dinsdag 18 juli 2017

Pijn

Vandaag was het de bedoeling even pauze te houden. Even niet met de auto op de weg zitten. Even op één plek zijn, de lucht opsnuiven en verder niet zoveel. Maar het werden weer twee dagen ineen met overweldigende indrukken.

Ter geruststelling: de titel van dit blog is niet op mij van toepassing. Ik heb het afgelopen jaar veel pijn gehad, maar ik ben hier totaal pijnvrij als ik niet langer dan twee uur stilzit. Ik kan einden lopen met groter gemak dan in de afgelopen 15 jaar. Dat opent mogelijkheden voor me en maakt dat ik veel aandurf. Vandaag ben ik tot aan het randje gegaan. Maar niet erover.

De ochtend heb ik al koffieleutend en kletsend doorgebracht in drie hele oude dorpjes op loopafstand van mijn hotel in Waikabubak. Daar blog ik later over. Ik was rond 12 uur terug bij mijn hotel om me even op te frissen en toen ik het hotel weer uitliep om op zoek te gaan naar een eettentje liep ik de oude bapak (meneer) tegen het lijf met wie ik gisteren een praatje had gemaakt. Hij is er altijd, bij het hotel, rokend en sirihkauwend met het hotelpersoneel.

“Er is een ceremonie vandaag,” zei hij, “in het dorp Batalakona, om een overleden persoon te eren. Heb je zin om er naartoe te gaan? Het is vlakbij. Er is muziek met gongs en trommels, er gebeurt van alles.” Ik had er wel oren naar. “Ik weet wel een ojek (een brommertaxi)” zei hij en wees op een van zijn maten met wie hij zat te roken. We onderhandelden een prijs en de jongen stapte op zijn brommer. Ik achterop. “Maar wel eerst sigaretten kopen” zei de oude man. “Je moet iets meenemen voor het dorpshoofd.”

En zo gingen we op weg. Zonder helm, en met drie pakjes kretek op zak door de rijstvelden. In heel Indonesië is het doodnormaal: bij een wildvreemde kerel achterop de brommer stappen en tegen betaling ergens heengereden worden, maar toch dacht ik bij mezelf: “Ik ben gek.”

De brommerjongen wist de weg niet goed. Het was verder dan de 3 km die de oude man gezegd had, maar de mensen aan wie we de weg vroegen, waren eenduidig in de richting. We gingen de heuvels in, nog meer rijstvelden, een onverharde weg, gehobbel. De brommerjongen begon te mopperen: “het is te ver. Zullen we teruggaan?” Maar dat wilde ik niet. “Kom op, nog even door,” zei ik.

Toen we er bijna waren – we konden de huizen al zien liggen, wilde de brommerjongen niet meer verder. Dan stap ik af, zei ik. Ik ga wel lopen. Er zijn genoeg dorpen met vriendelijke mensen in de buurt die me tegen betaling terug kunnen brengen. Ik betaalde hem en ik hoorde hem wegrijden.

Daar stond ik dan, midden in de rijstvelden, vlak voor een bos. Ik kon de gongs en trommels en het geroezemoes van mensen al horen, maar ik had geen idee of en hoe ik er ontvangen zou worden. Maar het kunnen lopen geeft me vrijheid: ik weet de weg terug naar het dichtstbijzijnde dorp met mensen die ons zojuist uiterst vriendelijk geholpen hadden de weg te vinden. Er kon echt niet veel misgaan. Maar toch dacht ik bij mezelf: “Ik ben gek.”

Ik wandelde door het bos, kwam bij een open plek met oude adathuizen, een overvloed aan geparkeerde brommers en een hele hoop mensen, gekleed in de meest prachtige ikats. Hier gebeurde het.

Ik vroeg aan de buitenste omstanders of ik mocht komen kijken. Dat mocht. Ik vroeg naar het dorpshoofd, om de oleh-oleh (cadeautjes) te overhandigen. Het dorpshoofd nam de sigaretten aan. Ik mocht gaan zitten, moest op de foto, kreeg koffie (heerlijke verse koffie van het eiland) en daar was ik blij mee, want ik had alleen ontbeten met 2 slappe toastjes en een gekookt ei. Ik begon honger te krijgen.
Lange tijd gebeurde er niet veel. Zitten, praten, vertellen (leeftijd, werk, familie, burgerlijke stand, geloof, etc.). Takken van de uitgebreide familie van de overledene begroetten elkaar, door elkaar met voorhoofd en neus aan te raken, bij wijze van kus. Er waren auto’s met Jakartaanse nummerborden, veel van de vrouwen met wie ik sprak werken in Maleisië en Singapore en spraken een aardig woordje Engels. Ze waren alleen even hier voor de ceremonie, die enkele dagen duurt. Iedereen wilde met me op de foto. Ik hoorde dat de (10 jaar geleden) overleden persoon door geweld om het leven was gekomen, nog geen 40 jaar oud.
Ik weet dat er voor dit soort gelegenheden dieren geslacht worden en ik heb eerder het doden van dieren meegemaakt, zo’n 10 jaar geleden in een dorpje in KwaZulu, in Zuid-Afrika. Dus ik had me daar mentaal op voorbereid. Ik had me niet mentaal voorbereid op de manier waarop dat hier gedaan wordt. Ik raad mensen met een groot hart voor dieren dan ook af om de tekst tussen de volgende en de laatste foto te lezen. Ik schrijf het op omdat ik het kwijt moet en misschien ook wel omdat ik het niet moet vergeten. Ik heb veel foto’s en video’s gemaakt, maar ik weet niet of ik ze ooit nog wil zien, en ik zal de meest expliciete hier dus ook niet posten. 

