steeds weer moeten afvragen is vermoeiend. Dat is inspanning. Het vergt een onophoudelijke open gerichtheid op je omgeving, waarbij elke nieuwe situatie tot een nieuwe afweging kan leiden. Zo'n houding kunnen we voor onze hele planeet wel een beetje meer gebruiken. Ik ben hard aan het oefenen. Maar met een fikse dosis Aziatische bescheidenheid zeg ik erbij: ik ben er nog niet zo goed in...

donderdag 14 juli 2022

Hantu

Luttele minuten nadat ik de editie over mijn huisgenoot gepost had was ik getuige van het maaltje van een sawahslang, dun, groen en wit, die voor mijn neus, nog net niet in mijn woonkamer, een kikker te pakken had en die tergend langzaam in zijn disproportioneel opengesperde bek liet verdwijnen. 

Het arme kikkertje, nauwelijks groter dan mijn twee duimen, krijste het uit. Ik heb het geprobeerd te filmen, maar daar was het tafereel toch te klein voor en dichterbij durfde ik niet te komen. De slang was - zoals alle slangen - banger voor mij dan ik voor haar of hem, dus die trok zich al kikker-slokkend terug tussen de stammen van de reuzenvaren voor mijn vissenbak. 


Ik zie nu de functie van die vissenbak: een natuurlijke barrière (man-made weliswaar) tussen het harde leven in de sawah en mijn immer brandschone woonkamer. Ik check wel elke avond voor het slapen gaan of er iemand al dan niet opgerold onder mijn bed ligt, en ik klop mijn schoenen uit voordat ik mijn voeten erin steek. Goede gewoonten om weer te internaliseren. 


Intussen hebben we mijn vermoedelijke bovenbuur gevangen. Voor Nederlandse maatstaven een rat van formaat. Voor Indonesische maatstaven een vrij gemiddelde tikus. Niet voor niets is dat het woord voor zowel rat als muis in het Indonesisch. De nachtwaker heeft hem meegenomen. Ik heb maar niet gevraagd wat er met hem gebeurd is. Sindsdien is het stil boven. Geen biawak dus. Ik vind alleen nog af en toe een tokè-poepje op mijn vochtafstotende sprei/selimut. Maar tokès horen erbij.

Dat vinden niet alle gasten hier. Ik heb nog geen Londo gezien. Mijn buren zijn gegoede Indonesiërs, veelal afkomstig uit Jakarta en Surabaya, en ik kom erachter dat het tropische landleven voor hen veel vreemder is dan voor een Londo als ik. 

Enkele dagen geleden werd Mas Ali gebeld door één van de gasten, terwijl we samen - al in sarong (bij wijze van spreken al in pyjama) - een eenvoudige avondmaaltijd genoten. De dame uit Jakarta wilde haar meerdaagse boeking cancellen, en ze wilde haar geld terug. Ze was er nu een dag met haar familie en het was haar veel te donker (gelap) en te stil (sepi). En bovendien liepen de hagedissen langs de muren.

Ik viel bijna van mijn stoel. Hoe kun je in Indonesië wonen en niet gewend zijn aan tjitjaks aan de muur? Wij leerden daar vroeger een kinderliedje over: "Er zat een tjitjak aan de muur die voelde zich niet lekker / zijn buikje deed een beetje zeer, zijn hart ging als een wekker / toen ging hij naar de tokè toe, de dokter van de dakgoot / die zei: zit nu maar even stil, dan voel ik aan uw voorpoot /", etc. 

Mas Ali en later ook Citra legden mij uit dat er in grote steden helemaal geen tjitjaks en tokès meer zijn: platgespoten, weggepoetst. "Maar de werkelijke reden dat deze dame weg wil" legde Mas Ali uit, "is omdat ze gewoon bang is voor spoken, hantu". Dat komt hij vaker tegen bij zijn verstedelijkte gasten: angst voor de Stille Kracht, de stemmen van weleer, de energie van de duisternis. Er is een lange traditie van Javaans geloof in kwade geesten - een traditie die continu naast hindoeisme, boeddhisme en islam bestaan heeft en uiteindelijk ook de koloniale Nederlanders met hun slechte geweten niet onberoerd liet. In de huidige Indonesische horrorfilms is die traditie nog springlevend. En het geloof in hantu's is ook ingezet om mensen gedragsregels voor Covid-19 bij te brengen. Stilte (sepi) en duisternis (gelap) moeten daarin zoveel mogelijk voorkomen en ontweken worden.

