maandag 30 juni 2025

Overdracht

Ik zou alle belevenissen van de afgelopen dagen nader beschrijven, maar intussen is er een ervaring bijgekomen minstens zoveel betekenis heeft als de voorgaande. Dus daarover ga ik eerst vertellen. Zoals mijn lieve schoonzusje zei: dit is iets waar je de rest van je leven van na kunt genieten. En zo is het ook.

Ik was moe, gistermorgen, na alle indrukken die ik in dit blog alleen nog maar benoemd heb. Mijn praatje aan de Universitas Nias Raya op zaterdag was welwillend ontvangen, maar ik worstelde ontzettend met de taal. Ik was toen pas 4 dagen hier. Veel woorden en idioom heb ik gewoon nog niet paraat. Ik had woorden opgezocht die ik nodig had, maar dat is niet genoeg om goed in het moment te kunnen spreken. En ik wil ook geen powerpoint oplezen.


Dus ik zag er een beetje tegenop gistermiddag weer te moeten spreken, notabene op de plek waar Jaap Kunst in april 1930 zijn opnamen maakte: op het plein voor het huis van de siulu (edelman) Barani. Dat huis is er nu niet meer, maar het plein nog wel, en er zijn plannen het huis te herbouwen. Duada (voorouder) Barani is legendarisch hier. Hij was degene die na decennia van zendingsdruk (zeg maar gerust chantage: militair, economisch, mentaal, emotioneel) van de Lutheraanse missie tegen de zendeling Eduard Fries zei: “ok, ik volg je in je geloof in Christus, maar ik zal mijn oude gebruiken niet verloochenen” (zoals de protestantse kerk eiste). Die uitspraak staat nog steeds in de Niasse taal op de plek waar zijn huis herbouwd moet worden, om iedereen te herinneren aan de mentale kracht van deze voorouder. 


Doni en ik hadden deze ceremonie goed voorbereid. Die was bedoeld als symbolische overdracht, aan enkele ambtenaren (het gemeentebestuur van Hilisimaetanö en de provinciebestuurder van Zuid-Nias), maar vooral aan de nazaten van degenen wier stemmen Kunst in 1930 opnam. Geen bobo’s maar inwoners van Hilisimaetanö. Het moet niet terug naar overheden en musea, hadden Doni en ik besloten, maar naar de mensen die een directe binding hebben met dit repertoire: de halaman kampung (het dorpserf).

De geluidsbestanden staan nu allemaal op het internet, maar de gemiddelde inwoner van Zuid-Nias kan daar niet zomaar bij, ook als ze een internetadres hebben. Er is niet altijd internet en als het er is, is het signaal zwak. Je wil niet weten hoeveel tijd het me kost om die paar foto’s voor mijn blog te uploaden. Dat was in Timor ook zo, en in Yogya ook nog af en toe. Geluidsbestanden beluisteren via het internet is dan echt geen doen.

Dus ik had USB-sticks (die op een computer en een android-telefoon kunnen) gevuld met alle geluidsbestanden uit Nias (ongeveer 50), geordend per dorp, alle foto’s (enkele tientallen, geschoten door Rudolf Bonnet) en zwijgende film van Niasse krijgsdansen. Doni had een prachtig doosje ontworpen, met Suara yang Pulang erop, en een klein tekstblaadje met basisinformatie over de opnames, waarin de USB-stick past. Enkele tientallen exemplaren van dat doosje zouden we overhandigen.


Maar allereerst moest ik natuurlijk iets zeggen. Iedereen moest iets zeggen. Ik word altijd best zenuwachtig van die strakke regie van Indonesische upacara: ook aan de universiteit zijn symposia en discussies altijd overladen met etiquette, met eerbetuigingen, met uitgebreide uitwisselingen van geschenken en prijzingen. Voor je het weet vergeet je iemand. En iedereen moet opkomen in de juiste volgorde van belangrijkheid. Waaaaahhh.

Dus ik maakte aantekeningen: wie neemt het woord om mij welkom te heten, wat is de functie van die persoon, die moet ik straks uitvoerig terugbedanken, met de juiste titulatuur. Het provinciehoofd sprak, de burgemeester, de afgelopen vrijdag nieuw geïnstalleerde balö siulu (dorpshoofd), de kleinzoon van duada Jofu die op de opnamen van Kunst zingt. Er waren zo’n 60 of 70 mensen, allen uit het dorp. In een wijdere cirkel staken af en toe kindertjes hun hoofd om de hoek als we een opname afspeelden. Ik denk dat er in totaal wel 100 mensen een kijkje kwamen nemen.