In Europa behandelen we dieren net zo verschrikkelijk als hier – zie de recente ophef over de excessen in een slachthuis in het Belgische Tielt, die min of meer staande praktijk blijken te zijn in Nederland en België. Maar die praktijken schuwen het daglicht, worden aan het publieke oog onttrokken. We willen allemaal ons lapje vlees, maar we willen de weg van dier naar bord niet zien. Hier op Sumba worden die praktijken juist in het centrum van de aandacht gesteld, misschien om een evenwicht te bewaren of te herstellen.

In Europa gaan we pijn uit de weg. We weten dat patiënten na een operatie sneller herstellen als de pijn onderdrukt wordt. De norm is om elkaar geen letsel of leed toe te brengen, al wordt die norm zeker niet altijd nageleefd. Ook dan worden de letseltoebrengende praktijken (kleding gemaakt door kindslaafjes in Bangladesh, brandstof ten koste van leefgebieden in Nigeria) aan het publieke oog onttrokken. Zo kunnen we de illusie in stand houden dat we met onze gebruiken niemand leed toebrengen, hetgeen natuurlijk een portie zelfbedrog van de hoogste orde is. Hier op Sumba rust op het toebrengen van letsel en pijn geen taboe. Het is een openbaar gedeelde en daarmee maatschappelijk geaccepteerde bezigheid.

Eens per jaar vinden in West-Sumba de Pasola-evenementen plaats. Priesters bepalen aan de hand van de kleur van een aangespoelde zeeworm of de Pasola-festiviteiten kunnen beginnen, meestal in februari of maart. Wat volgt is een reeks gevechten met speren te paard, met de expliciete bedoeling zoveel mogelijk bloed te doen vloeien. Bloed moet stromen om de aarde vruchtbaar te maken. Als de oogst niet goed is, moet er meer bloed vloeien. Tot voor kort vielen er altijd doden bij de Pasola, tot de overheid het gebruik van speren verbood en het gebruik van botte stokken instelde en handhaafde. Nog steeds vallen er elk jaar vele zwaargewonden. En dat is de bedoeling. Bloed moet vloeien.

Het doden en offeren van dieren heeft dezelfde functie: de aarde vruchtbaar maken. Bij begrafenissen moet de overledene bovendien goed ontvangen worden door de marupu, de voorouders, die daarvoor gunstig gestemd moeten worden. Hoe meer geofferde dieren, hoe tevredener de voorouders, des te hoger de sociale status van de familie van de overledene. Voorheen liepen de aantallen geofferde dieren in de tientallen, tot de overheid ook hier paal en perk aan stelde. Vanmiddag telde ik twee runderen (een koe en een stier) en een stuk op 6 tot 8 varkens.


De slachtpartij was gruwelijk. In KwaZulu destijds was de slachting van twee geitjes niet pijnloos, maar wel snel. Hier leek het juist niet de bedoeling de dieren hun leven te ontnemen, maar ze te laten bloeden. Hoe langer hoe beter. Wat een vreselijke pijn hadden die dieren, en wat een angst.

We weten steeds meer over hoe varkens een bewustzijn hebben dat dicht bij dat van mensen komt, dat ze kunnen voelen zoals mensen voelen, dat ze kunnen lijden zoals mensen lijden. En dat lijden kunnen ze directer uitdrukken dan runderen. Ik twijfel er niet aan of de runderen hebben evenveel gevoeld en geleden, maar de varkens communiceerden. Direct en onontkoombaar. Krijsen als een mager speenvarken. Ik zal die uitdrukking nooit meer zonder rillingen kunnen horen.

De runderen werden als eerste naar het veld in het bos gebracht. De koe werd omver getrokken, tegen de grond gewerkt en met haar poten aan elkaar vastgebonden. Daarna kreeg de stier een klap met een kapmes in zijn keel, en hij werd over de koe heengetrokken zodat zijn bloed over haar heen gutste. De kracht van de stier was ongelooflijk. Toen hij al minutenlang uit zijn keel gebloed had, rukte hij zich met een enorme brul nog bijna los van de 5 of 6 mannen die hem met touwen en aan zijn staart vasthielden. Hij stormde nog op de menigte af die snel uiteen week, voor hij door zijn poten zakte. Ook op de grond heeft hij nog minutenlang geleefd.

Daarna was de koe aan de buurt die ook slechts langzaam leegbloedde. Honden begonnen het bloed op de grond op te lebberen. Maar het ergste moest nog komen. De varkens wisten hoe laat het was. De zes enorme zeugen krijsten en gilden, niet alleen uit verzet maar ook van de pijn. Ook zij werden met hun voorpoten aan elkaar gebonden, voordat er ruw een bamboestok tussen hun vastgebonden poten werd gestoken en daaraan werden ze opgetild. Net zoals een mens gemarteld wordt als hij aan zijn op zijn rug gebonden armen omhoog gehesen wordt.

Ik was zo verstandig geweest om te gaan zitten. Nog steeds had ik die dag alleen 2 toastjes en een ei gegeten. Naast me sloeg iedereen de taferelen in alle gemoedelijkheid gade: peuters, kinderen, bejaarden. Er moesten nog meer selfies met mij gemaakt worden, er werd gelachen en gekletst.

Ook de varkens deden verwoede pogingen om aan hun lot te ontsnappen. Een van hen lukte het om op haar aan elkaar vastgebonden poten te gaan staan en daarna naar het uiteinde van haar bamboestok te strompelen. Haar slachters hadden maar net op tijd door dat ze weg aan het komen was. Arm slim dier.
De varkens werden met kapmessen achter hun voorpoten gestoken om zo leeg te bloeden. Ook hier duurde het oneindig lang voor de dood intrad. Ik zat daar op dat muurtje met warme gezellig kletsende mensenlijven om me heen. Ik maakt veel foto’s en video’s omdat ik voelde dat de taferelen door een lens dragelijker werden om te aanschouwen. Dan kun je doen alsof je naar een film kijkt.

Achter me stond een jongetje van een jaar of vier. Staand kon hij net tussen mijn schouder en die van zijn oma kijken, die naast me zat. Hij bekeek het geheel zonder zichtbare ontsteltenis, maar hij had zijn kleine handje om mijn hals gelegd en hij leek me te aaien. Misschien wilde hij alleen voelen hoe mijn rare witte huid voelde, maar ik concentreerde me erop om verder te kunnen dissociëren van wat er voor mijn ogen en oren gebeurde. De aanraking was troostend. Misschien voelde hij mijn ontsteltenis wel.
Het einde was het ergst. De varkens werden in brand gestoken. Iedereen bezwoer me dat ze al dood waren, maar ik keek in hun ogen en dat waren ze niet. Ze waren in shock of in coma, maar ze waren niet dood. En de fik ging erin, met brandend stro. Al gauw laaiden op het veld verschillende brandstapels op; de verbrande huiden werden van de dieren afgeschraapt. Daarna werden de runderen ontdaan van ingewanden die allemaal met zorg werden schoongespoeld en daarna aan het dorpshoofd gepresenteerd. Goddank was het over.
Ik was murw. Ik wilde alleen maar naar huis en tot mijn grote opluchting zei een van de familieleden met wie ik had zitten praten ook dat ze naar huis wilde. Ze bood me een lift aan op haar brommer, die ik dankbaar aannam. Eigenlijk moest ze de andere kant op, maar ze dropte me aan de stadsrand van Waikabubak, op loopafstand van mijn hotel.

De wereld voelde onwerkelijk. Ik voelde me bevrijd dat ik weer in het stadje was. Het voelde bijna als thuis. Er was een voetbalwedstrijd aan de gang op het sportveld. “O wat heerlijk” dacht ik, “mensen die het tegen elkaar opnemen met een potje balletje trappen. Wat een opluchting.” In de tuin van een huis waar ik langsliep stond een jongetje van een jaar of acht hard "Mister" naar me te roepen en te zwaaien. Toen ik terug zwaaide wierp hij me een kushandje toe. Ik moest er bijna van huilen, zo blij was ik ermee.

Ik moest op zoek naar iets te eten, maar het was inmiddels half vijf en de meeste eettentjes waren al dicht. De tentjes die nog open waren, boden rundvleessoep en ik had niet het gevoel dat ik dat kon binnenhouden. Ik kocht geroosterde maiskolven en verse pisang goreng en ik voelde me krachtig in mijn lopen - "ik loop hier in mijn eentje door Waikabubak en dat kan dus gewoon" -  maar leeg van binnen. In het hotel nam ik een heel lang plensmandibad.

Morgen maar lekker uitrusten in de auto op de weg met Pak Danny en zijn gezellige royale sirihfluimen... 

maandag 17 juli 2017

Op mezelf

Citra en Koes zijn zojuist vanuit West-Sumba (waar we inmiddels 2 dagen hebben rondgereden) teruggereisd naar Yogya. De scholen zijn daar net weer begonnen; werk aan de winkel dus, zoals voor mij eind augustus.

Ik wil nog blijven. Ik ben nog geen twee weken in Indonesië waarvan 5 dagen op Bali. De overige 9 dagen voelen als een maand of langer. Ik heb een overdaad aan de meest fantastische dingen gezien en meegemaakt. Maar het gaat me allemaal te snel. Ik moet langer dan 1 nacht op een plek zijn om het gevoel te kunnen hebben dat ik er ben geweest en ik moet de lucht en de grond onder mijn voeten voelen om ergens heen te gaan.

Citra en Koes snappen dat wel, geloof ik – ze hebben gewoon niet zoveel tijd. Maar ergens snappen ze het geloof ik ook niet helemaal. Dat ik steeds uit de auto wil om te lopen (van het lange zitten in de auto krijg ik pijn). En als ik ze dan eindelijk die auto uit heb om niet meer dan een kwartiertje naar het volgende dorp te wandelen, dan loop ik ze er allebei in no time uit, met een kunstpoot en een versleten poot.