En het is waar: 's avonds kijk je vanuit je verlichte appartement uit op de rijstvelden en je ziet niets, alleen zwarte duisternis. En alles wat daar buiten is kan zo naar binnen lopen. Hantu's laten zich niet stoppen door een bak met vissen. Bovendien is de stilte oorverdovend: krekels, kikkers, continu murmelend water. Met een beetje fantasie kun je er stemmen in horen, woorden en gesprekken van maken. Altijd versluierd en ongearticuleerd, maar niettemin zeer aanwezig - onontkoombaar. 

Ik vind dat heerlijk. Ik geniet van de volle maan, en doe vaak mijn lampen in mijn open woonkamer uit om op mijn buik op mijn ligbank de duisternis van de sawahs in te kunnen kijken en te luisteren naar het gemurmel en gekwaak en getjirp. 

Ik geloof niet in hantu's - nog niet althans. Maar ik vind het wel betekenisvol om me voor te stellen dat ik juist niet alleen ben hier: dat er dieren zijn, en waren (zoals de biawak), dat er mensen zijn, en waren, die wat er nu is hebben aangeraakt en gevormd met hun bestaan. De gedachte dat je hun aanwezigheid - in wat voor hoedanigheid dan ook - kunt voelen vind ik waardevol. Vaak denk ik bijvoorbeeld aan mijn eigen voorouders (onder wie mijn vader en zijn zus, mijn tante Eva [wier as we niet ver van hier teruggegeven hebben aan een rivier]) en wier stemmen je met een beetje goede wil kan horen in het murmelen van de sawahstroompjes.

Maar dat zijn goedaardige verschijningen, en mijn vermeend autonome westerse geest vindt dat ze daar controle over heeft. Tot het tegendeel blijkt. Ik slaap als een blok hier: diep en rustig en lang. Toch goed om even niet aan het werk te zijn. Bovendien voel ik me veilig omdat ik weet dat er op nog geen 10 meter afstand altijd een jaga (een nachtwaker) aanwezig is: Mas Kenek, of Mas Tri, of Mas Chabib, veelal jongens uit het dorp die ook de tikus afgehandeld hebben. Dus wat kan me gebeuren? 

donderdag 7 juli 2022

Huisgenoot

Enkele dagen geleden ben ik verhuisd naar een iets kleiner appartement zonder zwembad, waar ik de rest van de maand kan blijven. Het nog steeds heerlijk ruim, met een fenomenaal uitzicht vanaf een even schaduwrijke veranda met planten en goudvissen in open water die de muggeneitjes opeten (ik heb hier aan de rand van de sawah minder last van muggen dan thuis op de van Riebeeckstraat). 

Mijn gastheer is ook een goede vriend geworden sinds ik in 2018 10 weken lang in een ander beeldschoon B&B van hem mijn boek afschreef. Gedurende de pandemie heeft hij de appartementen aan de rand van de sawah's met ongelooflijk veel stijl opgezet. 

In traditionele Javaanse joglo stijl, met een kernhuis met puntdak in het midden en een even brede veranda met een vlakker aflopend dak ernaast of eromheen. Alle daken hebben rode pannen en gevlochten bamboematten daaronder als plafond. 
Het kernhuis met slaapkamer is afsluitbaar (met airco) en de veranda met huiskamer en keuken is open: je bent binnen, onder dak tegen regen en wind, maar ook buiten, want zonder muren met vrij uitzicht. 
Een van de implicaties is dat dieren vrij in en uit kunnen lopen, als ze over of door de vissenbak heen kunnen. Kikkers kunnen dat, hagedissen, slangen ook, al zijn sawahslangen volgens Mas Ali meestal niet gevaarlijk. Kikkers zie ik dan ook geregeld. Aan gekko's zoals tjitjaks (cecak) en tokès (tokek) ben ik sowieso helemaal gewend. Die horen bij elk huis en ze eten insecten. Ze maken specifieke geluiden die ik ervaar als thuis - ik zou iets missen als ze er niet zouden zijn.