Maar het praten ging makkelijker omdat ik me ondanks mijn zenuwen voornam om de tijd te nemen, tijd nemen voor alles, dat deden mijn medesprekers ook. Mensen uitvoerig bedanken, vertellen wat mijn verbintenis is met Indonesië, dat ik voor het eerst in Nias ben, wat een mooi eiland het is, hoe welkom ik me voel (en dat kon ik vol overtuiging zeggen, want het is waar), vertellen hoe het project Suara yang Pulang tot stand is gekomen, vertellen wie Jaap Kunst was, wat een fonograaf was, en wasrollen. En ik liet natuurlijk een paar opnamen uit 1930 horen. Omdat ik in het moment kon zijn, kon ik met mijn beperkte talige middelen overbrengen wat ik wilde overbrengen. Dat voelde ontzettend goed.

Na mijn lezing tikte Doni op mijn schouder. Een oude vrouw was in tranen toen ze de opnames van de stemmen van haar voorouders hoorde die ik afspeelde. De voorouders leven hier (net als elders overigens) voort door wat ze ooit hebben gezegd en gedaan, zoals duada Barani. Daarom is het zo wreed dat de protestantse zendelingen eisten dat juist de voorouderbeelden uit de huizen verwijderd en vernietigd moesten worden om door de poorten van de hemel te kunnen. Ondanks het feit dat iedereen hier nu vurig gelooft in Tuhan Yesus Kristus, en op zondag vol overtuiging psalmen zingt, raakte het iedereen diep om dan nu de stemmen van diezelfde voorouders te horen met traditionele hoho. Ook ikzelf was bijna in tranen.  

En toen was het moment aangebroken om de mooie doosjes met USB-sticks te overhandigen. Ook dat was een ritueel, met etiquette, op een podium, en het noemen van namen en titels, en met de emotionele lading die we allemaal voelden. Ik moest de honneurs waarnemen, vond Doni. Elke nog levende nazaat van duada Barani, duada Jofu, duada Moni, duada Aluwi, duada Nifoata, duada Na’auwi, duada Gaö, duada Samasana – alle zangers die Kunst in 1930 opnam – overhandigde ik zo’n doosje. 



Ik drukte hun hand na de overhandiging, zachtjes, niet knijpen, en dan breng je de hand waarmee je de ander z’n hand hebt gedrukt naar je hart. Ik voelde hoe hun handen anders zijn dan mijn handen: gespierde vingers, lagen eelt, verkruimelde nagels. Deze mensen werken dag-in-dag-uit op het land, in de aarde. Mijn vingers raken alleen toetsenborden en af en toe een pen aan. Ik realiseerde me hoe weinig mensen ik in mijn leven de hand heb gedrukt wier handen zo voelen – ook niet in Indonesië. Ik leef in mijn urbane bubbel, en hier in het dorp, waar ik nu al 5 dagen opgenomen ben, leef ik voor het eerst een beetje samen met mensen buiten die bubbel. Daar kan ik ook nog wel een blogje over schrijven. 

zaterdag 28 juni 2025

Activiteitenlijst


Ik houd niet zo van "en toen..., en toen..., en toen..."-blogjes. Een opsomming van wat je vandaag gedaan hebt is saai. Liever kies ik een thema (ongetrouwd zijn in een patriarchale samenleving, bijvoorbeeld, of ervaringen van stilte) waar ik dan wat activiteiten van een dag omheen kan schrijven. 

Maar afgezien van het feit dat ik de meeste van dat soort thema's al gehad heb in 12 jaar bloggen over Indonesië en 11 jaar bloggen over Zuid-Afrika maak ik hier zoveel mee dat ik voor elke dag minstens drie blogjes nodig heb, en omdat de dagen zo vol zitten heb ik geen tijd om ze te schrijven.

Toch maar even een opsomming dan; ik schrijf die blogs ook om het voor mezelf allemaal een beetje te verwerken. 

