zondag 9 augustus 2026

Dinsdagmiddag - Waibao

Na onze sessie met de Confreria van Larantuka in de Kapela van Tuan Ma reden we met Om Dus en zijn chauffeur naar Tanjungbunga, een schiereiland in het noorden van Flores waar het eiland in het uiterste oosten toch naar het westen afbuigt. Het is een mooi maar slecht toegankelijk gebied met slechts een paar smalle wegen tussen de heuvels en de zee door.


Van links naar rechts: Goran, Barbara, Om Dus, Om Sopir (chauffeur), Inri, Om Willem

Om Dus, Om Willem, Barbara

Ik was intussen behoorlijk verkouden geworden, snotterig en koortsig, met watten in mijn kop. Vervelend, maar niets aan te doen, behalve flink wat paracetamol slikken. Het landschap was prachtig en we reden lekker met de raampjes open en de airco uit. Iedereen was vrolijk, er werd wat afgelachen met Om Dus en zijn even vrolijke chauffeur. 

Ik kan beter omgaan met mijn taalbeperkingen dan vorig jaar. De beperkingen zijn even groot: heel veel begrijp ik niet, of half, of verkeerd, en zeker Inri en Dida samen glijden van een op een moordend tempo uitgesproken Indonesisch vanzelf naar Bahasa Kupang. Omdat ik Indonesisch ook beperkt begrijp weet ik nooit hoe en wanneer die roetsj naar dialect plaatsvindt en weet ik ook nooit of ik iets zou moeten begrijpen of niet. Maar ik heb me daar bij neergelegd. Soms is het lastig en moet ik ze echt wijzen op mijn beperkingen, dat ze hun tempo moeten aanpassen en het geduld moeten opbrengen om af en toe iets te herhalen. Maar ik voel me minder geïsoleerd dan vorig jaar, al voel ik me soms wel een beetje door hen buitengesloten. Dat heeft misschien net zozeer met leeftijd, afkomst en positie te maken als met taal.

Dus ik liet iedereen lekker plezier hebben in de auto en als ik iets begreep kon ik even meedoen. Mijn energie sparen voor de bijeenkomst in het dorp straks. 

We arriveerden in de namiddag in de administratieve gemeente Waibao, een gemeentefusie tussen Tengahdei en Lebao waar Kunst in 1930 opnamen maakte. Intussen was ook Pak Willem ingestapt, een kennis van Om Dus die lokale contacten heeft. We wachtten in een bamboe-optrekje aan de weg dat het midden hield tussen een bushalte en een honk voor bikers (het was het laatste). 

De dorpssecretaris was er, en een aantal inwoners van het dorp, en we wachtten wederom op een oudere cultuurkenner in het dorp, Pak Sogan. Zijn zoon, een vriendelijke jongeman die Suharto heette (vernoemd naar de dictator van de Orde Baru [1965-1998]), vertelde dat zijn vader vroeger intensief heeft samengewerkt met een van mijn collega's. Zij was vanaf 2016 in het dorp en heeft met de drie ouderen die de oude gezangen nog konden zingen, geprobeerd ze te reconstrueren. Zij heeft toen ook opnames gemaakt.

Pak Sogan arriveerde en was uiterst hulpvaardig, maar leek ook een beetje vermoeid dat nu weer een Europeaan langskwam met oude opnamen. Dat had veel te maken met de teleurstellende uitkomsten van alle moeite die hij en mijn Franse collega zich getroost hebben om de liederen voor het nageslacht te behouden. Ze hebben de gezangen niet alleen opgenomen, ze hebben ook de lokale overheid betrokken om te proberen de praktijken weer onderdeel te laten zijn van het curriculum van de lagere en middelbare scholen in de omgeving, zodat ieder kind ze als vanzelfsprekend leert, net als het Indonesisch. 

Dat liep allemaal op niets uit, niet alleen door traagheid en laksheid van de overheidsinstanties (die endemisch is in heel Indonesië), maar ook omdat die jeugd echt niet geïnteresseerd bleek. Net als Bapak Stefanus in Lewoloba vertelt Bapak Sogan dat hij kinderen en tieners niet kan motiveren het te doen en te oefenen. "En het is moeilijk, begrijp je", legt hij uit, "de makkelijke gezangen en dansen gaan nog wel. Maar de ingewikkelde gezangen en dansen, die vergen oefening en die kan niemand meer."

Het grijpt Pak Sogan zo aan dat hij even moet huilen. De andere twee mannen die de gezangen nog konden zijn inmiddels gestorven. Hij is als enige over, terwijl er altijd meerdere mensen nodig zijn voor een uitvoering. Het geeft hem een overweldigend gevoel van verlies. 

