Zaterdag gingen Citra en ik boodschappen doen. Ik had een koffer nodig, want de koffer die ik nu online gekocht heb is een achterlijk groot bakbeest dat ik niet mee naar Flores durf te nemen vrijdag. Te genant. En ik moest malariamedicatie halen voor Flores. Zeker met zo'n long-covidgeschiedenis wil je echt geen malaria oplopen... Daarna gingen we sate kambing eten aan de weg. Citra weet altijd de allerbeste eetstalletjes.
In de auto kunnen we altijd lekker babbelen, en Citra vertelde over haar grootouders toen we langs het steegje reden waar zij vroeger woonden.
Citra's zusje was veel ziek en had veel zorg nodig, dus Citra heeft een paar jaar bij haar grootouders gewoond zodat haar ouders beter voor haar zusje konden zorgen. Haar opa en oma hadden het niet breed. Opa was een lagere ambtenaar bij de gemeente. Oma was naaister. Ze hadden nooit honger, maar eten was beperkt tot rijst, groente en soja (tempe en tahu). Vlees was veel te duur.
Maar op zondag was alles anders, vertelt Citra verder. Dan kwam Ibu Puspa. Ibu Puspa (spreek uit: Poespô) was een onberispelijk geklede dame die vlees verkocht op de nabijgelegen Pasar Beringharjo. Als de markt afgelopen was, zo rond het middaguur, dan nam Ibu Puspa in haar prachtige sarong en kebaya en heur haar in een bijkans gebeeldhouwde wrong een becak (een fietstaxi) en dan liet ze zich voor het huis van Citra's opa en oma afzetten met een tas vol vers vlees. De kinderen keken enorm op tegen deze keurige Javaanse dame en verheugden zich elke week op de waardevolle kost die ze bij zich had voor het middageten.
Pas veel later, vertelde Citra, kwam ze erachter dat Ibu Puspa de maitresse was van de jongere broer van haar oma. Ze verkeerden ongetrouwd met elkaar, waar de hele familie natuurlijk wat van vond, maar niemand iets van zei, want Ibu Puspa kwam elke week langs met vers vlees. Waarom de partners niet getrouwd waren weet ik niet. Ongetwijfeld waren er ergens een of meer andere partners in het spel...
Ik zit ademloos te luisteren naar Citra. Ze is een paar jaar jonger dan ik, maar niet veel. Ik was ook in Yogya gedurende de tijd waarover zij vertelt (de jaren 80), slechts een paar kilometer noordelijker op de campus van de universiteit. Wij hadden elke dag vlees op tafel.
Citra en ik hebben al vaker bedacht dat we elkaar goed tegengekomen zouden kunnen zijn, veertig jaar geleden. We weten zelfs een voetbalveldje waar we allebei vaak gespeeld hebben. Maar we zijn elkaar nooit tegengekomen, niet bewust althans, omdat de omstandigheden daar geen mogelijkheid toe gaven. Ik had alleen witte vriendjes en vriendinnetjes uit het kleine kringetje Nederlanders dat in Yogya verbleef.
Indonesië was 40 jaar na de onafhankelijkheid dus nog steeds een gesegregeerd land, met de expats (vroeger de kolonialen, maar het waren dus gewoon dezelfde mensen, onder wie mijn ouders) in hun eigen bubbeltje. Nu kunnen Citra en ik bevriend zijn op min of meer gelijkwaardige basis, simpelweg ook omdat we allebei welvarend zijn, al is er in absolute zin met mijn salaris en haar salaris nog steeds letterlijk een wereld van verschil.
Ik heb Citra gezegd dat ze een boek moet schrijven met deze jeugdherinneringen. Dus dit is alvast een voorpublicatie, met haar toestemming. Iedereen lezen straks, dat boek.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten