dinsdag 28 juli 2015

Grap



Gisteren is het me voor het eerst gelukt een grapje te maken in het Indonesisch. Mijn gesprekspartners gaven me de tijd en het was geen bijzonder verbale grap, maar hij was wel ontzettend raak, en iedereen lag dubbel. Ik ga hem niet uitleggen, want dat is niet leuk, maar humor kunnen delen in een vreemde taal vind ik toch een mijlpaal. 

Ik kan met veel mensen goed opschieten en als uitgesproken verbaal ingesteld persoon kan ik vrij makkelijk ervaringen met anderen delen door erover te praten, maar humor kan ik met niet zo heel veel mensen delen. Als humor delen al geen intimiteit is, dan is het voor mij toch op z’n minst een aanzienlijke verdieping van het contact.

Hmmm – dat voelt toch een beetje als het uitleggen van een grap. Maargoed. Het is een enorme verworvenheid om vrijwel alleen maar Indonesische gesprekspartners te hebben. Ik word gedwongen te blijven praten en te blijven proberen. Linksom. Rechtsom. Nog een keer de zin beginnen. Iedereen even wachten om me naar woorden te laten zoeken. 

Maar het is ook ontzettend frustrerend. Ik ben compleet gehandicapt. Ik wil het over complexe sociale en culturele vraagstukken hebben met de vocabulair en grammaticale vaardigheden van een vijfjarig kind. Het kan, maar het is wel als een olifant in een porceleinkast. Niks blijft heel. 

Er staat een aardig artikeltje van Philip Huff in DeCorrespondent over het Herderiaanse inzicht dat taal een geladen denksysteem is en hoe het leren van een vreemde taal je nieuwe dimensies van je bestaan kan laten zien. Ik snap op dit moment erg goed waar hij het over heeft. Als ik Indonesisch spreek, gedraag ik me anders dan als ik Nederlands spreek. Dat komt omdat ik in het Nederlands lenig ben en vaak dingen rechtlul die krom zijn, simpelweg omdat ik denk dat me dat lukt. In het Indonesisch moet ik nogal wat nederiger en bescheidener zijn in dat opzicht. En dat is erg goed voor me. 

Maar er is ook nog iets anders wat ik zelfs in het Nederlands niet zo goed in woorden kan vatten: houding, lichaamstaal, oogopslag, manieren van lachen… Voor een deel ga ik daar als sociaal geconditioneerd wezen in mee, maar voor een ander deel voel ik m’n eigen “anders zijn”, de wrijving tussen hoe de norm van spreken, lachen, elkaar aankijken, elkaar begroeten is en hoe ik zelf gewend ben het te doen. 

Als hele grote, witte, alleenstaande, gebrekkig sprekende vrouw voel ik me dan soms ongemakkelijk, maar ik leer ook steeds beter de aanwezigheid van die ongemakkelijkheid te accepteren en zelfs koesteren. Dat is misschien nog de grootste verworvenheid. 

maandag 27 juli 2015

MuZIEK


Als cultureel muZIEKoloog is het goed toeven in Yogya, dat trots de naam van culturele hoofdstad van het land draagt. Dat komt niet in de laatste plaats door de gouverneur van Yogya, die ook de Sultan is.

Zoals bij zoveel Sultans was de macht van zijn dynastie op gecompliceerde en innige wijze verknoopt met die van de koloniale machthebbers, maar toen in 1945 de Indonesische onafhankelijkheid werd uitgeroepen, ondersteunde de Sultan de vrijheidsstrijders met alle mogelijk middelen en verklaarde hij zich solidair met de Republik Indonesia. Daar heeft Yogya nog steeds een speciale status binnen de Republik aan te danken: Daerah Istimewa (speciale regio) Yogyakarta, met de Sultan als gouverneur van de regio aan het hoofd. Voor veel zaken, waaronder cultuur, heeft Yogya een eigen budget.


Voor het International Gamelan Festival Amsterdam, dat van 4 tot 6 november 2016 in het Muziekgebouw aan ’t IJ georganiseerd wordt, is mijn collega Henrice Vonck musici aan het scouten. Zij is degene die me de aanleiding heeft aangereikt ook naar Indonesië te gaan. Ik ga misschien een conferentie organiseren in het kader van het Festival en kan dan meteen op zoek naar sprekers.

Dus gisteren stond een bezoek aan de Keraton, het paleis van de Sultan, op het programma want elke rechtgeaarde Sultan heeft zijn eigen gamelanorkest. De Keraton is een ministadje in de stad, met straten en winkeltjes en pleinen en een muur eromheen om het te verdedigen. Midden in dit fort (benteng) ligt het paleis (istana) en in de binnenste vertrekken van het paleis staan gamelans opgesteld in enorme open pendopo’s: ruime vertrekken met hoge plafonds en zonder muren, zodat het koel blijft voor de dansers en het geluid van de metalen instrumenten weg kan.  
De musici van de Keraton waren niet op de toppen van hun inspiratie. Er was een groot publiek, maar het spel was nogal lusteloos en soms ongelijk. Citra moest er om grinniken. Ze zitten te roken en thee te drinken, zei ze, en dat er twee zangeressen zitten, en niet één, is omdat ze dan als ze niet zingen lekker met elkaar kunnen kletsen.
Maar omdat Yogya zijn eigen cultuurbudget heeft, is het misschien mogelijk subsidie te krijgen voor het gamelanfestival in Amsterdam, want op centen uit Nederland hoeven we niet te rekenen. Daar moeten dan natuurlijk wel musici uit Yogya aan mee kunnen doen, en ze moeten niet gelijktijdig geprogrammeerd worden met musici uit Solo, want daar zit een rivaliserende Sultan en de gamelanscholen uit Yogya en Solo hebben altijd op gespannen voet met elkaar gestaan. Dat wordt nog best een logistiek klusje, want Henrice kent vooral musici uit Solo. 

Al die zaken bespraken we met Citra onder het genot van het typisch Yogyanese gerecht gudeg in een warung bij de Keraton, want zij heeft contacten die ons misschien kunnen helpen bij het aanvragen van subsidies. 
Dezelfde avond nog bevond ik me al weer in de Keraton, nu op het zuidplein, buiten het paleis maar binnen het fort, waar elke avond na zonsondergang ook cultuur op te snuiven valt. En in tegenstelling tot de gamelanopvoering die morgen, was er geen buitenlander te bekennen. Dit is exclusief Indonesisch vermaak.
 

zondag 26 juli 2015

Body



Om mijn lichaam een beetje te helpen wakker te zijn als het licht is en te slapen als het donker is, sta ik elke morgen om 6 uur op om te gaan zwemmen in het zwembadje van het hotel. Het is dan net licht (schemering duurt in Indonesië niet langer dan een kwartier) en ik kan in het zwembad diagonaal net een baantje van 8 slagen zwemmen.

Ik verwachtte het zwembad dan voor me alleen te hebben – welke toerist wil nu om 6 uur opstaan? – maar ik had niet gerekend met de Indonesische gasten. Dat is meteen zo leuk aan dit hotel. Er zitten orang asing (buitenlanders), maar nog veel meer Indonesiërs; hele grote families: ooms, tantes (die worden hier ook zo genoemd), oma’s, opa’s en hopen giechelende kindertjes met speelgoedpistooltjes en mobiele telefoons met de laatste Indonesische hits. 

Die families (elke dag weer een nieuwe tot nu toe) zitten bij voorkeur om 6 uur met nasi goreng te ontbijten bij het zwembad. Zonder er een teen in te steken overigens. Ik vraag dan even of ik mag komen zwemmen. Tuuuuuurlijk mag ik komen zwemmen, en ik spreek nog Indonesisch ook – waar heb ik dat geleerd? En als ik dan ook nog vertel dat ik in Yogya heb leren zwemmen is het helemaal goed. 

Maar ik voel me dan toch nogal bekeken: reusachtige witte vrouw die borstcrawlt. Fa-sci-ne-rend. Alle ooms, tantes, kromgebogen omaatjes, nichtjes en neefjes staan op een rijtje te kijken. 

En dat terwijl ik gisteren een feestje had. Citra was jarig en had een aantal vrienden uitgenodigd. En omdat ze onthouden had dat ik zo van sate kambing (saté van geitenvlees) houd, had ze dat gemaakt! Ik blij dat ik veel oleh-oleh (cadeautjes die je meeneemt als je van ver komt) uit Nederland had meegenomen. 