Het motto “Zitten is het nieuwe roken” is nog niet doorgedrongen tot de Indonesische middenklasse geloof ik. Je fysiek inspannen wordt misschien nog steeds wel erg geassocieerd met een arm bestaan.

Toch ging het ontzettend goed, met ons tweeën en later drieën. Indonesiërs zullen het niet zo snel zeggen als ze zich aan je ergeren, maar we hadden het duidelijk ontzettend gezellig: veel grappen, plagerijtjes, ondanks mijn beperkte taalvaardigheid, veel gedeelde opwinding over de mooie dorpen, landschappen en mensen die we zijn tegengekomen.

Ik vind het spannend om nu in mijn eentje door een van de minder toegankelijke gebieden van Indonesië te reizen, zonder twee native-speaker bemiddelaars tussen mijzelf en de beslissingen over transport, overnachting en eetgelegenheden. Ik blijf nog enkele dagen op Sumba, om ook het oosten van het eiland te verkennen. Daarna vlieg ik terug naar Flores: dat is geen eiland waar je - zoals vorige week - in 4 dagen overheen kunt racen en dan zeggen dat je er geweest bent.

Eigenlijk is het perfect zo: ik weet nu waar ik wel en niet heen wil, ik heb op Sumba en Flores contacten gelegd met betrouwbare chauffeurs met wie ik ook een leuk babbeltje kan maken. Dan gaat het net als in Zuid-Afrika met Selby: allerminst alleen. Ik weet dat niet iedereen zich zo’n reiswijze kan veroorloven, maar ik vind het een waardevolle investering.

Met Traveloka, de Indonesische Booking.com, kan ik op mijn telefoon vluchten en hotels boeken, vaak niet meer dan een dag van te voren en voor oppervlakkige contacten is mijn Indonesisch echt ruim voldoende. Veel mensen zijn vaak blij verrast als ze meer met me kunnen uitwisselen dan "Hello mister, how are you?" Ook op de momenten dat Citra en Koes niet in de buurt waren, ging contact maken soepeltjes. 

Morgen heb ik even vakantie van de auto. Daar is Waikabubak het perfecte stadje voor: veel prachtige oude dorpen op loopafstand, een gezellige markt. Ik zit in een basic maar schoon hotel met een mandikamer die nog een mandikamer is, en geen douche met een pisstraaltje. Heerlijk is dat, plenzend mandiën. Ik zit op mijn platje voor mijn kamer te schrijven met uitzicht op een reusachtige kerk aan mijn linkerhand, waar af en toe een drummer aan het oefenen is voor de dienst, en aan mijn rechterhand een pesantren, waar je kindertjes hun koranverzen hoort opdreunen en die om 04.45 uur 's ochtends snoeihard begint te blèren. Dan ben ik wel om 6 uur gewassen en gebaad en kan ik een wandeling maken. Alhamdulillah.

De Sumbanezen lijken zich niet veel aan te trekken van mijn enorme witte verschijning. Weinig starende blikken, weinig gevraag behalve uit interesse, en dat terwijl ik in de afgelopen dagen slechts drie andere boelèès heb gezien en we weer een veelheid aan potentieel toeristische plekken hebben bezocht.

Overmorgen ga ik met Pak Danny naar Oost-Sumba. Danny is een gezellige, gedrongen kerel met een dikke wang van het betelblad dat hij daar opspaart om de hele dag op te kauwen. Af en toe steekt hij zijn kop uit het raam en lanceert hij een fluim rode smurrie de straat op. Ik moet dan zorgen dat ik niet net ook met mijn kop uit het raam hang.

Op Flores heb ik al met Pak Edison afgesproken. Ik wil dan nog een dag of 5 tot 7 wat rustiger door Flores reizen. Langs waterbronnen, watervallen, bossen en misschien kleine wandeltjes maken. Spannend.


zaterdag 15 juli 2017

Ibu Elisabeth

Het spanningsveld tussen geobjectiveerde exotiek en het leven van mensen werd voor Citra en mij belichaamd door Ibu Elisabeth, de 35-jarige derde vrouw van de kepala desa die ons met een stralende lach en schrandere ogen begroette.

Ze komt uit de stad Soe, ze is naar school geweest en sinds ze aan het dorpshoofd – immers de raja van Biboki – uitgehuwelijkt is, leeft ze hier aan het einde van wereld waar ze haar 50 jaar oudere echtgenoot nu al 7 van zijn 23 kinderen heeft geschonken. De jongste is 3, die ligt nog aan de borst, twee kinderen van 6 en 8 zijn ziek en hebben de hele nacht onophoudelijk gehuild omdat ze sakit perut hebben (last van hun buik). We hebben aangeboden ze naar Manufui te rijden, het dichtstbijzijnde dorpje met een schooltje en een puskesmas (gezondheidscentrum), een uur verderop, maar dat aanbod sloeg Ibu Elisabeth af.

