maandag 4 juli 2022

Barbara's dekoloniseringsagenda

Het is net na 10 uur in de morgen. De hitte begint mijn hersenen te vertragen. Mijn lichaam weet al sinds 8 uur vanmorgen dat het langzaamaan moet doen om de dag door te komen. Wat is mijn leven zwaar. 

Ik zit op mijn eigen veranda, met uitzicht op mijn eigen zwembad, en (en nu wordt het echt problematisch) ik kijk uit op een tableau van diepgroene rijstvelden, papayabomen en pisangbomen met heuvels in de verte. Het tableau wordt omlijst door de djati-houten pilaren waarop het dak van mijn eigen huisje rust. Houten vens draaien traag aan het plafond voor extra verkoeling. 

In dat tableau komt af en toe een mens voorbij, een boer of boerin met een topi op het hoofd. Sommigen dragen laarzen, anderen waden blootsvoets door het water waarin de rijst aan het groeien is. Hun topi is de enige bescherming tegen de brandende zon. Ik zit in de schaduw van mijn veranda te bloggen. Het enige wat mij scheidt van de boer en boerin is de breedte van mijn privé-zwembad...

Ik verdien mijn (goed belegde) boterham met grote verhalen over dekolonisering, over de herverdeling van arbeid en kapitaal, ook waar dat muziek, kunst en cultuur betreft. Kan ik hier nog wel zitten? Eigenlijk niet.

Als kind vond ik dit normaal. Mijn ouders waren geen luxebeesten. Ze waren duidelijk over het feit dat we hier te gast waren en ons moesten aanpassen. Ze droegen en dragen ieder op hun eigen manier actief bij aan de Indonesische samenleving, zoals ik ook iets van mezelf probeer bij te dragen. Maar het minzaam uitkijken over rijstvelden met werkende mensen, onder het genot van een kop koffie of thee hoort nog steeds bij de standaardinstellingen van mijn wezen.

De kortsluiting in mijn hoofd - ik kijk uit over een beeldschoon tableau dat een onbarmhartige werkomgeving is voor de mensen die er in figureren - leidt tot een opwelling. Waarom loop ik die 15 of 20 stappen niet naar de boer toe om te vragen of ik een handje kan helpen? In tegenstelling tot veel andere toeristen kan ik me verstaanbaar maken tegenover de mensen die hier wonen en werken. 

Ik weet ook dat hij het heel erg raar zou vinden als ik dat zou doen. Of misschien verwacht ik dat. Zo'n verwachting komt me goed uit. Al typend achter mijn laptopje in de schaduw met een ven boven mijn hoofd heb ik het al warm genoeg. Dat geeft me een excuus om de lijst rondom het tableau niet te hoeven overschrijden en het een tableau te houden: iets waar ik naar kijk, waar ik geen deel van hoef te zijn als ik dat niet wil, en dat me esthetisch plezier geeft. 

Ik herken de narratieven of scripts waarmee zo'n bevoorrechte positie gerechtvaardigd kan worden en die, net als de geluidscollectie van Jaap Kunst die ik aan de UvA cureer, een koloniale geschiedenis hebben. Die scripts (die vaste rollen aan mensen toebedelen ook als ze daar niet zelf voor hebben gekozen) bestudeer ik als intellectuele en maatschappelijke verschijnselen voor mijn werk, maar ik ervaar nu ook de zintuiglijke basis ervan. Die basis is overigens geen enkel excuus, maar wijst me er wel op dat ik geen haar beter ben dan degenen in heden en verleden die ik de maat neem: "Het is warm. Ik zou kunnen gaan helpen. Maar deze meneer is het gewend; hij doet het elke dag. Ik zou maar in de weg lopen." of "Natuurlijk is het ongelijkwaardig om andere mensen voor je te laten koken, wassen en schoonmaken, maar als ik ze geen emplooi geef, hebben ze helemaal geen inkomen."

Uiteindelijk komt het er op neer wat we normaal vinden, en in hoeverre we bereid zijn normaliteiten ter discussie te stellen als we in een positie zijn om dat te doen: dieren opeten zonder ze zelf te hoeven doden, op je kont blijven zitten terwijl iemand anders voor je neus aan het zwoegen is. Het is de relatief beperkte breedte van mijn zwembad die de scripts confronterender voor me maakt dan de scripts die het ons makkelijk maken om elke dag te douchen, en het vliegtuig te nemen als je ook met de trein kan. 

Ik prakizeer nog even door. Dat is mijn dagelijkse arbeid, immers... 

Weerzien

Het heeft iets diepzinnigs, het woord "weerzien". Net als het woord "vaarwel" is het meer dan doei of hoi-hier-ben-ik-weer zeggen. Misschien is het de pandemie die dat gewicht geeft aan mijn terugkeer hier; misschien ook mijn werk. Ik ben hier drie jaar niet geweest, en in die tijd heb ik me nog verder verdiept in het koloniale verleden dat Indonesië en Nederland delen. Dat heeft me veranderd, al had ik er al heel erg veel van meegekregen van mijn eigen ouders: de kritische benadering ervan, maar ook het bewustzijn dat ik er onderdeel van ben. 

Tijdens de pandemie zijn er momenten geweest dat ik het gevoel had dat het er misschien niet meer van zou komen: ooit nog naar Indonesië gaan. Er zijn ook momenten geweest dat ik het gevoel had dat ik nooit meer in een koor zou kunnen zingen. Of mijn vrienden zou kunnen knuffelen. De pandemie is nog verre van over, maar deze dingen kunnen weer, met mate en beleid. Met Citra en Koes concludeerde ik dat de pandemie ons leven blijvend veranderd heeft en niet alleen ten slechte. Alle comfortabele middenklasse-mensen zoals wij drieën hebben onze prioriteiten beter op orde en waarderen de gemakken van ons leven meer. 

En de mensen hier die een moeilijker bestaan hebben vragen zich (soms hardop) af waarom de wereld op slot moet als er eindelijk eens een ziekte de kop opsteekt waar ook Europeanen en Noord-Amerikanen bang voor moeten zijn. Er zijn hier genoeg ziektes om nog veel banger voor te zijn (malaria, tyfus, dysenterie, hepatitis-en) en alleen de comfortabele middenklasse-mensen kunnen zich daar met vaccins en schoon drinkwater tegen beschermen. Dus waar zeuren die mensen over. 

Maar het weerzien was dus groots. In mijn herinnering grootser dan toen ik in 2013 na bijna 20 jaar weer voor het eerst naar Indonesië ging met mijn familie. Destijds wist ik niet wat ik moest verwachten, of ik er nog wel zou kunnen, mogen of willen zijn. Nu heb ik die twijfel niet. Ik heb hier collega's, vrienden en dingen te doen. En ik weet dat ik diep gehecht ben aan de geuren, geluiden, taal, muziek en lucht die ik in 2013 netjes opgeborgen had in een jeugdherinnering.

De reis verliep uiterst voorspoedig. In 20 uur overbrugde ik zo'n 13.000 km in die rare vliegtuigcabine waar geen plaats en tijd is, geen dag en geen nacht, alleen geloei van motoren, wat h/bollywoodkauwgum om de zombietijd te doden, en af en toe een huilende baby. 

De overgang van de ene naar de andere wereld met de vliegtuigcabine als desoriënterende loze ruimte was in mijn kindertijd categorischer. Tegenwoordig spreek ik ook Indonesisch in Nederland, want ik ken daar een keur aan Indonesiërs, ik maak er Indonesische muziek (de gamelanworkshop van de UvA) en online spreek ik mijn Indonesische vrienden en collega's geregeld.

Maar categorisch blijft het om van het Nederlandse compartiment van mijn leven naar het Indonesische te gaan, zeker ook omdat die jeugdherinnering zo sterk is. Ik reis niet alleen ruimtelijk maar ook in de tijd. Dat is magisch.

Zodra ik het ge-airconditionde vliegveld afkwam: die lucht. Het is de temperatuur, de geur, de luchtvochtigheid, maar het is niet alleen dat. Binnen enkele uren is mijn huid veranderd: soepeler, met open poriën en geprononceerde aderen. Ik moet me rustiger bewegen, mijn stem anders gebruiken.

Citra en Koes stonden me op te wachten bij de nieuwe luchthaven van Yogya, wel een uur rijden buiten de stad. We vlogen elkaar in de armen, juichen, knuffelen, lachen, we moesten allemaal bijna huilen, maar net niet helemaal. Emotionele impulscontrole is belangrijker hier. En de bijna-emoties (of wat ik als bijna-emotie ervaar) worden daarmee betekenisvoller.

In de auto was het als vanouds. We hebben veel gereisd met ons drieën, in de Gunung Kidul, op Sumba en Timor. Dan zit Koes op de achterbank grapjes te maken om ons op de kast te jagen, terwijl Citra en ik hem proberen uit zijn tent te lokken. Allemaal met subtiele insinuaties en dubbele bodems, verhulde complimenten en verwijzingen naar vroegere grapjes. Vermengd en afgewisseld met serieuze gesprekken over echte dingen: de pandemie, ons werk, onze families. Het is echt ironie van een andere orde. Ik was verbijsterd dat ik dat meteen weer een beetje kon "lezen" en er zelfs in beperkte mate - met wat welwillendheid van mijn gesprekspartners - aan kon deelnemen in het Indonesisch. We moesten zo ontzettend lachen. 

Het was alsof ik niet weggeweest was. Drie jaar niet geweten of ik terug kon en daar is alles weer: het roadtrip-gevoel, over de hobbelwegen en smalle bruggen naar de stad, stoppen aan de kant van de weg voor een kommetje soto ayam en thee. Wat heb ik het gemist. En we konden gewoon verder waar we gebleven waren. Nooit op durven hopen.

zondag 25 augustus 2019

Lichaamstaal

Nu ik meegelopen heb met de carnavalsoptocht herkent iedereen me in de kampung en stopt om een praatje te maken, want iedereen weet nu ook dat ik Indonesisch spreek.

De oude moeder van de buurvrouw die me uitnodigde, zwaait elke ochtend uitbundig naar me vanaf haar platje voor het huis. Ze is heel oud en heel breekbaar. Als je tegen haar aanblaast kan ze al omvallen. Maar ze zit veilig in haar stoel, en zwaait en zwaait en zwaait maar.

Een oudere meneer op een brommer stopte vanmorgen ook even om me aan te spreken. Hij had een klein jongetje achterop. Mijn kleinkind, zei hij trots. Nummer 17. Oh, wat veel kleinkinderen hebt u, zei ik. Hoe heet hij? Daar moest hij even heel diep over nadenken, noemde na veel aarzelen een naam (die ik weer vergeten ben) en reed toen maar snel weer door.

Ik wil niet naar huis maar vanavond vertrek ik. En ik post het blog als ik al weer thuis ben om te kunnen schrijven over de fysieke impact van de verplaatsing van het ene land naar het andere. Het gevoel van ontworteling dat ik telkens weer voel en herken van vroeger, toen we elk jaar op en neer gingen: drie maanden Indonesië, negen maanden Nederland.

Ik maak de verplaatsing nu omdat ik het wil en niet omdat ik het moet. Ik ben bevoorrecht. Ik vraag me vaak af hoe die ontworteling voelt als je ertoe gedwongen bent, zoals mijn vader in 1956, of - van een heel andere orde - huidige vluchtelingen die Europa levend weten te bereiken. Met de wetenschap dat je misschien wel niet meer terug kunt keren.

Maar omdat ik in beide landen min of meer gewend ben, en ze als een soort thuis ervaar (hoewel ik meer thuis ben in Nederland dan in Indonesië, al voelt dat nu even niet zo), kan ik reflecteren op de lichamelijkheid van het daar zijn en het hier zijn.

Mijn allerbeste vrienden uit Nederland die een paar dagen op bezoek waren in Yogya wierpen er ook nieuw licht op: ze gaven aan een andere Barbara te zien. En terwijl het voor mij niet voelt alsof ik in Indonesië iemand anders ben dan in Nederland, realiseer ik me dat ik me in Indonesië wel degelijk anders gedraag, en een kant van mezelf laat zien die ik in Nederland niet laat zien. Al die 20 jaar dat ik niet in Indonesië was, heb ik die kant dus ook niet echt getoond, terwijl die wel een deel van mezelf is.

Dat gedrag hangt samen met mijn positie in Yogya, als vrouw, wetenschapper, Nederlander, ... die heel complex is. Een vrouw in Indonesië is iemand anders dan een vrouw in Nederland. De Javaanse cultuur is veel patriarchaler. Er wordt in Indonesië meer vrouwelijkheid van mij verwacht dan in Nederland en ik probeer me daar - of ik het nu wil of niet - aan aan te passen. Tegelijkertijd is mijn lichaam in Indonesië enorm. Ik ben eenvoudigweg overal en altijd véél groter en véél breder dan de langste man.