Ook kikkers hoppen geregeld door mijn huiskamer. Ook hun kwakende kikkerkoren vind ik fijn en vertrouwd. Ze gaan de hele nacht door. Haha. 
De meeste dieren zoeken sowieso geen mensen op, tenzij er iets te halen valt. Mijn keuken is ook open en de afgelopen twee nachten had ik een gast. Die hield vooral erg van mijn banaantjes. Ik had een omgekeerd bord op de mand met de pisang susu gelegd, maar dat was eraf geduwd. Er was met een puntige bek door de schil van de banaantjes heengeknaagd en van binnen was de banaan bijna helemaal leeggesnoept. De mandarijntjes die ernaast lagen waren onaangeroerd gebleven. Kieskeurige gast, bovenal omdat de cabehs (scherpe pepers) die ik hoog boven het aanrecht in een bakje had gedaan ook half opgegeten waren. De gast houdt van pedis (scherp) en van manis (zoet), niet van asing (zuur).

Dus vanavond alles in de ijskast, ook als je fruit en je brood daar niet beter op worden. 

Ik lag rond 10 uur gisteravond keurig in mijn nieuwe dag/nachtritme in slaap te vallen in mijn afgesloten, ge-airconditionde kamer, toen ik vlak boven mijn hoofd stappen en geschuifel hoorde en daarna geknaag. Het kwam heel duidelijk van de ruimte tussen plafond en dak. Het enige wat tussen mij en het dak zit is die gevlochten bamboe mat. Zoals gezegd, dat daar af een toe een tjitjak of een tokè loopt (die soms zelfs wel eens wat laat vallen) ben ik gewend. In werkelijk elk huis in Indonesië waar ik geweest ben heb je dat.
Maar dit dier was veel groter dan een tokè. Zeker het formaat van een rat of een luwak. Een kat was het niet, want ik hoorde geknaag. En ook duidelijk een nachtdier dat rond 10 uur 's avonds pas actief wordt. Ik weet nog heel goed dat ik als 11- of 12-jarig kind midden in de nacht door een luwak op mijn kop gepiest ben. Dat was wel even schrikken. 

Dus ik was weer klaar wakker. Het dier boven mijn hoofd bleef rommelen en schuifelen en knagen. Straks knaagt ie nog door die bamboemat heen!

Toch maar Mas Ali geappt, die 200 meter verderop woont. Ik doe altijd erg stoer over beesten, vooral tegenover mijn vrienden in Nederland die griezelen over spinnen en hagedissen en slangen, maar dit was zelfs mij een beetje te spannend. 

Al append werd ik al weer rustiger en mijn bovenbuurman of - buurvrouw ging weer stilzitten. Het kan wel tot morgen wachten, appte ik naar Mas Ali, maar het is wel belangrijk dat je weet dat hierboven ook iemand woont. Maar Mas Ali ging al append lekker speculeren over wie mijn bovenbuur zou kunnen zijn. En bedankt! 

Hopelijk geen rat, zei hij, maar dat was wel mogelijk. Ging hij morgen laten checken. Een luwak leek hem onwaarschijnlijk, die zijn hier niet zoveel. Wat er wel veel is, zei hij vrolijk, is een biawak. Die heb ik daar wel eens op het dak zien klimmen. Dat moest ik even googelen. Gezellig hoor: het kleine broertje van de komodo varaan. Nog altijd makkelijk een meter lang. Waaaahhhhhh. Straks ligt ie bij mij in bed!

Ze doen niks hoor, appte Mas Ali. Sharing is caring, grapte hij. Zorg dat je al je voedsel in de ijskast doet. Hij is gewoon op zoek naar zoet fruit. 

Dat wordt niks meer met slapen, dacht ik. Maar gek genoeg ben ik kennelijk zo ontzettend moe, dat ik heel snel gewoon in slaap viel en de hele nacht doorsliep. Jetlags doe ik sowieso niet aan, maar dit ging dus ook goed. Dat was denk ik ook omdat mijn huisgenoot stil bleef zitten terwijl ik in slaap viel. Maar ik had een prima nacht. 

Toen ik vanmorgen in alle vroegte met Mas Ali en met de honden ging wandelen, spraken we het nog even door. Mas Ali is een bijzonder mens: hij is een schatrijke Jakartaan die veel grond koopt in Yogya voor het chiquere toerisme, zowel binnenlands als buitenlands. Hij is samen met een Australische man, en dat is hier behoorlijk lastig. Hij heeft jaren bij de Wereldbank gewerkt aan ontwikkelingsprojecten en is net zo'n wereldburger als ik. De boeren op wier land ik uitkijk betaalt hij daarvoor. Het is "opbrengst" van hun land waarin ze moeten kunnen meedelen. En ik ervaar het als een welkome aflaat van mijn white guilt complex. 