Er was een onmiddellijke klik tussen haar en Citra, vrouwen van dezelfde leeftijd, met radicaal verschillende levens. En we kunnen er maar niet over uit, Citra en ik. Dat onze levens er ook zo uit hadden kunnen zien als we op een andere plaats en tijd geboren waren…

Toen de avond viel en de zon verdween vlak na onze aankomst in de lopo van de kepala desa, ging de wind niet liggen. Hij waait altijd, zeggen ze in het dorp, en altijd zo hard: overdag, ‘s nachts, in de droge tijd, in de regentijd. De huisjes zijn niet van de dichte palmbladeren gebouwd zoals de adathuizen boven bij het koninklijk paleis, maar van planken met kieren – in een tropisch klimaat erg praktisch voor de ventilatie, maar hier is het zoals in Nederland in november.
De enige manier om het niet nog kouder te krijgen is om bij elkaar om een rokerig. vuurtje onder de open lopo te kruipen: honden, varkens, mensen, met dikgeweven ikats om hun schouders. Ik vind Citra stoer – dat ze als uiterst vrijzinnig maar belijdend islamiet met honden en varkens om een vuurtje kruipt. Op het vuurtje wordt ook gekookt: zoete aardappel, en als er gasten zijn, zoals wij, dan is er ook rijst (die moet van ver komen – is luxe) en gewokte groenten met zout. Verder is er niets.

Wat trekt ons daarin aan? Vroeg ik me af terwijl ik in het bed van de kepala desa lag te kleumen in de wind en Citra opgerold en niesend naast me lag te bibberen. Waarom geeft het bevrediging om hier op bezoek te komen, te zien hoe zwaar het bestaan hier is, met kinderen die in hun blote billen met varkens en honden in de modder spelen? En om daarna weer weg te gaan, naar een schoon en warm hotel aan de kust van Kupang?


Citra en ik vinden het allebei leuk; dat spraken we uit daar in dat bed: mijn god wat hebben we het koud, en wat is dat bed hard, maar wat spannend is dit om hier aan het einde van de wereld de nacht door te brengen. Als islamiet heeft ze er de nabijheid van varkens en honden voor over en beide hebben we er een slaapplaats in de wind en een modderige wc naast het varkenskot voor over, een klamme huid en klamme kleren. Maar dat is alleen omdat we er morgen weer weg kunnen. Ik zou het er geen twee dagen uithouden. Ibu Elisabeth is er 7 kinderen aan het grootbrengen... 


De koning van Biboki

Aan het einde van die bergweg, vlak onder de heuveltop, ligt Temkessi. Er verzamelde zich al snel een welbekend gierend groepje “boelèè” (witte) en “raksasaaaaa” (lelijke reus) -roepende jongetjes om ons heen, die ons de weg wezen naar het huis van de kepala desa, het dorpshoofd. Hij zat onder zijn lopo. Het was intussen zo laat geworden dat we moesten overwegen om in Temkessi te overnachten. Het dichtstbijzijnde hotel was in het stadje Kefamenanu, uren terug.

We liepen het erf van het dorpshoofd op, beleefd “permissi” roepend. Hij zat op een eenvoudige plastic tuinstoel, maar had een prachtige kain om zijn lichaam gewikkeld, die elegant op de grond viel. Hij keek ons nieuwsgierig aan en nam onze begroetingen minzaam in ontvangst. Citra deed dat met overtuigende superbeleefdheid; ik probeerde haar zo goed mogelijk na te doen, onwennig als ik ben met hiërarchische verhoudingen. Dat betekent: je fysiek klein maken, nadrukkelijk spreken om je betrokkenheid te tonen, cadeautjes meenemen. 

Ik liet Citra het woord maar doen; ze deed de perfecte smalltalk voor ze het verzoek neerlegde om hier misschien de nacht te mogen doorbrengen. De kepala desa werd daar een beetje boos om. We waren hier nu toch? Dat betekende dat we in het dorp geaccepteerd waren en daarom was het dus duidelijk dat we zouden blijven overnachten. Dat hoefden we echt niet te vragen. We bedankten hem desondanks uitvoerig.

De kepala desa demonstreerde zijn kennis van het Engels, noemde verschillende steden in Nederland, vroeg naar mijn familie, mijn geloof, mijn uitzonderlijke lengte, enz. enz. Voor elk onderdeel – sommige niet zo heel makkelijk: geen kinderen, geen geloof en al 43? – heb ik intussen een acceptabel riedeltje in het Indonesisch klaar, dus dat was mooi meegenomen.

De kepala desa is afkomstig uit de koninklijke familie van het Bibokivolk. Althans. Dat zegt hij zelf. Hij is geboren in 1933 (84 jaar oud dus), hij heeft 23 kinderen van 3 vrouwen. In alles stelt hij zich op als een raja (een koning) al is zijn koninkrijk niet meer dan enkele vierkante kilometers groot: zijn stem, zijn zichtbare ouderdom, zijn minzaamheid, zijn gang...

De volgende dag trok hij zijn beste kleren aan – een in het dorp geweven ikat als sarong, een ikatten jasje en een hoofdtooi – en bracht ons naar het istana, de koninklijke vetrekken bovenop de heuveltop. Het was ‘s ochtends rond een uur of half 7, we waren sinds 5 uur op, de wind had sinds onze aankomst onophoudelijk gegierd en we liepen in de wolken – nauwelijks meer zicht dan 100 meter.

