zaterdag 25 juli 2026

In de verte

Terwijl ik dit blog aan het schrijven ben, op een terras met een lime squash aan het paradijselijke strand van de Baai van Kupang, blijf ik strak naar mijn scherm kijken. Ik lijk hard aan het werk terwijl ik in feite even rust zoek van de constante activiteiten hier. 

In de hoek van het terras met uitzicht op zee hangt een net iets te vriendelijke oudere meneer die in dit hotel een soort gastheer lijkt te zijn en die zijn taak erg serieus opvat. Hij wil alle deuren voor me openhouden, me aanwijzen hoe ik mijn koffer het stoepje op krijg, me laten zien welk knopje in de lift ik moet indrukken als ik naar de derde verdieping wil, etc.. Als een hondje volgt ie me. Ik weet dat als ik een moment om me heen kijk en zijn blik vang dat hij dat als een aanleiding ziet om een praatje te beginnen. En daar heb ik helemaal geen zin in. 

Als vrouw alleen op reis zijn kent zo zijn uitdagingen. Mijn uitgangspositie is goed. Ik ben minstens twee koppen groter dan de gemiddelde Indonesische man. Ik spreek Indonesisch en heb mijn repertoire van gewiekste antwoorden op vage pogingen tot flirts goed paraat in mijn werkgeheugen. En bovendien ben ik tegenwoordig van middelbare leeftijd. Dat scheelt. Maar vooral oudere meneren lijken dat als een kans te zien. Boven de 50 en nog niet getrouwd!?!? Zo iemand moet geholpen worden met gezelschap! 

Ik word me eigenlijk pas de laatste jaren, in navolging van een generatie vaak jongere vrouwen die geen zin meer heeft in dit soort gedoe, bewust van de inbreuk van zulk gedrag. Ik heb het eigenlijk altijd gewoon maar geaccepteerd als iets wat erbij hoort. Het eerste wat mensen (mannen én vrouwen) vragen, waar dan ook in de archipel, is of je getrouwd bent en hoeveel kinderen je hebt. Dat is belangrijk. En echt eng wordt het eigenlijk nooit als mijn antwoord op beide vragen nee is. Maar de consternatie is soms irritant.

En soms is het ook ontzettend grappig. Ik herinner me de reis die Citra en ik nu bijna 10 jaar geleden in 2017 maakten in Flores. We kwamen na een lange tocht door tamelijk onherbergzaam gebied aan bij het dorp Todo waar het dorpshoofd ons vriendelijk ontving, maar totaal verbijsterd was toen bleek dat ik met mijn 43 jaar nog niet getrouwd was. Ik moest als de sodemieter terug naar Nederland om een man te vinden. 

Citra stond achter hem terwijl hij me de les stond te lezen, en begon buiten zijn zicht met haar ogen te rollen. God, wat hebben we gelachen. We hebben er nu nog steeds plezier van, dat paternalisme van die man. Maarja, wij hebben de luxe om hem te laten lullen en weer verder te gaan. Vrouwen in zijn omgeving hebben die luxe niet, in een dorpje in the middle of nowhere. 

En op onze zelfde reis ontmoetten we Ibu Elisabeth in Timor: 7 kinderen had ze haar 50 jaar oudere echtgenoot, de Koning van Biboki, al geschonken en ze was nog maar 35 (en hij was écht 85...). Als Citra en ik op een andere tijd en plaats geboren waren dan we geboren zijn, dan had ons ook zo'n leven toebedeeld kunnen zijn.

En dan vergeet ik nog de chauffeur op Flores toen ik mijn reis alleen voortzette in 2017. Die man moest ik echt continu van me weghouden, wat irritant was dat. 

Maar soms is het ook leerzaam en dan komt de koloniale missionaris in mij een beetje boven. Als ik vertel dat ik liever ongetrouwd blijf en geen kinderen wil zodat ik de wereld over kan reizen, mijn werk kan doen en vaak hechte vriendschappen met mensen van over de hele wereld kan onderhouden, dan zie ik soms een paradigmaverschuiving in de ogen van mijn gesprekspartners, en niet alleen bij vrouwen. Dat dat ook kan. Dat het een optie is om een betekenisvol en vervuld leven te leiden en dat het dus niet zielig is, of een vorm van falen. Zulke momenten beleef ik best veel. Ook met mannen (vooral [brommer]taxichauffeurs). Dat voelt tof, dan.

Ik had vorige week een discussie met een masseuse in Yogya die me kwam pietjetten (zoals dat hier heet), mijn spieren waren totaal verstijfd van al dat computerwerk. Die discussie was voor mij dan weer leerzaam. Ze heeft haar hele leven haar echtgenoot gevolgd in wat hij deed. Hij werkte in Singapore en Maleisië en zij ging met hem mee. Werken mocht ze niet, want dat was zijn afdeling. Dat vond ze volkomen normaal en acceptabel. Hij was een goeie echtgenoot, zegt ze tegen me. Hij onderhield me. Ik kwam voor hem op nummer 1, dus ik was er gewoon altijd voor hem. Ik vraag haar meerdere keren of ze dat zelf ook wilde, maar die vraag begrijpt ze niet, en dat is geen taalprobleem. Ze lijkt haar huwelijk te zien als een doodnormale vorm van zorg voor elkaar.

Nu is hij overleden en is ze aan het werk. Ze mist hem, maar het is ook goed zo, want hij was ook wat ouder dan zij. Wat vindt ze fijner, wil ik weten met mijn sturende vraag. Maar ze laat zich niet sturen. Beide is goed, zegt ze. Haar kinderen zijn volwassen en goed terecht gekomen. Ze zegt dat ze het getroffen heeft in het leven. 

En was het bij mijn eigen ouders anders? Mijn moeder is ook gestopt met werken toen ik geboren werd, ze is mijn vader ook overal heen gevolgd, tot aan Indonesië toe, en ging pas weer werken toen mijn broer en ik oud genoeg waren. Daar werden geen vragen over gesteld. Dat was gewoon zo.   

De net iets te vriendelijke meneer is afgedropen. Ik kan nu rustig om me heen kijken en een beetje in de verte staren. Die verte is prachtig, en ik ben bevoorrecht dat ik die zo onbekommerd kan genieten.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten

In de verte

Terwijl ik dit blog aan het schrijven ben, op een terras met een lime squash aan het paradijselijke strand van de Baai van Kupang, blijf ik ...