En hij is dol op dieren. Geregeld vindt hij een hondje of een katje langs de weg en die adopteert hij dan. Zij adopteren mij, beweert hij, en hij heeft intussen een hele schare huisdieren om zich heen. De reden dat hij denkt dat er een biawak boven mijn hoofd woont, is omdat daar eentje woonde toen hij de appartementjes bouwde (allemaal met duurzaam, gerecycled materiaal). Hij wilde het dier geen kwaad doen en stelde voor dat er een hol voor hem gemaakt zou worden zodat hij in de buurt kon blijven. Maar de lokale mensen met wie hij werkte, zeiden dat dat weinig zin zou hebben. Biawaks kiezen zelf hun plek en laten zich niet verplaatsen. Mijn huisje is ook zijn huis. 

Ik denk dat ik wel kan wennen aan een biawak boven mijn hoofd, zolang ie niet op mijn kop piest en van mijn bananen afblijft. Ik ben afgelopen nacht immers ook prima doorgekomen. Maar andere gasten, zei Mas Ali, zijn niet zo makkelijk als ik. Hij moet een plan verzinnen voor de biawak. Als het een biawak is, en geen rat... 

Foto's van onze wandeling, speciaal voor Bert ;-) : 





Mako en Pepo - geadopteerde hondjes.

woensdag 6 juli 2022

Falsche Freunde

Mijn Indonesisch gaat in enkele dagen weer met enorme sprongen vooruit. Ik spreek het echt verre van perfect, maar ik kan ontzettend veel begrijpen. Gisteren was ik bij een lezing van Susan Legêne, hoogleraar politieke geschiedenis aan de VU, die een project leidt dat nog veel groter is dan het project DeCoSEAS dat meLê en ik leiden, maar dat wel heel veel overlap heeft met wat wij proberen te doen. De Universitas Gadjah Mada in Yogya, waar mijn vader ooit gastdocent was, waar ik vele collega's ken, en waar ik mijn cursus Indonesisch heb gevolgd, is een partner in hun Pressing Matter project.

Dus ik was toch gewoon stiekem aan het werk gisteren - mijn werk is gewoon te leuk. De lezing zelf ging in het Engels (ik mocht ook nog een vraag stellen, gelukkig niet in het Indonesisch), maar er waren veel Indonesische historici aanwezig die ik kende, dus met hen discussieerde ik verder in het Indonesisch, en dat ging over ingewikkelde zaken, zoals het koloniale verleden, het belang van kunst in het begrijpen ervan, over repatriatie van erfgoed dat in koloniale omstandigheden is verzameld, en processen van kennisvorming die buiten gebaande academische wegen gaan. Ik ben geen gelijkwaardige gesprekspartner in het Indonesisch, maar ik kan aardig meekomen.

Die honderden jaren gemeenschappelijke geschiedenis van beide landen werken door in het hier en nu - dat is onderhand een gemeenplaats in de wetenschap. Maar ik werd er op geestige wijze aan herinnerd door een spraakverwarring thuis die ons allen een hele middag gekost heeft om op te lossen. Ondanks mijn vaardigheid mijn eigen dekoloniseringsproject in een academische omgeving in het Indonesisch uit te leggen, lag de oorzaak van de spraakverwarring geheel bij mij. Ik had een verkeerd woord gebruikt omdat ik had verondersteld dat het woord betekende wat het in het Nederlands betekent. Tekenend.

Het Nederlands en het Indonesisch delen veel woorden. Denk aan pakkie-an/bagian, branie/berani, amper/hampir, bakkeleien/berkelahi, banjeren/banjir, pienter/pintar, piekeren/pikir. Wie wat van wie heeft is moeilijk vast te stellen. En het lastigste is: de equivalenten betekenen niet altijd hetzelfde. Falsche Freunde. 