Dat gaf de korte tocht een sprookjesachtige en ook lichtelijk spookachtige sfeer. De kepala desa liep voor ons uit, op blote voeten. Wij volgden op gepaste afstand en we konden hem sowieso nauwelijks bijhouden zo makkelijk liep hij over de gladde stenen de heuvel op, het bos in. Vocht droop van de bladeren. Mistflarden ontrokken hem soms aan het zicht.

Na die korte verraderlijke klim (ik heb me bij elk stap als een bezetene geconcentreerd, want uitglijden is geen optie aan het einde van de wereld op een bospad in de mist) ontwaarden we de eerste lopo’s tussen de mistflarden. Hier wonen ook mensen, warmer dan beneden, denk ik, want de lopo’s zijn van dichte palmbladeren met beschutting tot aan de grond. In een van de open lopo’s vertelde de kepala desa dat hij hier geboren was en we mochten een paar foto’s maken maar niet teveel. Het gastenboek liet zien dat hier om de zoveel dagen toeristen langs komen om te kijken. Na 2 jaar staat de teller op 276.




De stilte, het geglibber over de stenen, de mistflarden, de rotsen, de druipende bomen met luchtwortels, de kepala desa in zijn beste kleren – het was een decor, waarvan de inwoners van het dorp (door de vermelding in een toeristengids 20 jaar geleden) de waarde steeds meer inzien, een waarde die omgezet kan worden in geld, waarmee in levensbehoeften kan worden voorzien. Op die manier wordt een leefwijze deel van een financiële transactie. Zo zijn de dorpen Bena op Flores en Tenganan op Bali openluchtmusea geworden, waarbij de bewoners welvarender zijn geworden.

In Temkessi zijn die levensbehoeften basaal en de transacties (150 per jaar) relatief beperkt: er is geen drinkwater in Temkessi, al is alles vochtig en modderig, geen elektriciteit, geen bereik voor mobiele telefoons, laat staan internet. Er zijn nauwelijks middelen voor transport naar school of naar een dokter. Wordt dat anders als Citra en Koes er een film over gaan maken? 

Het is dat spanningsveld – tussen onze toeristische zoektocht naar dorpjes als exotische objecten, en de armoede en beperkte levensverwachting van de mensen die er leven – dat Citra en ik verder willen bespreken in onze discussiebijeenkomst vanmiddag met documentairefilmmakers uit Kupang. Zij zijn freelancers die de meest belangwekkende producties maken, zoals een film over families in Indonesië wier kinderen huishoudelijke hulpen zijn in Singapore, Hong Kong of Beijing, en die onder slavenomstandigheden hun werk verrichten maar er niet mee kunnen stoppen omdat hele dorpen van hun inkomsten afhankelijk zijn. Zulke films vinden hun weg niet naar een groter publiek – de Indonesische overheid helpt niet mee, want die heeft ook belangen bij de voortzetting van zulke praktijken. Ik ben heel benieuwd naar die discussie

Heuvel op

Gisteren en vandaag zijn Citra en ik naar het einde van de wereld gereisd en terug. Naar Temkessi, een klein oud dorpje in het noord-oosten van West-Timor, niet ver van de grens met Timor Leste, een uiterst ruig en onherbergzaam heuvelgebied, als volstrekte antithese op de overdadige pracht en praal van Flores, maar niet minder indrukwekkend.

Citra wil samen met Koes een documentairefilm maken over oude cultuurgebruiken op de eilanden van Nusa Tenggara Timur. Ze gaan dat pas volgend jaar doen, maar er moeten natuurlijk wel locaties gescout worden. Daarvoor wil ze vooral dorpen bezoeken waar die gebruiken nog gebezigd worden, en dat zijn er nogal wat. En ze liggen ook niet allemaal naast elkaar, dus we hebben vandaag en gisteren weer meer dan 600 km afgelegd: van hoofdstad Kupang naar de voormalige Insana en Biboki koninkrijken, en terug.

In een aantal van die dorpen zijn er nog mensen en gebouwen die van die koninklijke tijden kunnen getuigen, al zijn de getuigenissen schaars en de gebouwen vaak in verval. Net als in Flores heeft ook hier de vervlochtenheid van de raja’s (koningen) met het Nederlandse koloniale bewind er uiteindelijk voor gezorgd dat ze in de Republik Indonesia na 1945 weinig bestaansrecht meer hadden.

Het duurde even om uit te vinden dat Insana een kecamatan is (een gemeente met een aantal dorpen) en geen desa (dorp). Dankzij de 20 jaar oude gids die mijn moeder me meegegeven had konden we al snel bepalen welke dorpen het bezoeken waard waren, maar tegen die tijd had de chauffeur al besloten dat het allemaal te ver was omdat we afgesproken hadden om naar een dorp te gaan en niet naar een verzameling dorpen.

Toen hij dat zei, werd Citra boos. Zoals alleen Javanen boos kunnen worden: uiterst beleefd maar ook glashelder. De chauffeur bond in. Als ik besluit nog een paar dagen alleen door Sumba en Flores te reizen dan weet ik niet of ik me er zo uit kan redden. Maargoed. Dat zie ik dan wel weer.