Daar maak ik gebruik van, net als van mijn witheid. Als ik iets zeg, of het nou tijdens een expert meeting op de universiteit is of op straat, dan wordt dat door iedereen (mannen en vrouwen, niet-witten en misschien ook wel witten) serieuzer genomen dan als Citra of andere collega's van gelijk statuur hetzelfde zeggen in elegantere formuleringen. En ik kan niet anders dan daar in een debat (ook) op inzetten.

Ik heb er ook last van. Ik voel me enorm groot en lomp hier. Sta onbedoeld letterlijk op mensen hun tenen, stoot mijn hoofd tegen de deurpost, zak door een krakkemikkige stoel, sta in de weg omdat ik nergens heen kan.

En ik probeer dat te compenseren door me - voor zover dat gaat - een beetje Javaans te gedragen. Geen knijpend harde hand geven, niet te hard praten, me even wat kleiner maken als ik langs iemand loop, gaan zitten als ik met iemand praat om niet fysiek boven iemand uit te torenen, mijn schoenen uitdoen voor ik bij iemand binnenloop. Dat doen mannen net zozeer als vrouwen hier, en het is een lichamelijk besef van beleefdheid, dat ik een klein beetje heb van vroeger, net als mijn beheersing van de taal, die zeker niet perfect is, maar waarmee ik wel kan laten zien dat ik mijn best doe. En dat wordt erg gewaardeerd.

Die belichaming heeft een direct verband met manieren van communicatie: Op Java laat je nooit het achterste van je tong zien, toon je nooit directe emoties. Daardoor heb je genoeg aan een hint van anderen als er iets wel of niet goed zit. Best vermoeiend, ik moet er niet aan denken dit het hele jaar door zo te moeten doen, maar het zit nog wel ergens in mijn ruggengraat, want mijn ouders hadden er ook een heel goed gevoel voor. Dat heb ik meegekregen van hen. En nu is het een belichaamd begrijpen.

Bovendien kan ik me als Londo (Javaans voor Belanda) wel degelijk enige directheid permitteren, niet alleen omdat ik bevoorrecht wit ben, maar ook omdat een niet-Javaan nu eenmaal niet 100% Javaans hoeft te doen. Dus veel van mijn Javaanse vrienden maken dáár weer gebruik van. Dan is er iets misgegaan bij iemand en dat kun je hier absoluut niet direct tegen iemand zeggen, maar omdat ik toch een lompe Londo ben komen ze dan aan mij vragen of ik het wil doen: de hete kastanjes uit het vuur halen, en een pietsiebietsie directer zijn dan zij zich kunnen veroorloven, maar ik doe dat voor mijn Nederlandse gevoel nog steeds op kousevoeten.

En door die subtiele hints en indirecte communicatie voel ik de patriarchale verwachtingen heengeweven zitten. En dat is maar één dimensie van de vele hiërarchische verschillen die er op Java tussen mensen worden verondersteld en aangebracht. Het zal nooit worden uitgesproken, maar wat mannen zeggen wordt serieuzer genomen dan wat vrouwen zeggen. Over wat oude wetenschappers (vaker mannen) zeggen wordt belangrijker gedaan dan over wat jonge wetenschappers (vaker vrouwen) zeggen. Ondanks mijn witheid en mijn fysieke lengte blijf ik wel een vrouw. Dat voel ik, ook al kan ik er geen vinger op leggen.

Onderzoek heeft uitgewezen dat deze patriarchale verwachtingen ook in Europa en Noord-Amerika nog alom tegenwoordig zijn, en wellicht zelfs geïnternaliseerd. Docenten die zich online (dus onzichtbaar) uitgeven voor vrouw (ongeacht of ze man of vrouw zijn) worden systematisch lager ingeschat door mannelijke én vrouwelijke studenten dan als ze zich uitgeven voor man.

En in dat opzicht is het patriarchaat op Java wellicht directer (!) dan dat in Europa, maar niet eens noodzakelijkerwijs sterker. Voor mijn gevoel althans, en voor mijn lijf, dat bij terugkeer naar Europa weer een andere taal moet "spreken" (om over Zoeloe Zuid-Afrika nog maar te zwijgen).