Net als Pak Stefanus in Lewoloba legt hij uit waar elk gezang voor dient. Het is heel duidelijk dat ze hun relevantie hebben verloren. Vanaf 1965 werden de gezangen en inwijdingsrituelen steeds minder gepraktiseerd, vertelt hij. Ik verbind dat in mijn hoofd met het begin van de Orde Baru, het regime van Suharto die als marionet van de VS elk links geluid in Indonesië met grove mensenrechtenschendingen de kop in drukte in ruil voor de modernisering van landbouw en industrie vanuit de VS. Kleinschalige landbouw werd onrendabel en overbodig. Het is begrijpelijk dat de rituelen die daarbij hoorden ook steeds minder relevantie kregen. Het is des te ironischer dat Pak Sogan zijn zoon Suharto heeft genoemd. 

Het is een waarheid die Kunst al anticipeerde. Hij schreef in de jaren 1920 en 1930 al dat ie een eeuw te laat was gekomen. Dat alles vermalen en vergruzeld werd tussen de vernietigende kaken van wereldwijde industrialisatie, schaalvergroting en verstedelijking. Het is de waarheid waar ook ik mee grootgebracht ben, en waarin ik lang vurig heb geloofd: dat gevoel van verlies, van nostalgie ook, naar een verleden waarvan we als westerse bezoekers de restjes meekrijgen als exotische relikwieën van verschil met ons eigen verleden. Het is ook het narratief van mijn Franse collega, met wie Pak Sogan jaren intensief heeft samengewerkt, een samenwerking waarin dat verlies nog eens werd bevestigd door de apathie van de huidige generatie en de instituties. 

Maar die waarheid heeft zijn eigen problemen en zijn eigen geweld. "Het lijkt alsof jouw collega alle hoop heeft omgebracht" zei Om Dus in de auto terug, en ik had het zelf niet beter kunnen zeggen. Alsof de identiteit van een gemeenschap alleen afhangt van gezangen die uniek klinken in de oren van Europeanen zoals Kunst, mijn Franse collega en ik. Alsof die identiteit en eigenwaarde niet ook gevormd en ontwikkeld kunnen worden in Florinese reggae en hiphop-battles in lokale talen. Het is een heel eenkennig, puristisch en singulair narratief en mede omdat ik er zelf zo vurig in geloofd heb, maakt het me nu boos.  

Vanmiddag gaan we terug naar Waibao om met andere mensen van de gemeenschap te praten, en te doen waarvoor ik gekomen ben: de nazaten vinden van degenen die op de opnames uit 1930 zingen. Wat zij met die opnames willen doen is aan hen, niet aan mij. 

Woensdag - Riangkroko

Een groot deel van de weg naar Riangkroko is ongeasfalteerd. Dat betekent dat je er in de regentijd (van november tot april) helemaal niet kunt komen met een auto zonder vierwielaandrijving - je komt in een mum van tijd met rondspinnende wielen vast te zitten in de modder. Nu, in de droge tijd, kan het wel, maar alleen minder dan stapvoets om een auto met vijf Indonesiërs en één zware Belanda niet te beschadigen op de hobbels, kuilen en stenen. Na zonsondergang is deze weg (zonder verlichting) sowieso niet begaanbaar. 

Ik was de dag koortsig begonnen, en die wordt doorgaans hoger naarmate de dag vordert, maar zodra we in de auto zaten, op weg naar avontuur knapte ik al weer op. De koorts zakte, de watten in mijn kop verdwenen. Ik kon weer een beetje in het Indonesisch uit mijn woorden komen. En het was weer dolgezellig in de auto met dansende Florinese popmuziek waarbij iedereen luidkeels meezong. Raampjes open, zwaaiende mensen buiten. "Ik voel me de Koningin" probeerde ik. "De Nederlandse Koningin!" gierde iedereen, en daar hebben we de hele rit plezier van gehad. 

Kunst heeft volgens zijn eigen administratie drie liederen opgenomen in Riangkroko, op één wasrol. En ik ben het met Kunst en mijn Franse collega eens: vanuit Europees perspectief is dit waanzinnig unieke muziek. Twee zangers zingen in parallelle secunden, op een ritme dat deels gepuncteerd is en deels ook interlocking (de zangers vullen elkaar aan in het opzetten van het ritme). Het is een tandak-gezang (en ik snap nu wat mijn vader bedoelde als hij mijn adhd-broertje weer eens tot rust maande: "Jongen, houd eens op met tandakken!". De tandak wordt volgens velen die ik hier spreek in heel Tanjungbunga gepraktiseerd, nog steeds, en heeft een hypnotiserende werking van continue beweging. 

Toen we na veel gehobbel aankwamen in Riangkroko was er eerst een probleem op te lossen. Men had ons gistermiddag verwacht, maar toen waren we druk met Pak Sogan in Waibao en Om Willem had niet laten weten dat we Riangkroko niet meer zouden kunnen halen voor het donker. Ze hadden voor niets zitten wachten en waren daar zichtbaar ontstemd over. 

Om Dus gleed het strak. Hij erkende ruiterlijk dat dit onze fout was en begon toen op fluistertoon een gesprek met de burgemeester. Ik vond eerst nog dat ik het moest volgen om verantwoordelijkheid te nemen voor de gang van zaken, maar het was spoedig duidelijk dat de fluistertoon tot doel had dat de conversatie alleen Om Dus en de burgemeester betrof. Ik weet dus niet wat er besproken is, maar na afloop zei Om Dus dat hij ze doodleuk een ultimatum had gesteld (terwijl wij fout zaten - ik had dat nooit gedurfd): deze mevrouw is helemaal uit Nederland gekomen om iets te delen met jullie. We kunnen dat nu doen, of niet. Dan gaan we nu weer. Kies maar. 

Vanaf toen was alles in orde. Ik werd met alle egards behandeld, er werd een projector voor de powerpointpresentatie opgetrommeld. Iemand ging op een brommertje koffie en vers gemaakte snacks halen en er ontspon zich een levendige discussie over de opgenomen muziek. Heel anders dan in Waibao verklaarde men hier (en ik kan het niet toetsen, het kan grootspraak zijn) dat de gezangen nog steeds zo worden gezongen: voor het oogstseizoen, voor het inzegenen van een huis, voor huwelijken en uitvaarten. Tandak is een levendige praktijk, dat hoor ik ook van andere bronnen. 

Ook hier bleek weer dat de annotaties van het verzamelde materiaal niet kloppen. Kunst noemt titels  van drie liederen op deze wasrol. Alle toehoorders waren duidelijk over het feit dat alleen de eerste te horen is op de opname. Waar de andere twee zijn is onduidelijk. Ik heb er weer een speurtocht bij.  

Toen betrad een kwieke zestiger het gemeentehuis. Hij had een telefoontje gehad van één van de aanwezigen die de naam van de zangers op mijn powerpointpresentatie had gezien: Merien en Golo. De afstammelingen van Golo zijn allemaal gestorven, wist iedereen, maar Merien heeft een kleinzoon die ook Merien heet. Die kwam nu binnen. We beluisterden de opname opnieuw. 

Dida vroeg aan iedereen, en aan Merien in het bijzonder, wat ze voelden toen ze de opnamen hoorden. "Merinding", zeiden ze allemaal: ik krijg er kippenvel van. Het is alsof er een enorme energie van de opgenomen klanken uitgaat, zeiden ze, die enerzijds hypnotiserend is, maar die ons ook bijna laat huilen (hampir sampai nangis). Ook spraken ze over een enorme trots die ze voelden. 

Het voelt als een enorme bevestiging van hun eigen cultuur dat iemand uit Nederland de moeite neemt voor dit ene lied naar Riangkroko af te reizen. Nederland kennen ze allemaal. Bijna iedereen heeft er wel een paar (verre) familieleden wonen. Dat is het geval in de hele provincie Nusa Tenggara Timur, waar mensen, net als in de Molukken, tijdens de dekolonisatieoorlog net zo vaak aan Nederlandse kant vochten als aan Republikeins-Indonesische. Maar met die ene hobbelige weg is het al een enorme onderneming om vanuit Riangkroko het volgende dorp te bereiken, laat staan de regionale hoofdstad Larantuka of provinciehoofdstad Kupang. Die steden zijn ont-zet-tend ver weg van hier. De meeste mensen uit Riangkroko zijn er nog nooit geweest en zullen er nooit komen. Nederland is dan bijna niet voor te stellen, behalve dan via die familieleden en dat gezamenlijke verleden. Zo was mijn bezoek op zoveel fronten betekenisvol.  



woensdag 5 augustus 2026

Brevier

En toen... na uren stapvoets over half geasfalteerde weggetjes en steile hellingen omhoog met spectaculaire uitzichten...





... zit ik nu in het trappistenklooster Lamanabi, met Cisterziënzer monniken van de strikte observantie, in echte pijen en soms een kap over hun hoofd. Niet een handvol oude mannetjes die wachten op hun laatste uur, maar een levendige gemeenschap met een twintigtal jongelingen, die ik mag aanspreken met Bapak Pater of Frater. Ze zijn opgeleid in Rome.