Zo kwam ik er enkele weken geleden dankzij mijn moeder achter dat Mas Kenek, de chauffeur en klusjesman van Mas Ali (die mij tegen een vriendenprijsje mijn fenomenale onderdak biedt) helemaal niet Mas Kenek heet. Kenek is zijn functie, afgeleid van het Nederlandse knecht. Ik kreeg een hartverzakking. Ik heb de goede man de hele 10 weken dat ik in 2018 bij Mas Ali verbleef Mas Kenek genoemd in de veronderstelling dat het zijn eigennaam was. Maar mijn moeder wist al dat dat helemaal geen belediging is. Een kenek is allesbehalve een knechtje: vanouds de bijrijder op de bus die de betaling van de passagiers afhandelt, verantwoordelijk en tot op zekere hoogte geschoold werk. En nu ik hier ben, zie ik dat mijn moeder gelijk heeft. Iedereen noemt Mas Kenek Kenek en hij schept daar eer in, ook al is hij behalve chauffeur ook klusjesman en nachtwaker - toch wel een beetje een manusje van alles. Maar geen knecht dus.

Vanmiddag kwam ik in eenzelfde misverstand terecht. Ik kreeg gisteren nieuw beddengoed, waaronder een overtrek van polyester. Dik, wollig, niet ademend, kunststoffig. Ik heb de hele nacht liggen zweten, ondanks de airco. Ik wist dat zowel het Nederlands als het Indonesisch het woord sprei/seprei kent, dus ik vroeg via de app om een nieuw sprei, omdat ik in deze zo had liggen zweten. 

Bij terugkomst van mijn middageten was mijn appartement helemaal schoongemaakt, maar het polyester sprei lag weer keurig op mijn bed. Ik appte opnieuw om te vragen of het sprei verwisseld kon worden. Dat is al verwisseld, zei Mbak Nuri, die de huishouding leidt. Ik een heel verhaal ophangen over dat mijn probleem niet zozeer het exemplaar is, maar het soort sprei. Natuurlijk met allerlei excuses en "sorry-voor-het-storen" erbij. Maar een beetje verwend voelde ik me toch wel. 

Na veel heen en weer ge-app, stelde ik voor dat ze even langskwamen, zodat ik het kon uitleggen. De jongen van de staf had een stel lakens in zijn handen. "Dat is fijn" riep ik uit. "Dat is precies wat ik wil, gewoon zo één is prima". Ik liep met hem mee naar mijn slaapkamer en hij begon mijn net verwisselde en brandschone onderlaken van mijn bed te stropen. Pas toen had ik het door. Het Indonesische woord seprei duidt een laken aan; ik wees op het polyester sprei in de Nederlandse zin en zei: deze is het probleem. "Ooooooooohhhhh", riep de jongen, "een selimut. Je wil een andere selimut."

Een selimut (spreek uit: sliemoet). Ik ken dat woord hartstikke goed. Herinner me het duidelijk van vroeger. En ik maar dooremmeren over een sprei. En die mensen maar denken: we hebben net haar lakens verschoond, waarom wil ze na een uur wéér schone lakens? 

Gelukkig kan ik dan wel in het Indonesisch uitleggen dat we in Nederland ook een woord sprei hebben en dat dat woord een sliemoet aanduidt. Dus daar hebben we allemaal hartelijk om gelachen. Ik kreeg een heerlijke katoenen selimut. En ik heb me nog eens uitvoerig verontschuldigd. 

Je ziet: naast net doen alsof ik aan het werk ben, ben ik heel druk met dit soort luxeproblemen... 

maandag 4 juli 2022

Barbara's dekoloniseringsagenda

Het is net na 10 uur in de morgen. De hitte begint mijn hersenen te vertragen. Mijn lichaam weet al sinds 8 uur vanmorgen dat het langzaamaan moet doen om de dag door te komen. Wat is mijn leven zwaar. 

Ik zit op mijn eigen veranda, met uitzicht op mijn eigen zwembad, en (en nu wordt het echt problematisch) ik kijk uit op een tableau van diepgroene rijstvelden, papayabomen en pisangbomen met heuvels in de verte. Het tableau wordt omlijst door de djati-houten pilaren waarop het dak van mijn eigen huisje rust. Houten vens draaien traag aan het plafond voor extra verkoeling. 

In dat tableau komt af en toe een mens voorbij, een boer of boerin met een topi op het hoofd. Sommigen dragen laarzen, anderen waden blootsvoets door het water waarin de rijst aan het groeien is. Hun topi is de enige bescherming tegen de brandende zon. Ik zit in de schaduw van mijn veranda te bloggen. Het enige wat mij scheidt van de boer en boerin is de breedte van mijn privé-zwembad...

Ik verdien mijn (goed belegde) boterham met grote verhalen over dekolonisering, over de herverdeling van arbeid en kapitaal, ook waar dat muziek, kunst en cultuur betreft. Kan ik hier nog wel zitten? Eigenlijk niet.