Dat mijn lijf zich fysiek aan moet passen merk ik aan mijn huid, mijn nagels en mijn haren, de lichaamsdelen en organen die ik het meest direct kan waarnemen. Na de overtocht voelen ze anders aan, veranderen vrijwel onmiddellijk van textuur (minder soepel en leerachtiger in NL) voordat ze geleidelijk van kleur veranderen. Het is dus mijn hele lijf dat altijd weer cultureel opgeschud en in de war is in mijn overtocht van ginder naar hier en terug. En dat laat me voelen dat ik leef....
Vruchtbaarheidsritueel in de Keraton van Yogyakarta, 9 augustus 2019, waaraan mannen en vrouwen deelnemen met ieder hun eigen rollen en taken.

zondag 18 augustus 2019

Bevrijdingsdag

Op 17 augustus 1945 werd de Republik Indonesia uitgeroepen, na eeuwen koloniale overheersing, en het zou nog eens meer dan 4 jaar, 300.000 Indonesische en 6.000 Nederlandse levens kosten voordat die Republiek door Nederland erkend werd. Tot op de dag van vandaag weigert de Nederlandse regering halsstarrig de oprichtingsdatum in 1945 te erkennen.

Reden te meer dus om de 74ste verjaardag uitbundig te vieren.  Elk jaar op of rond 17 augustus verbaas ik me weer over de afwezigheid van wrok tegenover de Nederlanders. Ik heb vele Duitse vrienden, dierbare Duitse collega's en niet te vergeten een Duitse grootmoeder, maar ik heb altijd volop meegedaan aan de hartelijke en minder hartelijke grappen over de Duitse bezetter. De Duitse bezetting duurde 5 jaar; de Nederlandse uitbuiting van Indonesië honderden jaren.

Maar als ik daar over begin, dan wordt het vrijwel altijd weggewuifd: zo lang geleden. Niet zo moeilijk doen. Kom nou maar gewoon meefeesten.

Dus dat doe ik dan maar. Dat is leuker dan 35 jaar geleden kan ik je vertellen, want in die tijd was Indonesië een militaire dictatuur waarin op 17 augustus alleen maar gemarcheerd werd: van kleuterklassen tot legereenheden, allemaal in uniform, maanden van te voren beginnen met oefenen. Mijn Indonesische vrienden vertellen hoe er elke week een legermeneer in de klas kwam om te drillen, en meteen te kijken wie meer en minder gezeglijk was.

Nog steeds gaat 17 augustus meer om nationalisme dan om bevrijding, al zie je de verwijzingen naar de vrijheidsstrijd wel steeds meer opduiken: jongetjes met speelgoedgeweren verkleed als oorlogsveteranen, het leger dat nog steeds PR-stunts uitvoert met jeepjes met harde muziek waarop ze mee mogen rijden.

Maar verder heeft het marcheren plaatsgemaakt voor carnaval, hetgeen nieuw is voor mij, maar wel een enorme verbetering, naar mijn bescheiden postkoloniale mening. In heel Yogya zorgen de buurtcomités dat iedereen op de hoogte is. Er wordt een becak met boomende speakers geregeld en iedereen zwiert hossend door de kampung. Zonder een druppel alcohol overigens.

Omdat ik nu al drie weken in de kampung rondhobbel en langs rijd op mijn Javaansche fiets vroeg een van de buurvrouwen mij via Ibu Siti (die elke ochtend mijn overdadige ontbijt maakt) of ik niet mee wilde lopen in het carnaval. Ik ben immers een aardige attractie. Dat ik Nederlander ben op Bevrijdingsdag interesseert werkelijk niemand; dat ik wit ben daarentegen des te meer.

Maar toen ik me gistermiddag braaf bij de buurvrouw meldde bleek ze nog veel meer motivaties te hebben, die ik erg interessant vond. Ze is niet onbemiddeld, heeft een groot huis en minstens twee auto's die net op het erf passen. Ze biedt ook onderdak aan bezoekende studenten, vooral uit het Midden-Oosten: Egypte, Palestina, Saudi-Arabië. Witten lopen hier al genoeg rond, zegt ze. Maar mensen uit het Midden-Oosten zijn onze broeders en zusters in het geloof. Die moeten we goed ontvangen en opvangen.