Er is een strak brevier in het klooster met Metten, Lauden, Terts, Sext, None, Vespers en Completen op vaste momenten in de dag. Gasten worden uitgenodigd om mee te bidden. Ik wil wel, maar ik durf niet zo goed. Van ver hoor ik de monniken uit de kerk Gregoriaans zingen. 

Het is een onwerkelijke rust die past bij deze orde die contemplatie en handenarbeid voorop heeft staan. Achter het klooster is een moestuin. Gasten houden zelf hun kamer schoon en wassen hun eigen bordjes af. De maaltijden worden gezamenlijk genoten op voorgeschreven tijden. Het eten is heel eenvoudig: rijst, groente en een beetje vis of kip, maar erg, erg lekker en vers. Bovenop de heuvel horen we alleen de krekels, de roep van de tokeh, af en toe een haan, en die prachtige flarden Gregoriaans. 

Ik vind het hier heerlijk.

Ik heb in Larantuka een griepje/verkoudheid opgelopen. Ik voelde me 's ochtends nog kiplekker, maar Indonesisch spreken ging moeilijk. Niet genoeg brainpower om op een normaal tempo mijn gedachten in die taal om te zetten. En 's middags sloeg het toe, in een bijeenkomst met dorpsoudsten in Lewoloba, die ook nog aan één stuk door zaten te roken. Mijn slijmvliezen kwamen in opstand. Ik voelde de verhoging, zelfs in de tropische lucht. 

Ik heb mezelf door de dag heen getrokken, en ik ben dolblij met het team. Ze hebben me nu zo vaak mijn verhaal horen afdraaien dat ze het zelf kunnen en natuurlijk met eloquenter taalgebruik dan ik. Dus ze hielpen me, deden het woord, vroegen door, namen alles op op film zodat we het later terug kunnen kijken. 

Het is vervelend om ziek te zijn, maar ik kan me er ook aan overgeven. Het is opvallend dat ik geen enkel long-covidverschijnsel heb. Meestal laaien tinnitus en tremoren in dit soort omstandigheden op, maar nu niet. 

Vanochtend gaan we nog even naar Riangkroko waar Kunst opnamen maakte. Daarna hebben we anderhalve dag rust in het klooster ingepland zodat ik kan herstellen en we de verzamelde gegevens op systematische wijze kunnen verwerken. Over dat onderzoek, dat dankzij mijn team dus nauwelijks hinder ondervindt van mijn verkoudheid, kan ik wel tien blogs schrijven. Dat ga ik de komende dagen ook doen. 

Ik ben vooral zo blij met de stilte: geen disco, geen karaoke, geen buur die om half twee 's nachts besluit de geluidsinstallatie even op volle sterkte uit te testen, geen honderdduizend brommertjes die zich door één smalle weg heen persen, geen "hello mister!!"s en kinderen die aan je armen trekken en met je op de foto willen. Ik geloof dat mijn brein en mijn wezen zo werkt: focus, contemplatie, niet teveel prikkels tegelijk, daar gedij ik het beste bij. Perfecte omstandigheden voor herstel. 

maandag 3 augustus 2026

Bruggen bouwen

Het lijkt nu alsof ik zelf zo even bij de Kathedraal van Larantuka op de deur klop en meteen met open armen wordt ontvangen. Maar dat is maar voor een heel klein deel mijn verdienste. 

Sinds ik meer dan twee jaar uit de running ben geweest door ziekte, leef ik meer in het nu. En ik ben me er beter van bewust dat ik niet mijn hele leven lang achterop een brommertje door Indonesië kan blijven crossen. Dat houdt een keer op, en ik ben al boven de 50. Dus ik heb wat spaargeld naar het IRGSC gesluisd. Ik kan nu nog wat met dat spaargeld doen. Over 10 jaar misschien niet meer. Dan kan ik er alleen maar op zitten. En dat is saai.

Voor die transactie heb ik nu van Elcid een heel team van het IRGSC meegekregen om me te assisteren bij het restitutieproces op Flores, jonge enthousiaste mensen, afgestudeerde twintigers, misschien net dertig. Dida, een architect die onderzoek heeft gedaan in Flores, regelt alle contacten. Inri, die gezondheidsprogramma's opzet, regelt de financiën, en nog veel meer. Goran, een civiel ingenieur, filmt alles zodat de restitutie goed gedocumenteerd is. 

Ik had daar aanvankelijk wat weerstand tegen. Het is een potentieel koloniale werkwijze zoals o.a. Kunst die ontwikkeld heeft en die door generaties westerse antropologen en etnomusicologen is herhaald, vaak met een heel uitbuitend karakter, grof gezegd: de lokale assistenten doen het werk, de westerse wetenschapper publiceert het en krijgt de credits. 