Als kind vond ik dit normaal. Mijn ouders waren geen luxebeesten. Ze waren duidelijk over het feit dat we hier te gast waren en ons moesten aanpassen. Ze droegen en dragen ieder op hun eigen manier actief bij aan de Indonesische samenleving, zoals ik ook iets van mezelf probeer bij te dragen. Maar het minzaam uitkijken over rijstvelden met werkende mensen, onder het genot van een kop koffie of thee hoort nog steeds bij de standaardinstellingen van mijn wezen.

De kortsluiting in mijn hoofd - ik kijk uit over een beeldschoon tableau dat een onbarmhartige werkomgeving is voor de mensen die er in figureren - leidt tot een opwelling. Waarom loop ik die 15 of 20 stappen niet naar de boer toe om te vragen of ik een handje kan helpen? In tegenstelling tot veel andere toeristen kan ik me verstaanbaar maken tegenover de mensen die hier wonen en werken. 

Ik weet ook dat hij het heel erg raar zou vinden als ik dat zou doen. Of misschien verwacht ik dat. Zo'n verwachting komt me goed uit. Al typend achter mijn laptopje in de schaduw met een ven boven mijn hoofd heb ik het al warm genoeg. Dat geeft me een excuus om de lijst rondom het tableau niet te hoeven overschrijden en het een tableau te houden: iets waar ik naar kijk, waar ik geen deel van hoef te zijn als ik dat niet wil, en dat me esthetisch plezier geeft. 

Ik herken de narratieven of scripts waarmee zo'n bevoorrechte positie gerechtvaardigd kan worden en die, net als de geluidscollectie van Jaap Kunst die ik aan de UvA cureer, een koloniale geschiedenis hebben. Die scripts (die vaste rollen aan mensen toebedelen ook als ze daar niet zelf voor hebben gekozen) bestudeer ik als intellectuele en maatschappelijke verschijnselen voor mijn werk, maar ik ervaar nu ook de zintuiglijke basis ervan. Die basis is overigens geen enkel excuus, maar wijst me er wel op dat ik geen haar beter ben dan degenen in heden en verleden die ik de maat neem: "Het is warm. Ik zou kunnen gaan helpen. Maar deze meneer is het gewend; hij doet het elke dag. Ik zou maar in de weg lopen." of "Natuurlijk is het ongelijkwaardig om andere mensen voor je te laten koken, wassen en schoonmaken, maar als ik ze geen emplooi geef, hebben ze helemaal geen inkomen."

Uiteindelijk komt het er op neer wat we normaal vinden, en in hoeverre we bereid zijn normaliteiten ter discussie te stellen als we in een positie zijn om dat te doen: dieren opeten zonder ze zelf te hoeven doden, op je kont blijven zitten terwijl iemand anders voor je neus aan het zwoegen is. Het is de relatief beperkte breedte van mijn zwembad die de scripts confronterender voor me maakt dan de scripts die het ons makkelijk maken om elke dag te douchen, en het vliegtuig te nemen als je ook met de trein kan. 

Ik prakizeer nog even door. Dat is mijn dagelijkse arbeid, immers... 

Weerzien

Het heeft iets diepzinnigs, het woord "weerzien". Net als het woord "vaarwel" is het meer dan doei of hoi-hier-ben-ik-weer zeggen. Misschien is het de pandemie die dat gewicht geeft aan mijn terugkeer hier; misschien ook mijn werk. Ik ben hier drie jaar niet geweest, en in die tijd heb ik me nog verder verdiept in het koloniale verleden dat Indonesië en Nederland delen. Dat heeft me veranderd, al had ik er al heel erg veel van meegekregen van mijn eigen ouders: de kritische benadering ervan, maar ook het bewustzijn dat ik er onderdeel van ben. 

Tijdens de pandemie zijn er momenten geweest dat ik het gevoel had dat het er misschien niet meer van zou komen: ooit nog naar Indonesië gaan. Er zijn ook momenten geweest dat ik het gevoel had dat ik nooit meer in een koor zou kunnen zingen. Of mijn vrienden zou kunnen knuffelen. De pandemie is nog verre van over, maar deze dingen kunnen weer, met mate en beleid. Met Citra en Koes concludeerde ik dat de pandemie ons leven blijvend veranderd heeft en niet alleen ten slechte. Alle comfortabele middenklasse-mensen zoals wij drieën hebben onze prioriteiten beter op orde en waarderen de gemakken van ons leven meer. 