Voor al die bezoekers organiseert ze dingen, om ze iets te leren over Indonesische en Javaanse  gebruiken: kooklessen, batiklessen, taallessen, enz. Jij spreekt al Indonesisch, zei ze tegen me, en OK, je bent dan geen doorsnee toerist, maar zou je hier niet ook eens in een andere rol rondlopen dan die van docent? Dat je eens een andere kant van ons land meekrijgt dan alleen de universiteit?

Ik kon haar alleen maar gelijk geven. Dus ik gaf me over aan de circusrol die er voor mij bedacht was: Petruk, een clown uit het wayangspel, met interessante koloniale subteksten, die niet toevallig ook wel eens in overdrachtelijke zin aan mijn vader werd toegeschreven  - overdrachtelijk want ik denk niet dat hij zich zo zou laten opschminken.

Ik groeide allengs in mijn rol - trok gekke bekken naar verschrikte kleine kindertjes en maakte een hele hoop inwoners van Bangunharjo verschrikkelijk aan het lachen. Dat was vooral te danken aan de fantastische grimeuses, die in het dagelijks leven wayang-wongvoorstellingen verzorgen en al die types dus zo uit hun mouw schudden.

Ik had een fantastische middag






















zaterdag 17 augustus 2019

Zintuigen

Eén van de zaken die ik als kind zo miste in Nederland en zo fijn vond in Indonesië was de manier waarop je zintuigen worden aangesproken. Dat is niet alleen een fysieke ervaring waarvan je lijf een boost krijgt, maar het maakte me ook als heel jong kind al bewust van het feit dat zintuiglijke ervaringen ergens voor dienen: rottende vis in de tropenzon, of de dikke plas bloed van een net geslacht dier - daar moet je een beetje bij uit de buurt blijven, anders ga je vanzelf over je nek. Het licht en de zon ook - zo midden op de dag. Bloemen, thee, koffie, frisse berglucht, een langzaam stovende bumbu en vers gebakken kroepoek - daar probeer je bij te komen. Met alle lijf en leden.

Ondanks het feit dat zintuiglijke ervaringen lang niet altijd prettig zijn, en vooral voor een kind soms  zelfs bedreigend (enorme bijen, knijpende mieren, debiliterende hitte, afval op straat, pijnlijk scherp eten), was Nederland voor mij een grauwe grijze brij waar nooit maar enig zintuig behoorlijk werd aangesproken. Weinig licht, weinig geur en smaak, weinig temperatuurverschillen, weinig druipend zweet, insecten en spinnen van niks. Stomvervelend en deprimerend. In mijn herinnering althans.

In mijn nieuwe homestay woon ik midden in de kampung. Dat is een dorp in de stad. Yogya - 3.000.000 inwoners - hangt aan mekaar van kampungs waar de verhoudingen hecht zijn en iedereen mekaar kent. Je hoeft eigenlijk niks op slot te doen, want iedereen let op elkaar en is net zoveel buiten als binnen.

Om misverstanden te voorkomen: ik leef in weelde in deze kampong, met mijn eigen pendopo (airconditioned), badkamer (met mandibak), koelkast met lekkere dingetjes, een zwembadje en elke ochtend vorstelijk ontbijt. De tuin staat vol planten en is op de meeste momenten van de dag een oase van rust. Daar betaal ik dan ook stevig voor, zo midden in de kampung.

Maar je zit ook hutje-mutje op elkaar want ruimte is schaars. En dan worden de zintuigen meteen weer een stuk functioneler dan in Nederland, hoewel we daar heus ook woekeren met de ruimte.

Dat merk ik 's ochtends aan mijn ontbijt met omeletje, als buurman net achter de muur met veel omhaal zijn neus en keel ledigt en de oogst daarvan in een hoek lanceert die ik met mijn oren kan plaatsen. Het doet me beseffen hoe tactiel geluidservaringen zijn: het geluid ervan maakt de fluimen net zo tastbaar als de plek waar ze neerkomen. Lekker hoor.

En vuilophaaldiensten zijn er wel in Indonesië (zelfs in steegjes waar je maar net met een fiets of brommer doorheen kan zoals in "mijn" kampung komt elke week een vuilnisophaler met een brommertje met aanhanger langs), maar slechts weinigen maken daar gebruik van. Bijna iedereen verbrandt zijn afval achterin de tuin, het liefst in de late namiddag, vroege avond, zodat je dan continu in een dikke laag smog zit. Geurervaringen kunnen ook tactiel zijn: de lucht voelt "dik" als je probeert te ademen, net als bij de suikerfabriek.