Vanmiddag (zaterdag!) gaf ik een gastcollege aan de Universitas Nias Raya (UNIRAYA); vanochtend ging ik (heerlijk zonder helm) hobbeldebobbel achterop de brommer van Bung Nove (de gastheer van onze homestay) door de rijstvelden naar de wekelijkse dorpsmarkt. 

Gisterenavond was ik samen met Rani (die in ons project Re:Sound gaat promoveren op de Jaap Kunst Collectie) bij de repetitie van zes Hilisimaetanöers op leeftijd die traditionele hoho zingen; gistermiddag gaf ik samen met mijn collega Doni een interview (in het Indonesisch!) voor de regionale omroep over ons project Suara yang Pulang. En gisterochtend was ik getuige van een zeldzame ceremonie waarbij er een nieuw balö jiulu (dorpshoofd) geinstalleerd werd en lokale edelen (siulu) titels toebedeeld kregen. 

Om die gelegenheid luister bij te zetten werd op de avond daarvoor (dus donderdagavond) een orahua gehouden, een dorpsvergadering in klassieke Niasse taal waarbij alleen in parabels en metaforen gesproken wordt en elke uitspraak met een lange uitroep wordt van een ander wordt bevestigd. Niet religieus zoals Koert terecht opmerkte maar wel spiritueel, de voorouders spreken mee. Toen dat gaande was, was ik nog geen 24 uur in Hilisimaetanö. 

En dan heb ik nog niet genoemd dat er ook nog een bruiloft was beneden in het dorp met keiharde karaokemuziek tot 02.00 uur 's nachts (en morgen waarschijnlijk weer één), dat ik - zoals altijd - geen jetlag heb (ik doe daar gewoon niet aan), dat ik nu gewend ben aan het gordijntje tussen mijn slaapkamer en de rest van het huis als privacybewaker (je moet je er gewoon niet druk over maken), dat ik in Rani een fantastische reisgenoot en medeonderzoeker heb gevonden, dat ik niet meer zo opval met mijn lengte en mijn witheid midden in het dorp, waar je mekaar de hele tijd kan ruiken, zien en horen, dat ik de namen van de ontelbare aantallen kindertjes die hier rondlopen begin te leren (ze quizzen me er heel streng op: "en wat was haar naam? en die van hem?), en dat ik nu twee belangrijke Niasse frasen kan (Ya'ahowu - goeiendag, en Saohagölö - dankjewel)

Eric wilde meer foto's, dus die plaats ik hier en dan mag je zelf bekijken welke foto bij welke activiteit in het lijstje hoort. De komende dagen zal ik meer over die activiteiten vertellen. In hoeverre is de documentatie van de ervaring deel van de ervaring? Vast staat wel dat wat ik onderzoek ik zelf ook meemaak. 











donderdag 26 juni 2025

Zintuigen

Vanochtend ontbeet ik met ubi (zoete aardappel), heel lekker klaargemaakt met kaneel en iets tamarinde-achtigs tot een smakelijke warme pap. En verse koffie natuurlijk. Zo van de boom.

Ik ben in een totaal andere wereld terecht gekomen. Midden in het dorp Hilisimaetanö, in de heuvels van Zuid-Nias, bij mensen thuis in een heel oud houten huis met hoge daken. Mijn privacy is een gordijntje waarachter mijn matrasje op een verhoging ligt. Vanuit voor onderlinge strijd en warmte ontworpen vensters kijk ik op het eeuwenoude plein van het dorp waar alle huizen omheen liggen. Onder mijn kamer spelen kindertjes tikkertje en verstoppertje. Buren kletsen tot laat samen op een bankje.

Gisteravond viel de elektriciteit uit. Duisternis die je in heel Europa niet meer kan waarnemen denk ik. Ik zag vanuit mijn venster de contouren van het dorp. Ik hoorde de krekels en de kikkers. Op de tast vond ik mijn weg naar de wc. Ik hoorde één van mijn buren zachtjes snurken, en een hond blaffen. Zintuiglijke waarneming verandert in nieuwe omstandigheden, ook de mijne. Het is heerlijk om dat weer te kunnen voelen na meer dan twee jaar longcovid waarin mijn zintuiglijke systeem totaal ontregeld was.