En er zit ook een persoonlijk dimensie aan: ik ben gewend alles, maar dan ook alles, alleen te beslissen, te regelen en uit te voeren. Dat laatste is niet helemaal waar, trouwens. In Zuid-Afrika werkte ik ook met lokale mensen zonder wier hulp ik nooit had kunnen doen wat ik heb gedaan: de juiste mensen vinden, tolken, de informatie verwerken en interpreteren. Maar ik huurde hun diensten alleen in als ik dat zelf nodig vond, betaalde ervoor en vermeldde hun werk in mijn publicaties.

En dan komen we meteen bij de crux. Zonder lokale mensen is het soort onderzoek dat ik doe helemaal niet te doen. Mensen praten niet tegen een witte die zomaar even binnen komt lopen. Wat ik te horen kreeg in Zuid-Afrika begreep ik soms pas jaaaaren later na ongelooflijk veel uitleg van vrienden en collega's van daar.

Dus nu ben ik op stap met Dida en Inri, en Goran arriveert hopelijk straks, als de vulkaan en de wind het toelaten. Ik moet er aan wennen, want ik moet van hun te horen krijgen wanneer de volgende afspraak met leden van welke gemeenschap gepland is. Ik heb niet altijd alle namen van mogelijke contactpersonen op een rijtje, want zij onderhouden de contacten. Ze informeren me uitstekend, maar het internaliseren van de informatie werkt anders in mijn brein omdat ik niet zelf alle stapjes doorloop.

Het is een goede oefening in loslaten want wat zij doen kan ik helemaal niet zo goed als zij het doen: de juiste mensen vinden, de toffe logeeradressen vinden, een goeie chauffeur vinden, vertrouwen winnen, op het juiste moment met de juiste woorden doorvragen. Ik had die confrères van de kerk nooit in mijn eentje durven en kunnen benaderen; met ons drieën waren we zo binnen. Teamwork.  

En in heb ongelooflijk veel plezier met ze. Het is leuk om met ons drieën en straks met ons vieren op stap te zijn. Zojuist vertelde ik Inri over dit blogje (ze lezen sowieso mee, want dat kan tegenwoordig met één druk op de knop van google translate) en ze zei: het maakt me eigenlijk niet uit, ik vind het gewoon heel erg leuk om op reis te zijn, net als jij. 

Desalniettemin hadden ze wel oren naar de mogelijkheid om de resultaten samen te publiceren. Wat ik voor ogen heb - en ik weet niet of het lukt - is dat we alle vier bruggen en bruggenbouwers kunnen zijn tussen het geluids-, film- en fotomateriaal uit de koloniale tijd dat in Amsterdam ligt en de mogelijkheden van gemeenschappen hier om daar wat mee te doen als ze dat willen, wat of wie die gemeenschappen dan nu ook mogen zijn. Dat vergt in eerste instanties het opbouwen en onderhouden van relaties, en dat kun je het beste samen doen. Dat heb ik de afgelopen dagen geleerd. 

Inri, Dida & Barbara vertrekken vanuit Kupang


Voor de Kathedrale Kerk van de Heilige Rozenkrans in Larantuka


Barbara, Dida & Inri


Lopend met Dida op weg naar de ochtendmis in de Kathedraal

Inri, Dida, Goran, Barbara 


zondag 2 augustus 2026

Offos

Larantuka is een klein katholiek stadje in Oost Flores op een landstrook tussen de (slapende) vulkaan Ile Mandiri en de zee. Aan de overkant van de zee ligt het eiland Adonara, met al even sprookjesachtige bossen op de heuvels als op Flores. 


Op de strook tussen vulkaan en zee loopt één provinciale weg met vrolijk heen en weer hobbelende bemo's/minibusjes die mensen oppikken en afzetten langs dat kilometerslange lintstadje. Dat zijn echt rijdende superdisco's met gigantische geluidsinstallaties erin gemonteerd. Soms gaan de chauffeurs zodanig op in de reggae dat ze op het reggaeritme remmen en weer optrekken. Ze laten het busje dansen op de weg. Sowieso kom je er altijd wagenziek weer uit, maar je wordt er ook heel blij van. 

Die ene weg splitst zich bij genoeg ruimte tussen zee en berg soms in tweeën, en op één punt zelfs in drieën. Daar staat de Kathedrale Kerk van de Heilige Rozenkrans (zelfde naam als op Curaçao, vertelt AI mij, al komt de naam hier van de Portugezen: Reinha Rosari). 



Vanochtend zijn we naar de vroege ochtendmis geweest, om 6 uur. Ik ga nu weer bijkans elke week ter kerke. Er zaten 300 mensen in de kerk in een stad van 40.000 inwoners. Ik heb ze geteld tijdens de preek. En dat was alleen de vroege dienst. Om 08.00 uur in de ochtend is er nog één, en om 17.00 uur nóg één. Kom daar in Europa eens om.  

De Portugese invloeden zijn hier heel oud, uit de zestiende eeuw, de tijd van Tomas Luis de Vittoria en Carlo Gesualdo (Portugese componisten van die tijd weet ik even niet). Lang voor de Belanda's hier hun grote hoofd om de hoek kwamen steken in elk geval.

Ik ben hier op doorreis naar Tanjungbunga en Lewoloba waar Jaap Kunst lokale muziek heeft opgenomen. En bij toeval blijkt er in de stad Larantuka (dat immers stedelijk gebied is, dus Kunst had daar geen enkele interesse in - steden waren naar zijn idee sowieso niet "authentiek") iets heel bijzonders te zijn.

Kunst heeft op het hele eiland Flores verschillende uitvoeringen van het responsorium O Vos Omnes opgenomen. In Sikka, Lewoloba en klaarblijkelijk ook in Larantuka. Daar ben ik pas sinds een paar dagen achter, want de opname is niet als zodanig gelabeld in de collectie (de annotaties stikken van de fouten, zo merk ik elke dag in overleg met mensen die de muziek wel begrijpen).  

De speurtocht naar de herkomst van deze opname begon vorig jaar bij iemand in Kupang die me vertelde dat de aanduiding Bajawa (een ander volk op Flores) voor het opgenomen lied niet klopt en dat deze muziek hoogstwaarschijnlijk Lamaholot is, het volk dat hier in Oost Flores, op Solor en Adonara woont. Dit jaar werd dat bevestigd door twee leden van deze gemeenschap en zij zongen meteen allebei mee. Dit is het O Vos Omnes (dat hier uitgesproken wordt als Offos - daar moest ik even aan wennen) en deze versie komt waarschijnlijk uit Larantuka, het centrum van Portugees katholicisme.

Het is een Portugese melodie, op Latijnse tekst. "Portugees relict" schrijft Kunst zuinigjes bij de opnamen van het responsorium die hij in andere delen van Flores maakte. Hij vond het niet interessant want het was niet "puur" van hier, volgens hem, in volstrekte ontkenning van de geleefde culturele realiteit van die tijd. Maar hij heeft de melodie kennelijk wel opgenomen, tot drie keer toe. Het trok toch zijn aandacht. De opname van het O Vos uit Lewoloba is verloren gegaan, die uit Sikka is exact dezelfde melodie als deze uit Larantuka, maar met een andere zangtechniek.

De melodie lijkt in niets op het Gregoriaanse gezang met dezelfde tekst, dezelfde lamenterende functie in de Goede Week voor Pasen. De Gregoriaanse versie is als bron gebruikt door Vittoria en Gesualdo voor hun magistrale zettingen van O Vos Omnes. Dus deze "Portugese melodie" is waarschijnlijk in Portugal, onderweg naar hier en hier gevormd, al 5 eeuwen geleden. Hartstikke inheems dus, zelfs in de puristische opvatting van Kunst. De versie die nu gezongen wordt, is enorm stabiel, vertelt iedereen me. De opname uit 1930 van Kunst is precies zoals de melodie nu nog in de Goede Week wordt gezongen, in de processie op Goede Vrijdag (Jumat Agung). En hij is ook precies dezelfde als die Kunst in Sikka opnam, zo'n 100 km verderop.  

Tot op de dag van vandaag is er jaarlijks een strenge selectieprocedure in een auditie die openstaat voor iedereen: om solo het O Vos Omnes in de processie van Goede Vrijdag te zingen. Er wordt een enorm belang aan gehecht, niet alleen binnen de kerkgemeenschap die bestaat uit een Confreria die de vijf Kapela's in de omgeving van de kathedraal verenigen, maar voor iedereen, want iedereen mag zich opgeven. En als iemand verkozen wordt om te zingen is dat een enorme eer. Mensen hebben het er generaties laten nog over: mijn moeder, mijn oma is een keer verkozen om te zingen. "Ze heeft Offos gedaan." Nu zijn het uitsluitend vrouwen die het mogen doen. Maar vroeger waren het ook mannen. Ik denk dat de zanger op Kunsts opname een man is.

De confrères van de kerk zijn ontzettend blij dat ik de opname kom laten horen. En weer voel ik dat er iets gebeurt als deze oude krakerige opnames worden afgespeeld voor mensen die zich verbonden voelen met de klanken en ze kunnen duiden. Deze traditie hoeft niet gereactiveerd te worden; ze is springlevend, maar de hervonden verbondenheid met het verleden is voor iedereen ontroerend. Zelfs met vertegenwoordigers van die wereldwijde criminele organisatie voel ik hoe relaties zich door die klinkende objecten heen opnieuw vormen.

Komende dinsdag ga ik er samen met de confrères rustig naar luisteren, en wellicht hebben ze nog ergens een lijst liggen met een naam wie het Offos in 1930 mocht zingen... Blijven speuren. 





maandag 27 juli 2026

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu ruim 25 jaar geleden. En in de kerk zingen betekent in zekere zin ook voorgaan in de dienst, wat een beetje eigenaardig was voor iemand die totaal en principieel atheïstisch is opgevoed.

Ik werd van atheïst dan ook al snel een agnost, en dat ben ik nog steeds, "geloof" ik, al weet ik het ook niet precies. Het Onze Vader ken ik nog steeds uit mijn hoofd in het Engels, niet in het Nederlands.

Terug in Nederland zong ik af en toe mee met de Domcantorij in de Utrechtse Dom van de PKN, waar de koorleden tijdens de preek De Groene Amsterdammer zitten te lezen in hun koormap. Voelde ik me ook erg thuis. 

Toen ik een relatie had met Mageshen in Zuid-Afrika ging ik elke week mee naar de evangelical church in Durban. Het was vooral heel gezellig, met veel jonge mensen van allerlei culturele achtergronden, eindelijk samen in één ruimte na eeuwen kolonialisme en decennia apartheid. En toffe swingende muziek.

En een absoluut hoogtepunt in mijn kerkgaande bestaan was de waanzinnige paasdienst in een Afro-Amerikaanse kerk in een grote loods in Los Angeles, ook samen met Mageshen, die daar zijn doctoraat in Music afrondde. Het dak vloog eraf, allemaal van de vreugde in da Lorrrrdd. Die zang, die overgave, die kracht van de gospel die door onze belichaamde muzikale gezamenlijkheid vorm kreeg. Ik word er nog blij van als ik er aan denk.

En dan was ik vorig jaar in dat onooglijke kamertje als kerk in Jakarta waar ik de lutherse Niassers volgde in hun aanroeping van de Heer. Overal voel ik het spanningsveld: ik vind het fijn in de kerk (waarschijnlijk omdat ik altijd alleen maar ben gegaan als ik er zin in had), maar ik voel ook steeds dat ik er niet bij hoor, en dat wíl ik ook niet. Ter kerke gaan leidt bij mij altijd tot vervreemding, vooral omdat juist mijn medekerkgangers buiten Europa (Afrika, Azië, Afro-Amerika) er voetstoots van uitgaan dat ik wel deel van deze van oorsprong Europese kerkgemeenschappen ben. En dan heb ik iets uit te leggen...

Maar toen Elcid zondag vroeg of ik meewilde naar de vesperdienst aarzelde ik geen moment. Elcid is een uitgesproken marxist en eigenlijk ook een anarchist, zegt hij zelf. Hij is de belichaming van het feit dat de aanname van mijn ouders dat gelovige mensen niet kritisch kunnen denken niet klopt. Hij is devoot katholiek en een ongelooflijk kritische activist. Die activistische katholieken zijn er in Nederland overigens ook, al weet ik niet hoeveel er daar nog van over zijn. Hier is het katholicisme in elk geval alive and kicking. 

Maar de vervreemding blijft voor mij: hoe kun je zo vol overgave deel zijn van een instituut dat zich - net als de VOC, maar die bestaat niet meer - toch min of meer als een wereldwijde criminele organisatie heeft opgesteld (sorry, katholieken!), zeker als je daar de historische misdaden tegen de menselijkheid bij optelt die niet alleen uit naam, maar met actieve inzet van dit instituut zijn begaan, eeuwen en eeuwen lang, overal ter wereld. Het geloven en de overgave zijn niet het probleem voor mij (er schijnt empirisch wetenschappelijk onderzoek te zijn dat gelovige mensen die hun lot in iets kunnen leggen dat groter is dan zijzelf, langer en gezonder leven, en ik kan me daar iets bij voorstellen), maar wel de associatie met de organisatie.

Maar het was fijn in de kerk. Een eenvoudig stenen gebouw met een golfplaten dak erop, met heiligenbeeldjes aan de muur en natuurlijk de kruisgang. Een volle kerk ook, met veel jonge mensen. Ik samen met Elcid en zijn dochtertje van een jaar of 8 in een prachtig jurkje, allemaal op ons zondags gekleed. Elcid had dat kledingvoorschrift nog even benadrukt toen hij me uitnodigde. Het samen bidden, respect betuigen, ook naar elkaar. De heiligheid van het moment waarop het brood tot het lichaam van Christus wordt verklaard en de wijn tot zijn bloed. Het koor dat echt goed zong (goed geprojecteerd en zuiver) met een uitstekende vrouwelijke dirigent ervoor. De preek vol grapjes waar iedereen om moest lachen en die ik niet begreep, maar dat gaf niet. 

Ik werd ook onmiddellijk en bijna tot tranen toe teruggebracht naar mijn vorige katholieke kerkdienst, nog maar kort geleden in het klooster van Steinfeld in de Duitse Eifel. Daar hebben we in juni als vrienden en familie van Koert zijn as uitgestrooid, met veel liefde en veel verdriet, waarna Bregje en ik de vesperdienst op zaterdagavond in het klooster bijwoonden. Dat was ook een behoorlijk volle kerk trouwens.

Alle misdaden tegen de menselijkheid ten spijt, de katholieke rituelen oefenen zoveel aantrekkingskracht uit, ook op mij. Dezelfde orde van dienst (met psalmen en het Magnificat) beleefde ik nauwelijks meer dan een maand geleden in het Duits in Duitsland en nu in dezelfde formules, met dezelfde gewaden en kruisbeelden aan de andere kant van de wereld in het Indonesisch op Timor. En de muziek: meestal duidelijk van hier met dansstructuren die niet uit Europa komen (een prachtig voorbeeld van dat regionale muzikale katholicisme vind je hier), maar vaak genoeg ook Gregoriaans en zeker twee gezangen die ik ooit zelf gezongen heb. 

Het is een vorm van verbondenheid, die hier (en ook elders) met geweld is opgelegd, maar het is verbondenheid. Het katholieke geloof wordt in Timor, en nog meer in Flores, nu diep beleefd als iets eigens waarin je ook als kritische activist zingeving, rust en troost kan vinden. En als agnost een onmiddellijke culturele verbondenheid met andere plekken op de wereld: Oxford (the Mag and Nunc), Durban, Steinfeld. Dat is een ongelooflijk fenomeen. 

En door de opengewerkte muren hoorden we de azan binnenwaaien, de oproep tot gebed van de moskee, in overmatige secunden vriendelijk meanderend op de verkoelende wind. 

Praatjes

Praatjes. Praatjes. Praatjes. Ik heb er een heleboel. Ik weet niet zo goed of het waardevolle praatjes zijn, maar mensen in Yogya en in Kupang blijven me vragen praatjes te geven. Van de week ben ik genood bij de burgemeester van Kupang. Of ik hem ook even wil komen vertellen wat ik aan het doen ben. 


En op Flores (als we daar ooit komen, want de vulkaan Lewotobi Laki-Laki spuwt - as we speak - tot 1500m hoogte as de atmosfeer in - luchthavens dicht) is er in de stad Maumere ook weer een praatje gepland. Ze noemen dat hier workshop of talkshow, maar het is gewoon één richting op lullen. Ik heb bedacht dat ik mijn volgende praatje in de vorm van vragen aan het publiek ga gieten. Het moet maar eens afgelopen zijn met dat geouwehoer.

Want wat kom ik hier eigenlijk doen? Ik ben beperkt door mijn taalvaardigheid, dus de uitleg daarvan heeft nogal formulaïsche vormen aangenomen die dan wel weer handig tot een goed verteerbare eenduidige boodschap te maken zijn. Restitutie van koloniaal verzameld en gevormd erfgoed is niet in eerste instantie de teruggave van objecten (want zeker in het geval van geluidsopnamen zijn die objecten zelf koloniale constructies), maar het opbouwen en onderhouden van nieuwe relaties tussen al diegenen die op een of andere manier verbonden zijn met dit materiaal: nazaten van de zangers wier stemmen ooit werden opgenomen, vertegenwoordigers van de gemeenschap (en welke gemeenschap dan?), overheidsinstellingen, musea en ikzelf als curator. En die nieuwe relaties in het volle besef van hoe die mede gevormd zijn door de oude. 

Die riedel kan ik nu redelijk goed in het Indonesisch afdraaien, maar ik weet eigenlijk helemaal niet wat mensen hier op Timor en Flores als restitutie beschouwen en of ze er wel zin in hebben. Ik heb me voorgenomen dat ik daar vanaf nu explicieter naar ga vragen. 





Gehecht en onthecht

Zoals ik al zei was ik ontzettend blij dat ik al dit voorouderlijke spoorzoeken niet alleen hoefde te doen. Mijn broer als achtervanger die ...