Eerst bezochten we Oelolok (spreek uit; Oilòlò) dat een beroemd weversdorp zou zijn waar alom vermaarde ikats vervaardigd worden en waar de koning van Insana resideerde in een door de Nederlanders gebouwde villa, met een lopo ernaast: een vergaderplek. Tegenwoordig woont hij in het stadje Soe, 100 km verderop. Oelolok is in verval.







Insana en Biboki zijn koninkrijken van Dawansprekende Timorezen, en de Dawan woonden voorheen altijd in een lopo, een huis in de vorm van een soort bijenkorf van palmbladeren, die nu nog gebruikt wordt voor opslag. Ook heeft elke Dawanfamilie nog een open lopo op zijn erf, zonder muren, en de grootste lopo is van het dorpshoofd (kepala desa): daar komt iedereen samen om problemen te bespreken, en geschillen voor te leggen en uit te praten. Tegenwoordig zie je dat veel Dawan nog steeds in hun lopo leven: koken, eten, spelen, bijeenkomen – het is eigenlijk een huiskamer, maar dan open zodat de koele wind er door heen kan waaien.

Oelolok was bijzonder in al zijn vergane glorie, maar we hadden onze zinnen gezet op Temkessi, de zetel van de koning van de Biboki, nabij Insana. Moeilijk te bereiken volgens het gidsje, bovenop een steile heuvel over een geitenpad, en we moesten er niet op al te veel gastvrijheid rekenen.

We vroegen de weg, en reden, en vroegen de weg weer als we dachten dat we toch echt verkeerd moesten zitten omdat we nog steeds niet bij Temkessi waren, maar steeds was het antwoord eenduidig: terus, terus – doorgaan in dezelfde richting. De weg werd steeds moeilijker begaanbaar, het landschap kaler, we moesten stapvoets rijden tot we op de rug van een heuvel uitkwamen waar de wereld aan beide kanten aan onze voeten lag. Nog geen 300 meter hoog, maar door de steilheid was het net of je bovenop de Mount Everest stond.

Bovenop die bergrug waaide een kolossale wind, zoals bij Scheveningen met windkracht 8. Je moet tegendruk geven om niet om te vallen. We kwamen bij de afslag die in het gidsje stond: vanaf hier nog 2 km naar het dorp. Beter gaan lopen – een auto kan daar niet echt over.

Maar de chauffeur vond dat het wel kon, het is immers geen regentijd. Ik legde uit dat ik graag wilde lopen. Dat begreep hij eigenlijk niet, en Citra ook maar half – waarom zou je gaan lopen als je met de auto kan, maar ik had al de hele dag in een auto gezeten. Ik kan weer lopen, dan wil ik dat ook graag doen.


Fijn hoor, lopen in je eentje door een overweldigend woest, ruig en geïsoleerd berggebied over een breed pad, terwijl je weet dat de auto om de hoek staat te wachten. Ultieme vorm van toerisme, maar wat heb ik genoten daar op die bergrug met de wind in mijn gezicht. Wie had 10 maanden geleden gedacht dat ik hier zo lekker zou lopen?




woensdag 12 juli 2017

Tempo

Ik spreek de afgelopen dagen alleen maar Indonesisch, met alleen af en toe een Engels woord als ik het echt niet weet. Ik leer veel bij, maar zoals dat gaat als je een taal leert, denk je eerst dat het alleen maar slechter wordt, omdat je van onbewust onbekwaam bewust onbekwaam wordt. Ik moet er weer stevig aan wennen dat ik van de 10.000 manieren die ik in het Nederlands of Engels ter beschikking heb om iets te zeggen, terug moet naar 500 ofzo, en iets dus altijd onvolkomen moet overbrengen. Geen precisie mogelijk, geen variatie, en ik kan de snelheid niet bijhouden: wanneer ik bedacht heb wat een woord betekent, is mijn gesprekspartner al vijf zinnen verder. Maar ik weet dat dat bij het leerproces hoort, en ik kan rationeel bedenken dat ik over zes weken meer zal kunnen dan nu.

Ik denk dat Citra en ik aangename reispartners voor elkaar zijn. Tot nu toe geen uitgesproken irritaties. We hebben een gemeenschappelijk gevoel voor humor, vinden dezelfde dingen leuk en we kunnen ook ieder onze eigen gang gaan. Ik vind het moeilijk om een ruimte te delen omdat ik zo gewend ben om op mezelf te leven, maar het went, gek genoeg.

Ook moeilijk vind ik het reistempo. Citra heeft niet veel tijd, ze moet op tijd weer bij haar kinderen in Yogya zijn en ze komt voor specifieke plekken als potentiële goede onderwerpen voor de film die ze volgend jaar gaat maken (dat zijn overigens allemaal plekken die ik ook razend geweldig vind). We zijn de afgelopen dagen als idioten over het eiland geraast, wel iets van 800 km over kronkelwegen afgelegd, en het is mij teveel Japanse toerist in Europa: uit de auto springen, snel wat foto’s maken, met wat mensen praten en, hup, naar de volgende bestemming. 

We hebben slechts vier dagen op Flores doorgebracht en vliegen zo al naar Kupang op Timor, waar we met lokale overheden en filmmakers gaan praten, en waar Koes zich bij ons voegt. Ook daar zijn we maar een dag of vier en dan vliegen we door naar Sumba (niet Alor) voordat Citra en Koes terugmoeten moet naar Yogya. Dat is over een week al.

Mijn plan is nog enige dagen langer in Sumba te blijven en daarna terug te vliegen naar Flores waar Pak Edison tijd heeft om nog een week met me het eiland te ontdekken. Dat is eigenlijk perfect omdat ik plekken weet waar ik heel graag naar terug wil en waar ik dan langer kan bijven, en plekken die ik niet zo nodig nog eens of langer hoef te zien. En met Pak Edison kan ik goed opschieten, en hij kan heel erg goed autorijden - geen overbodige luxe hier; met hem durf ik wel mee op stap. Ik kan dan met die ervaringen Citra ook weer helpen met haar film.

Nu is het een kwestie van niet te snel te veel willen, om het allemaal goed vol te houden.
Mooie kerk in Sikka, maar eenmalig

Werkelijk fantastisch, de kratermeren van de Kelimutu-vulkaan, maar eenmalig, om het zo mooi te houden.

Deze foto heb ik naar mijn  orthopeden, huisarts en fysiotherapeut gestuurd, met dank.

Het dorp Wogo, nabij Bajawa was heel bijzonder. Op bezoek bij de Ngada - we zijn uitgenodigd en rondgeleid door Ibu Maria, en we ontmoeten daar ook vele Ursula's, Mathildes, Juliana's etc, maar de oude gebruiken bestaan gewoon in combinatie met het katholieke geloof. Ik kom er graag eens terug om er te overnachten en er meer over te weten te komen.
Ook Wogo.

Bena, ook een heel mooi oud dorp, maar wel een openluchtmuseum.
Todo, nabij Ruteng, het centrum van het Manggarai koninkrijk totdat de Todokoningen vazallen werden van het Nederlandse koloniale bewind en de neergang niet meer te stoppen was. Onze gids is een begenadigd fotograaf (zie onder) - hij wist ons van alles te vertellen over het huis van de Todokoning en demonstreert hier de caci, het zweepslagengevecht tijdens bruiloften, waarbij de bruidegom ware klappen van de zweep op zijn rug en hoofd te verduren krijgt om zijn geschiktheid als echtgenoot te bewijzen. Mannen die geen littekens op hun rug hebben worden niet erg aantrekkelijk gevonden door de vrouwen. 
De gids stond er op deze langdurige fotosessie naast het huis van de Raja (koning) uit te voeren - zo wordt het sterrendom gevormd in Indonesië. :-)

De pasar van Ende vanmorgen. Ontzettend levendig en gezellig. Veel gesprekken, veel contacten, veel mensen die willen helpen. Hier kom ik zeker terug om de omgeving beter te ontdekken. 


Stille Nelis

Met Pak Edison, die zijn diensten als chauffeur op de luchthaven van Maumere aanbood, zijn we slechts drie dagen op stap geweest, maar het voelt als een hele maand. Pak Edison is wat je noemt een Stille Nelis: hij praat zacht, gaat bij het eten aan het hoekje van de tafel zitten om ons niet te storen, en slaat zó snel een kruisje voor hij begint met eten, dat je het niet ziet als je het niet weet.

Die geïnternaliseerde onzichtbaarheid vind ik moeilijk. Het doet me denken aan Zuid-Afrika waar iedereen met een kleurtje tijdens de apartheidstijd geacht werd zich zo op te stellen en dat nu nog in lichaamstaal en communicatiemogelijkheden wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Het is voor mij een indicatie dat Flores een achtergesteld gebied is. 

In het vliegtuig naar Maumere zat ik naast een godsdienstleraar van een SMA (bovenbouw vergelijkbaar met Havo/VWO) in de stad. Hij heeft van alles gestudeerd aan de katholieke missiescholen die op Flores nog welig tieren, en hij wist veel over van alles, waaronder muziek. Maar het eerste wat hij zonder een spoortje ironie zei is dat ik er Indonesischer uitzie dan hij en hij verexcuseerde zich daar nog net niet voor, maar het scheelde niet veel.

Daar zit - net als in Zuid-Afrika (en vele andere plekken op de wereld) - een raciaal probleem. Maleise, melanesische, polynesische, en Europese invloeden maken Flores een uiterst cultureel gevarieerd eiland en die verschillen worden niet zelden door etnische constructies gearticuleerd. De afkomst van Pak Edison uit Maumere, mijn Europese afkomst, en Citra's Javaanse afkomst waren allemaal parameters in de manier waarop we met elkaar konden omgaan.

Maar we waren wel allemaal generatiegenoten. Gelukkig ontspande Pak Edison (om sopir) gedurende de reis, konden we grappen maken, en op de laatste dag haalde hij voor ons (na een ontbijt van nasi goreng met ei) een zak heerlijke gefrituurde krakelverse pisang goreng (gebakken banaan), die we wederom met wapperende haren in de wind onderweg gebroederlijk opgeknabbeld hebben. Het is heerlijk om op reis te zijn. 
Pak Edison (rechts) met iemand van de tambal ban om de banden op te pompen.
Eethuisjes onderweg


Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...