Hilisimaetanö is idyllisch, en het is echt. Geen toerist te zien, iedereen doet zijn dagelijkse dingen, de kindertjes zitten heus ook op TikTok en Instagram, brommertjes rijden af en aan. Ik heb voor iedereen relatiegeschenken meegenomen uit Nederland en ik zie van de impact die dat heeft hoe ontzettend belangrijk dat is.

Na twee nachten met alleen af en toe hazenslaapjes kwamen Rani en ik gisteren met een propellervliegtuigje aan in het stadje Gunungsitoli. Doni had een auto geregeld en in een prachtige tocht van ongeveer 3 uur reden we naar Zuid-Nias. Ik kan me wel voorstellen waarom Jaap Kunst verliefd werd op Nias. De azuurblauwe zee, de heldere rivieren met schildpadden (en krokodillen!), de hobbelige boswegen waar de zon door de bladeren schijnt. Het is magisch. Het beantwoordt aan alle clichés van oosterse schoonheid. Maar het is zo mooi dat het helemaal niet voelt als een cliché.



We bezochten het oudste huis van het dorp, waar Doni de tentoonstelling over Jaap Kunst heeft opgezet. Ik ontmoette de nazaten van de mensen wier stemmen Kunst opnam in 1930. De gesprekken waren zoveel meer dan een uitwisseling van beleefdheden. We konden echt doordenken wat restitutie eigenlijk betekent en voor wie. Bertran, de zeventienjarige achterkleinzoon van duada Barani die op één van Kunsts opnamen te horen is, vertelde hoe hij kippenvel kreeg toen hij de stem van zijn overgrootvader hoorde. Wat gebeurt er in de ontmoeting van deze opgenomen geluiden en de lichamen van de mensen die er een verbinding mee hebben? Gisteravond konden we daar over praten.



Restitutie

Ik ga een geweldig avontuur tegemoet. Althans, dat denk ik. Morgen kom ik aan op het Indonesische eiland Nias. Ik ben er nog nooit geweest. 

Samen met mijn Niasse collega Doni en een promovendus uit Sumatra, die ook klankkunstenaar, sound producer, muziekinstrumentenbouwer en componist is, ga ik een dialoog opzetten, tussen de nazaten van hen wier stemmen Jaap Kunst in 1930 vastlegde in Zuid-Nias en de poortwachters (ik dus) van dit tot nu toe in Europa opgeslagen materiaal: tientallen geluidsopnames (op wasrollen, nu gedigitaliseerd), zwijgende film en tientallen foto’s. Het project heet Suara yang Pulang (Stemmen die naar huis terugkeren).

In navolging van een prachtig restitutieproject in Kupang, West-Timor (ruim 4.000 km oostelijker), vorig jaar september, werd ik zomaar uit het niets gemaild door ene Doni uit Nias. Hij had dit persbericht van de UvA over de restitutie gezien, en was toen op onze website beland waar bijna alle geluidsopnamen van Jaap Kunst online te vinden zijn. “Het is ongelooflijk” zei hij. “Ik hoorde op één van de opnamen mijn eigen overgrootvader zingen.” We hebben een uur zitten videobellen over hoe mooi het zou zijn als anderen in Nias ook kunnen kennismaken met dit materiaal. Het staat sinds een jaar online, maar niet iedereen weet het te vinden.

In maart kreeg ik een appje van hem. Hij was in Nederland met zijn vrouw. Op vakantie. Vind je het leuk om de rest van de collectie ook te zien? vroeg ik: de foto’s, de muziektranscripties, de etnografische rapporten. Die zijn nog niet gedigitaliseerd. 

Een hele middag hebben we in de bibliotheek van de UvA de foto’s zitten bekijken. Doni kon bij elke foto aan de hand van het patroon van de stenen in het centrale plein zien welk dorp het was: Hilisimaetanö, Bawömataluö, Hilibötödanö, Olayama. Ik schreef driftig mee. 

Na dat bezoek kreeg Doni een idee. Er is elk jaar in juni een folklorefestival op Nias, vertelde hij, met zang en dans en typisch regionaal eten, het Maniamölö Fest. Daar zouden we een tentoonstelling over dit materiaal kunnen organiseren, met gedigitaliseerde geluidsopnamen, gedigitaliseerde foto’s en zwijgende film met spectaculaire dansen. 

