Televisie is zo'n achterhaald medium. Wie kijkt er nog analoog TV vandaag de dag? Van de week was ik voor het eerst van mijn meer dan vijftigjarige leven op TV, in een echte studio en met een visagiste vooraf enzo. En allemaal in het Indonesisch...
Het was een regionale Yogyase zender van de staatsomroep TVRI. "Niemand kijkt daarnaar" stelde Citra me gerust. Maar achteraf, vertelde ze, heeft iedereen je toch gezien: de buurvrouw, je collega's, de onderwijzers op de school van je kinderen. "Was jij gisteren niet op TV?" Maar dat vertelde ze gelukkig pas achteraf. Rani, wier promotieonderzoek ik begeleid, had me op de luchthaven van Yogyakarta op grote schermen druk zien gebaren toen ze uit het vliegtuig stapte.
Ik was uitgenodigd door de rechtenfaculteit van Universitas Gadjah Mada (UGM) om te komen vertellen over onze pogingen (met diverse Indonesische collega's) om Indonesisch cultureel erfgoed dat in Nederland opgeslagen en soms tentoongesteld ligt naar Indonesië terug te brengen. Daar zitten ook juridische dimensies aan, natuurlijk, waar ik de ballen verstand van heb. En eigenlijk wil ik dat graag zo houden. Maarja, ik ben een professor uit Nederland dus dan word ik uitgenodigd.
De rechtenfaculteit heeft in samenwerking met de TVRI Yogya een eigen programma op de regionale zender. Die talkshow heet Pro Justicia en gaat wekelijks wel een heel uur lang over juridische vraagstukken. Onderbroken door muziekjes, en reclameblokken, en informatiefilmpjes, maar toch: gewoon langer dan Nieuwsuur. Wat een fantastisch medium, TV. De rechtenfaculteit gebruikt het programma heel bewust als onderwijsmateriaal zoals schooltelevisie op school maar dan op universitair niveau. De jonge generaties lezen minder en kijken meer naar hun scherm, legde mijn collega van rechten uit.
En dat uur mocht ik dus, samen met mijn collega die de juridische vraagstukken aansneed, vullen met mijn avonturen in Nias vorig jaar, het koloniale verleden dat Nederland en Indonesië verbindt, de aanbevelingen van de Commissie Koloniale Collecties van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit 2020, en het belang van voorouderlijke klanken voor herkomstgemeenschappen. Het vakgebied van mijn collega is adatrecht, de formalisering van inheemse, vaak ongeschreven regels. Adatrecht als categorie is bedacht door de Nederlanders (Snouck Hurgronje!), maar heeft ook een belangrijke basis gelegd voor de juridische organisatie van de Republiek.
Op TV in het Indonesisch, heremetijd, nog net niet live, maar zo bleek achteraf, ook helemaal niet geredigeerd. Het werd gewoon zo uitgezonden als het opgenomen was. Ik heb peentjes zitten schijten en had me een hele dag lang als een hypergefocuste nerd zitten voorbereiden.
Dat het er allemaal uiteindelijk behoorlijk goed uitkwam (al zeg ik het zelf) had te maken met een aantal dingen.
De vragen waren me vooraf toegestuurd en mijn collega had aan de presentator gevraagd niet teveel te improviseren zodat ik dat ook niet hoefde te doen. Ook de vragen uit het publiek waren goddank helemaal geregisseerd en voorbereid.
Ik moet toegeven dat AI-vertalingen me gered hebben, gewoon om de snelheid. Ik kan in het Engels formuleren wat ik wil zeggen, google translate maakt er in één seconde Indonesisch van, en daarna pas ik dat aan aan mijn eigen woordenschat en de zinsconstructies die ik vaak gebruik. Als ik dat helemaal zelf had moeten bedenken had ik nooit genoeg tijd gehad.
En dan hardop oefenen, zoals ik de studenten ook altijd aanraad, je mond en je oren laten wennen aan de klanken, de opeenvolging van woorden in je lichaamsgeheugen krijgen. Eén of twee keer is al genoeg. Het maakt een wereld van verschil.
Ik had me zó goed voorbereid dat ik op de dag zelf totaal rustig was, alles over me heen kon laten komen: de producer die me kordaat van de ene naar de andere hoek van de studio dirigeerde en me fronsend aankeek als ik haar instructie voor de zekerheid nog even herhaalde met mijn Hollandse accent, het leger visagistes met enorme dozen make-up - ik kon er echt van genieten.
Ik ben eigenlijk altijd zenuwachtig, zelfs nog een klein beetje als ik college ga geven, na al die jaren en al die (goede) ervaring. Ik vind lesgeven het leukste wat er is. Maar ik ben niet meer zenuwachtig voor mijn zenuwen. Dat heeft mijn leraar Klassieke Talen me in de vijfde van de middelbare al als truc meegegeven: je mag best zenuwachtig zijn, geen enkel probleem, maar je hoeft niet zenuwachtig te worden van je zenuwachtigheid.
Ik heb nog steeds plezier van dat advies. Dankjewel Toon!









Geen opmerkingen:
Een reactie posten