Maar soms is de privé-afvalverbranding ook werkelijk tactiel: dan komen de stukken verbrand papier of plastic en as uit de lucht neerdalen: in ons zwembadje, onze thee en op onze toetsenborden, tot groot ongenoegen van de staf die dan weer opnieuw het erf moet gaan vegen - iets wat Ibu Siti en Mbak Nanak toch al twee keer per dag doen.

Als ik mijn baantjes trek in het echte zwembad een paar kilometer verderop, dan merk ik dat mijn longcapaciteit minder is dan enkele weken geleden. Terwijl mijn borstkas al vol zit, vraagt mijn lijf om een diepere inademing om op tempo te blijven. Het is echt heel ongezond om langer dan een paar weken in deze stad te leven, niet alleen wegens afvalverbranding in achtertuintjes, maar ook door de miljoenen brommers en auto's die op geen enkele wijze worden gereguleerd, en waar ik dagelijks in meefiets.

Als je de vulkaan Merapi oprijdt en van het uitzicht geniet, dan is de berg zichtbaar dus de lucht is helder, maar de stad is onzichtbaar in een gele brij die onder je hangt, en zelfs bovenop de berg hoor je het verkeer daar beneden nog razen.
Maar de grootste aanval op de zintuigen in de kampung komt van de moskeeën. In mijn vorige homestay bij Mas Ali waren die in het dorp met eentje dichtbij. Maar hier in de kampung zijn er drie dichtbij. En ze staan knoerthard. Vijf keer per dagen brullen geblazen: Allaaaaaaaaaahu-Akbarrrrrr: om 04.30 sochtends (oordoppen in), 12.00 uur, 15.15 uur, 17.30 uur en een hele lange van 18.50 uur tot 19.30 uur. En als je dan pech hebt gaat één of andere imam dan ook nog tussen 20.00 en 21.30 uur een preek houden - eindeloos geouwehoer, want al die moskeeën zijn helemaal leeg, dus zoeken de heren (geen damesstem te horen in deze praktijk) een publiek door middel van versterking naar buiten toe, zodat de hele kampung wel MOET toehoren en nergens anders naar kan luisteren.

Dus... Komende week kom ik weer naar Nederland met de schone lucht en een bijna autovrije binnenstad en muren waar je niet elke scheet doorheen hoort, en hopelijk is het grijs en regenachtig. Zodat ik mijn zintuigen even vakantie kan geven. 