Jaap Kunst was een beetje verliefd op Nias. Op de melodieën en de ritmes van de muziek die hij er hoorde, maar ook op de natuur en de magnifieke adathuizen. Samen met de schilder Rudolf Bonnet reisde hij in april en mei 1930 dorp na dorp af om zogenaamde hoho op te nemen met zijn Amberola 50 fonograaf (zowel voor opnemen als afspelen). Intussen fotografeerde en schetste Bonnet de ene beeldschone jongeling na de andere. Hoho omvatten een soort verhalende zang met gedeelde voorouderlijke wijsheden. 

De Lutheraanse zending, die vanaf het midden van de 19de eeuw ongenadig huisgehouden heeft op het eiland (mensen moesten hun voorouderbeelden uit hun huizen verwijderen en vernietigen om door de poorten van de hemel te komen en door Christus in genade ontvangen te worden), heeft er alles aan gedaan de hoho uit te bannen. Maar het is ze lekker niet gelukt. Hoho worden nog steeds gezongen. Jaap Kunst was woedend op die zendelingen die de Niassers eindeloos psalmen lieten zingen. “Ik weet niet met wie ik meer medelijden moet hebben,” verzuchtte hij in één van zijn rapporten, “met die arme Niassers of met die arme Bach”. 

De zendelingen, Kunst, Bonnet, ze bouwden hun loopbanen in en op de kolonie. De kolonie was het materiaal, de grondstof waarmee ze hun werk konden doen en konden vormen: als natuurlijke hulpbronnen en arbeidskrachten maar ook als onderwerpen van schoonheid en fantasie, en van beschavingsoffensieven natuurlijk. Allen hadden ze toonaangevende posities in een koloniale samenleving en ze konden maar in beperkte mate reflecteren op de privileges die deze posities hen verschaften – net zoals wij straks door latere generaties aangesproken zullen worden op de klimaatcrisis, Gaza, de kippen en de varkens in de bio-industrie, de Oeigoeren en andere “stille” genocides waarover genoeg te vinden is, maar die we niet altijd durven benoemen. 

Want zelf ben ik ook totaal verstrengeld met die koloniale structuren. Als echte avonturiers bouwden mijn grootouders een bestaan op in de kolonie, eerst in de olie, later in het grondbezit. En nu verdien ik mijn brood met de ontmanteling van hun privileges, omdat ik zelf (nog steeds) ook zulke privileges geniet, inclusief een gedeeltelijke worteling in het land van onttrekking met bijbehorende talige en culturele verbintenissen, omdat ook ik er een aanzienlijk aantal kinderjaren heb doorgebracht.  

Maar die ontmanteling wordt in toenemende mate van meerdere zijden uitgevoerd. Dankzij Doni’s ongelooflijke inspanningen is het Maniamölö Fest nu in volle gang. Na zijn bezoek in maart nam hij digitale kopieën mee. Hij maakte banners met informatie over Jaap Kunst, over de opnametechniek op wasrollen. Hij instrueert jonge inwoners van de dorpen om als gids op te treden en zich dit erfgoed eigen te maken door anderen erover te vertellen. En het belangrijkste: hij laat de nazaten van hen wier stemmen Kunst in 1930 opnam, de opnamen horen. Ze zijn soms tot tranen toe geroerd. Altijd hadden ze de namen van hun voorouders gekend en over hen gehoord. Nu horen ze voor het eerst in bijna honderd jaar hun stemmen. 


In de ruimtes waaruit de voorouderbeelden ooit verwijderd moesten worden weerklinken opnieuw orahua (rituele recitaties). Ze liggen niet meer stilletjes opgeslagen op geluidsdragers in Europa maar worden onderwerp van discussie door mensen die deze klanken kunnen duiden. Waar Jaap Kunst nog net de namen van de zangers noteerde, maar ze als niet meer dan een “specimen” (zijn eigen formulering) beschouwde van een onveranderlijk en tijdloos “etnos”, daar worden deze mensen nu weer met hun geijkte voorouderlijke titels aangesproken. Ze krijgen hun persoonlijkheid terug omdat ze iemands voorouder zijn, en als zodanig nog steeds een rol spelen in het leven van mensen die nu in Nias wonen.

zaterdag 20 juli 2024

SARS‑CoV‑2 revisits

Poef! Twee dieppaarse streepjes op mijn SARS‑CoV‑2-zelftest. Dat was even schrikken. 