En de mensen hier die een moeilijker bestaan hebben vragen zich (soms hardop) af waarom de wereld op slot moet als er eindelijk eens een ziekte de kop opsteekt waar ook Europeanen en Noord-Amerikanen bang voor moeten zijn. Er zijn hier genoeg ziektes om nog veel banger voor te zijn (malaria, tyfus, dysenterie, hepatitis-en) en alleen de comfortabele middenklasse-mensen kunnen zich daar met vaccins en schoon drinkwater tegen beschermen. Dus waar zeuren die mensen over. 

Maar het weerzien was dus groots. In mijn herinnering grootser dan toen ik in 2013 na bijna 20 jaar weer voor het eerst naar Indonesië ging met mijn familie. Destijds wist ik niet wat ik moest verwachten, of ik er nog wel zou kunnen, mogen of willen zijn. Nu heb ik die twijfel niet. Ik heb hier collega's, vrienden en dingen te doen. En ik weet dat ik diep gehecht ben aan de geuren, geluiden, taal, muziek en lucht die ik in 2013 netjes opgeborgen had in een jeugdherinnering.

De reis verliep uiterst voorspoedig. In 20 uur overbrugde ik zo'n 13.000 km in die rare vliegtuigcabine waar geen plaats en tijd is, geen dag en geen nacht, alleen geloei van motoren, wat h/bollywoodkauwgum om de zombietijd te doden, en af en toe een huilende baby. 

De overgang van de ene naar de andere wereld met de vliegtuigcabine als desoriënterende loze ruimte was in mijn kindertijd categorischer. Tegenwoordig spreek ik ook Indonesisch in Nederland, want ik ken daar een keur aan Indonesiërs, ik maak er Indonesische muziek (de gamelanworkshop van de UvA) en online spreek ik mijn Indonesische vrienden en collega's geregeld.

Maar categorisch blijft het om van het Nederlandse compartiment van mijn leven naar het Indonesische te gaan, zeker ook omdat die jeugdherinnering zo sterk is. Ik reis niet alleen ruimtelijk maar ook in de tijd. Dat is magisch.

Zodra ik het ge-airconditionde vliegveld afkwam: die lucht. Het is de temperatuur, de geur, de luchtvochtigheid, maar het is niet alleen dat. Binnen enkele uren is mijn huid veranderd: soepeler, met open poriën en geprononceerde aderen. Ik moet me rustiger bewegen, mijn stem anders gebruiken.

Citra en Koes stonden me op te wachten bij de nieuwe luchthaven van Yogya, wel een uur rijden buiten de stad. We vlogen elkaar in de armen, juichen, knuffelen, lachen, we moesten allemaal bijna huilen, maar net niet helemaal. Emotionele impulscontrole is belangrijker hier. En de bijna-emoties (of wat ik als bijna-emotie ervaar) worden daarmee betekenisvoller.

In de auto was het als vanouds. We hebben veel gereisd met ons drieën, in de Gunung Kidul, op Sumba en Timor. Dan zit Koes op de achterbank grapjes te maken om ons op de kast te jagen, terwijl Citra en ik hem proberen uit zijn tent te lokken. Allemaal met subtiele insinuaties en dubbele bodems, verhulde complimenten en verwijzingen naar vroegere grapjes. Vermengd en afgewisseld met serieuze gesprekken over echte dingen: de pandemie, ons werk, onze families. Het is echt ironie van een andere orde. Ik was verbijsterd dat ik dat meteen weer een beetje kon "lezen" en er zelfs in beperkte mate - met wat welwillendheid van mijn gesprekspartners - aan kon deelnemen in het Indonesisch. We moesten zo ontzettend lachen. 

Het was alsof ik niet weggeweest was. Drie jaar niet geweten of ik terug kon en daar is alles weer: het roadtrip-gevoel, over de hobbelwegen en smalle bruggen naar de stad, stoppen aan de kant van de weg voor een kommetje soto ayam en thee. Wat heb ik het gemist. En we konden gewoon verder waar we gebleven waren. Nooit op durven hopen.

Gehecht en onthecht

Zoals ik al zei was ik ontzettend blij dat ik al dit voorouderlijke spoorzoeken niet alleen hoefde te doen. Mijn broer als achtervanger die ...