maandag 12 augustus 2019

Klederdracht

De afgelopen dagen waren Jochem, Stéphanie, Madelief en Stéphanies zus Charlotte in Yogya. Wat leuk was dat - om ze de bijzondere plekken uit mijn Yogyase leven te kunnen laten zien. En behalve leuk was het ook handig dat Stéphanie en Charlotte er waren want zij zijn de achterkleindochters van een van de oprichters van het Museum Sonobudoyo.
Nu heb ik zaken te doen met dat museum, want verschillende mensen vertellen mij dat daar materiaal van Jaap Kunst zou liggen. Dus ik heb een heel Indonesisch trucje uitgehaald. Ik heb een email naar het museum gestuurd met de mededeling dat de achterkleindochters van meneer Sitsen op bezoek zijn en of we een rondleiding zouden kunnen krijgen.
Toen we ons vrijdag meldden bij de ingang, werd meteen de directeur gebeld en we konden rechtstreeks door naar zijn kantoor, waar ik behalve het oprichtersverhaal mijn eigen agenda onder zijn aandacht kon brengen. Het was hetzelfde kantoortje als waar we zes jaar geleden het zilveren doosje van mijn opa hebben afgeleverd. Ik heb dat maar niet weer opgehaald want het was zo al ingewikkeld genoeg en bovendien was er nu een nieuwe directeur.
Het trucje werkte. Ik had daarna meteen contact met hem via de app en hij verwachtte me maandagmorgen om 8 uur, zodat ik met de hoofdcurator kon spreken.
Dus toen ik me vanmorgen om 10 voor 8 meldde, werd ik door een verlaten museum (het was dicht, want maandag en bovendien Idul Adha) meteen weer naar de directeur gebracht die me al stond op te wachten. We liepen naar zijn kantoor en daar stond een rijzige heer, in volle Javaanse klederdracht: een prachtige sarong, een keris op zijn rug, en een blangkon op zijn hoofd: het was de hoofdcurator.
De kleren maken de man, hier op Java, en de vrouw trouwens ook, en iedereen die daar tussenin zit. Deze meneer zal niet meer dan vijf jaar ouder zijn geweest dan ik, maar hij leek ouder en wijzer door wat hij droeg, althans voor mij. Het zal het patriarchaat wel zijn. Ik was diep onder de indruk. Hij verontschuldigde zich desalniettemin voor zijn uitrusting en legde uit dat het Idul Adha was en dat hij zo in de Keraton verwacht werd voor een ceremonie. Ik bedankte hem voor zijn tijd.
Nadat ik hem uitgelegd had wat ik wilde, bood hij onmiddellijk aan om naar het depot te gaan en een kijkje te nemen. Dat aanbod nam ik graag aan. Het was maar 500 meter verderop, maar hij stond erop dat we de auto namen. Het moet er geinig uit hebben gezien: een museumdirecteur en een curator in volle Javaanse klederdracht aan het stuur van een oude Suzuki met een lange Londo op de achterbank. Ik werd gebracht. Ahum.
In het depot bleken diapositieven en -negatieven te zijn en een behoorlijk aantal 78-toerenplaten. Het is onduidelijk of ze van Kunst zijn, maar daar komen we wel achter, en als het niet zo is, is het ook interessant.
Met twee museummedewerkers, van wie er één een oud-student was van de collega met wie ik aan de universiteit hier werk, heb ik twee uur lang zitten praten, eerst in het depot tussen de platen, en daarna in het kantoortje van de hoofdcurator.
Terwijl we oude tijdschriften doornamen, en de opties bespraken voor manieren waarop ik formeel toegang kon krijgen tot de depots (ze zijn hier net zo strikt als aan de UvA) zette de hoofdcurator zijn rondslingerende blangkon weer op zijn hoofd en stak zijn keris in zijn riem. Hij moest naar de ceremonie... (waarvan een fotoverslag op facebook). En mijn project wordt steeds groter en steeds spannender.

dinsdag 6 augustus 2019

Dromen

Waar en wat ik ook droom, ik weet meestal niet meer waar mijn dromen over zijn gegaan, maar ik herinner me altijd het gevoel, de atmosfeer en de ruimte van een droom als ik wakker word. Als ik naar een nieuwe plek reis, worden die aspecten van de droom even ongekend als de nieuwe plek zelf. En ze blijven bij de plek, ook als deze bekender voor me wordt: een specifieke lichtval, stemming, actiebereidheid, geluidenpalet.

Nu is Yogya zowel een hele oude plek, nog van voor mijn vroegste herinneringen (ik was nauwelijks 30 maanden oud toen ik hier voor het eerst was) als een tamelijk recente plek (sinds een jaar of 5 kom ik hier weer regelmatig), met mijn riante hemelbed in een elegante pendopo als geheel nieuwe plek. Een geheel nieuwe dromenatmosfeer dus, met nieuwe lichtval en nieuwe geluiden en toch ook veel bekends in de dingen die ik in de droom moet en wil en kan - of niet.

Het maakt me reflectief over het leven dat ik hier had en heb en hoe dat verbonden is met het leven van mijn ouders en grootouders. Toen ik hier in 2013 weer kwam, was Yogya een hervonden plek van mijn jeugd. Een plek waarvan ik altijd had gevoeld dat ik er niet meer naar terug kon keren, zoals je ook niet terug kunt naar je kindertijd. En toch kwam ik terug.

Nu ben ik hier zo vaak (vaker dan 1 keer per jaar) dat het voor het eerst normaal voelt om hier te zijn. Ik heb niet alleen (en niet zozeer) meer mijn herinneringen van vroeger als referentiekader, maar mijn herinneringen van afgelopen november, en juni 2018 en augustus 2017, waarbij allerlei grote-mensen-dingen horen, zoals lezingen en onderzoeksprojecten en me fatsoenlijk uitdrukken in mijn vierde taal.

Ik ben er blij om en ik vind het jammer: ik win iets en ik verlies iets. Ik word ook hier volwassen misschien. Met iets van tegenzin, en iets van trots.

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...