Niet dat ik me onkwetsbaar had gewaand, met - welgeteld - tweeduizend kletsende en kuchende mensen in een ongeorganiseerde "rij" voor de kecakdans in Uluwatu, met vier uur vertraging hangend op de luchthaven van Denpasar, met weer een vliegreis van Denpasar naar Yogya, en daarna in een volle trein. 

Ik kan het overal opgelopen hebben. En iedereen om me heen heeft het. Verlies van reuk en smaak, griepverschijnselen. Mijn reuk en smaak zijn intact, maar ik test positief, heb "griep", en mijn tinnitus krijst weer de pan uit. 

Als je wat wil zien van de wereld, zei mijn goede vader zaliger altijd, dan moet je de risico's voor lief nemen. Welbeschouwd nam hij die risico's voor lief voor ons, maarja, op een gegeven moment ga je het zelf zo doen, want we zijn er uiteindelijk altijd allemaal goed doorheen gezeild, al zijn we ook allemaal op gezette tijden vreselijk ziek geweest, soms in the middle of absolutely nowhere... 

Yogya is het tegenovergestelde. Ik ken de stad als mijn broekzak. Ik hoef hier niets, maar heb er wel vrienden, die me helpen en een oogje in het zeil houden. Ik weet waar je goed en gezond kan eten, sowieso is al het eten hier bestelbaar en bezorgbaar zodat ik niemand anders hoef aan te steken. Dus dit zal ook wel loslopen, zeg ik stoer. 

Maar spannend vind ik het wel. Je verliest ontzettend veel vocht met koorts en diarree in de tropen dus ik weet wat ik moet doen: veel jeruk panas (warm vers limoensap) zonder al te veel suiker drinken, goed gekookte soepjes eten, veel geschild vers fruit, geen rauwkost, geen ijs (dat is niet altijd van drinkwater gemaakt). 

Ik heb twee dagen platgelegen met koorts. Dat stelt me gerust want in tegenstelling tot de vorige keer in Manilla, toen ik nauwelijks symptomen had, lijkt mijn lichaam nu te begrijpen dat er een virus de deur uitgewerkt moet worden. Nu krabbel ik op. Ik loop weer rond, ga weer naar buiten voor een hapje en een drankje, spreek met vrienden af (die het allemaal ook hebben [gehad]) en als het teveel is, dan voel ik dat en doe ik daarna weer een dagje niks. Dat kan ik me veroorloven hier; ik ben er toch nog tot eind augustus. 

Maar een domper is het ook. Ik was zo lekker bezig. De DeCoSEAS workshop heb ik voor 100% meegedaan; ik heb een aantal sessies voorgezeten, zonder enig probleem. Ik ben op alle excursies mee geweest. Het kostte me veel inspanning, maar het was ook bijna weer normaal functioneren. Nu moet ik weer terug naar een 70+-tempo: langzaam lopen, langzaam opstaan, niet teveel doen op een dag, steeds voelen of iets kan of niet. Maar ik heb daar nu wel wat basale vaardigheid in gekregen, dus ik zie het maar als een oefening. 

's Avonds kijk ik veel Indonesische TV om mijn taalvaardigheid te oefenen. 

En ik drijf als een bejaarde dame af en toe wat baantjes in het zwembad op en neer. Zwemmen kun je het niet noemen. Hoeft ook niet - weet ik na twee jaar ziekzijn reguleren. Het is lekker om te dobberen, dat is het belangrijkste. 

zaterdag 29 juni 2024

Eten

Gisteren kwam Citra me samen met haar twee volwassen kinderen ophalen. Het was een ontroerend weerzien. De laatste keer dat we elkaar zagen was toen ze voor ons project in Nederland was, in de herfst van 2022. Toen was ik al ontzettend ziek. Kon nauwelijks meer een woord uitbrengen of een geluid verdragen. Was voor haar ook ontluisterend om mee te maken. Ze logeerde toen bij mij en kookte iedere dag heerlijk Indonesisch eten voor me. En toch werd ik steeds zieker.


We gingen eerst ikats en batiks shoppen. In Nederland vind ik winkelen ontzettend vervelend. Hier niet. Daarna haalden we onze Filipijnse collega’s op in Kuta, de Costa Brava van Bali zeg maar: een aaneenrijging van bierhijstenten en tatoeageshops. Ik keek mijn ogen uit. Mijn ouders hebben me hier altijd van afgeschermd, maar sommige dingen moet je gezien hebben. Ugh. 

[Geen foto's. You'll get the idea...]

En daarna gingen we met ons zessen naar de vismarkt, aan dezelfde kust als Kuta, maar dan enkele kilometers zuidelijker. Stinkende vis, straatkatten, en een wit Balinees strand zonder ook maar één enkele toerist (behalve ik dan met mijn grote witte lijf). Ongelooflijk, zo dichtbij, en een volstrekt andere wereld.


Citra haalde met haar dochter verse vis van de markt: zeebaars, oesters, inktvis, grote garnalen, en aubergine. Ik mocht niet mee, anders zouden de prijzen omhoog gaan, net als vroeger toen ik als wit kindje ook niet met de kokki mee naar de pasar mocht. Onze Filipijnse collega’s mochten alleen mee als ze hun mond dichthielden. Dus ze bleven maar bij mij terwijl Citra en haar kinderen hun slag sloegen.


Toen gingen we die vissen laten roosteren. We bestelden er verse sambals, kangkung en rijst bij en veel servetjes. En kelapa muda: jonge kokosnotenmelk zo uit de vrucht. We vonden een grote tafel onder de bomen bij het strand met uitzicht op vissers die hun netten knoopten. We konden bij de visgrilbalie goed onze handen wassen. En toen konden we aanvallen. 

Eten is een krachtige manier om te voelen waar je bent. Ik arriveerde. Ik was waar ik was. Lichamelijk en geestelijk. Verse gegrilde vis in tamarindesaus met verse sambals (mv.) en verse klappermelk kun je nergens anders zo krijgen. De prikkeling van je smaakpapillen, het zweten als een otter van de inspanning van het eten, de warmte en de sambal, afgewisseld met de verkoeling van de klappermelk maakte me aanwezig daar waar ik was: op dat strandje in Bali.  

En je eet met je handen. Je trekt het stevige vissenvlees los van de graat (bij voorkeur met verschillende vingers van enkel je rechterhand; je linkerhand is onrein want daar doe je andere dingen mee) en brengt het samen met de sambal en de rijst tussen je vingertoppen naar je mond. Maar je stopt je vingertoppen niet in je mond. En in geen geval stop je een stuk metaal met je eten eraan in je mond. Dat verpest de smaak. Ik klungel nog ontzettend met mijn rechterhand. Maar net als taal kun je oefenen, en ik ben onder vrienden in een veilige omgeving om fouten te maken. 

En het eten is echt lekkerder zonder dat metalen bestek in je bek. 

Aangekomen

Na twee jaar aan huis gekluisterd te zijn geweest, ben ik weer op reis. Wat een mijlpaal! En niet zomaar een reis: een intercontinentale vlucht om twee maanden op minstens drie verschillende plekken in Indonesië te zijn: Bali, Yogya, Timor. Ik doe het niet omdat het moet (voor werk of voor iets anders), maar omdat ik het zo graag wil. 

Het is heerlijk hier weer te zijn: Indonesisch te eten, Indonesisch te spreken, mijn Indonesische vrienden weer te zien, de textuur van mijn huid te voelen veranderen, de zware vochtige lucht en de geuren weer op te snuiven, het heldere licht op en tussen de bladeren van de palmbomen te zien, de grote bladeren van de djatiboom met een plof op de grond te horen vallen. En natuurlijk de vogels. En de vlinders…. 



Het is ook confronterend: de reis hiernaartoe was een uitputtingsslag. Ik loop moeilijk en beweeg moeilijk. Ik ben 20 kilo zwaarder dan ik was. Toen ik op Schiphol door de douane was en de cadeautjes voor mijn Indonesische collega’s en vrienden had gekocht, was ik al totaal afgepeigerd. Toen moest ik nog 15 uur in zo’n loeiende koker zonder beenruimte, met af en toe eens een rechtop uurtje slaap en een stijve nek, en met een hele grote Zweed naast me die zijn bekertje cola over mijn broek gooide.

Ik heb een heel zwaar leven. Nee, maar écht…

En toen kwam ik aan, en toen ik – doorgedraaid en doodmoe – ook hier door de douane was en langs alle toeristenwinkels op Bali’s luchthaven, en langs de roepende taxichauffeurs die je in hun taxi willen hebben, toen stond daar (zoals afgesproken) een chauffeur van het hotel op me te wachten om me meteen naar mijn bestemming te brengen. 

Ik was zo doorgedraaid dat ik hem niet meteen herkende, al dacht ik wel: “ik ken jou ergens van”. Ik was eerder in het hotel geweest, in 2017, dus misschien had ik hem daar gezien.

Maar hij had mij wel herkend. Een grote Londo, immers, die toch Indonesisch spreekt. Die combinatie zie je in Bali niet veel. 

In Nederland zou je zeggen: “Ken ik jou niet ergens van?” Maar in Indonesië kijk je wel uit met zoveel directheid. Stel je voor dat iemand nee moet zeggen. Dan breng je jezelf én je gesprekspartner in ernstige verlegenheid. Dus de chauffeur begon helemaal bij het begin.

“Bent u wel eens eerder in Bali geweest?” “Toen ik klein was, namen mijn ouders me vaak mee. Gingen we vanuit Yogya op vakantie in Bali.” “Maar in uw volwassen leven bent u zeker nog nooit hier geweest?” De sturing in zijn vraag viel me op. “Nou, in alle eerlijkheid, ik ben hier in 2017 geweest.” “Waar bent u dan precies geweest” “Nou, ik heb toen gong- en gamelanbouwers in noord-Bali bezocht, en watervallen en heel veel mooie tempels, en de Gunung Agung” (de hoogste en buitengewoon actieve vulkaan in Bali).

Hij was het, realiseerde ik me, terwijl ik me terug liet voeren naar die reis met de opsomming van bestemmingen. Uitgerekend hij was de chauffeur die me toen al die dagen rondgereden heeft in 2017: Pak Made. 

Hij wist dat natuurlijk al lang, maar had behoedzaam uitgevonden of zijn aanname klopte. We moesten ontzettend lachen. Haalden herinneringen op aan die reis. Het spreken in het Indonesisch ging moeiteloos, ondanks mijn uitputting. Ik haastte me te zeggen dat ik hem ook herkend had, al wist ik niet precies meer waarvan. En er zijn zoveel mensen die Made heten, voegde ik snel toe. En dat beaamde hij ook heel snel. Alle potentiële ongemakkelijkheden hopelijk weer gladgestreken. 

Ik moest nog even geld pinnen, en terwijl hij wachtte in de auto, vond hij een foto uit 2017 in zijn telefoon waar we beide opstonden. Dat was op de hellingen van de Gunung Agung en daar komt de temperatuur soms onder de 25 graden uit. Stervenskoud voor Indonesiërs. Hij was destijds zo aan het bibberen dat ik hem mijn San-Francisco-hoody leende. Dat had hij aan op de foto. Uitgerekend die hoody had ik in mijn tas zitten om de airco van het vliegtuig te doorstaan. Ik liet het hem zien.

Toeval bestaat niet, zegt mijn schoonzusje Christine. En dat wilde ik ook tegen Pak Made zeggen, maar ik weet het Indonesische woord voor toeval niet. Even opzoeken… ah: kebetulan. Interessant dit, want betul betekent dat iets zo bedoeld is of echt waar is. Iets valt je toe… Alsof het zo heeft moeten zijn.

Ik keek ook naar mezelf op die zeven jaar oude foto: jonger, strak in mijn velletje, lenig, fit. Pak Made zei dat ik toen magerder was, en dat stelde me weer een beetje gerust, want kurus (het Indonesische woord voor mager) is geen compliment. Het wordt ook gebruikt voor ondervoede kindertjes. Ik ben dus minder onderkomen, nu. 

Ik voelde me zo welkom door dit toeval. Mijn extreme vermoeidheid, lichamelijke ongemakkelijkheid en de vreugde van terugkomst vermengden zich met elkaar. Het was geen dubbel gevoel, maar een geïntegreerd gevoel. Alle sensaties kleurden elkaar in, en gaven elkaar meer reliëf, meer diepte. Misschien is dit wat het betekent om ouder te worden. 

Gehecht en onthecht

Zoals ik al zei was ik ontzettend blij dat ik al dit voorouderlijke spoorzoeken niet alleen hoefde te doen. Mijn broer als achtervanger die ...