Citra heeft een prachtig huis aan de rand van Yogya, dicht bij de rijstvelden, met een binnenvijver met een fonteintje en vissen, en een prachtige bibliotheek op een vliering waar je achter de reling op een matje op de vloer omringd door boekenkasten rustig kan zitten lezen. Nietzsche, Foucault en Deleuze staan er allemaal in het Indonesisch. En Citra heeft ze nog allemaal gelezen ook, in tegenstelling tot ikzelf: ik rommel die kennis bij elkaar via secundaire literatuur en het scannen van losse hoofdstukken. Maar ik wist nog wel genoeg om Citra en Koes te vragen wat een Body without Organs in het Indonesisch is.

De hele avond waren de discussies weer behoorlijk politiek van aard, net als in de auto, de dag ervoor. Over de president, Jokowi, die er een rommeltje van maakt, net als de Grieken, en over de islamitische puristen die steeds vaker aanhangers van de Islam Ramah (de vriendelijke, syncretische Javaanse Islam) lastigvallen. 

Mijn gespreksgenoten waren zonder twijfel vertegenwoordigers van de laatste groep. Citra is islamitisch, maar draagt geen sluier en bij binnenkomst in haar huis loop je eerst tegen een grote afbeelding van de hindoeïstische olifantengodheid Ganesha op. Maar toen ik vertelde dat ik gehoord had dat interreligieuze huwelijken binnenkort niet meer mogen, vond niemand dat een probleem. Wat voor geloof geef je je kind anders? Ik heb nog niet de verbale vermogens om daar over in discussie te gaan, maar het verbaasde me wel. Misschien denk ik als agnost te zwaar over bekering…

De verjaardag was ook een vergaderingetje, want er werden plannen gesmeed voor een nieuwe film van Koes: over een poppenspeler en poppen die tot leven komen. Ik vertelde hem over Petroesjka van Stravinsky en we bekeken delen van het ballet op YouTube. Dat vond hij geweldig. Morgen gaan ze locaties scouten voor de film in de Gunung Kidul – en ik mag mee. Joepie!

zaterdag 25 juli 2015

Nieuw en oud



En hier zit ik weer naast het zwembad van een gezellig guesthouse te schrijven, net als in Durban. Maar daar houdt de vergelijking ook wel een beetje op. Uitzicht vanuit mijn hotelkamer:
 
 Ik heb een heel zwaar leven:

Nee. Maar - echt waar:

Hotelletje is dus helemaal top, er zit een dame die de was doet aan de overkant van de straat in een klein steegje waar ik elke dag mijn was kom brengen, en naast het hotel is een warung waar ze flessenwater verkopen. Vanochtend een fiets gehuurd in een straatje verderop, voor de somma van 1 euro per dag. Moehahahahahaaaaa. En rondgefietst. 

Speciaal voor Makiri ben ik even naar een dusun gefietst...
 



Wat is het fijn om alleen op reis te zijn – contact maken gaat dan echt makkelijker. Hele leuke ochtend gehad.

Gisteren ben ik door Citra van Yogya’s gezellige kleine luchthaven gehaald: 5 vliegtuigen, 1 bagageband en heel erg veel mensen omdat het suikerfeest na het einde van de ramadan nog in volle gang is, en iedereen terugkomt van familiebezoek. Citra moest nog iemand afhalen en zijn vliegtuig kwam later dus we hadden tijd om op het pleintje voor het vliegveld koffie te drinken, bij te kletsen, mensen te kijken en heel hard te giechelen over van alles. 

Koes, de andere vriend van Citra, bleek een filmmaker te zijn met wie Citra prachtige docu’s heeft gemaakt over uitvoerende kunsten in Noord-Bali. De hele rit door Yogya hadden we fantastische gesprekken: over de problematische etno-dimensie van de etnomusicologie, het “gedeelde verleden” van Nederland en Indonesië, over waardeoordelen over Indonesische populaire cultuur als onderdeel van koloniale denkpatronen, over mijn onderzoek in Zuid-Afrika. En allemaal in het Indonesisch! Ik maak in elke zin wel 100 fouten, maar ik kan tenminste oefenen. Daar ben ik zo blij om. Gaat lekker vooruit zo.

We stopten op de immer doorrazende Jalan Parangtritis om een sim-card te scoren voor mijn telefoon. Hij moest nog even geschikt gemaakt worden voor mijn iPhone, dus de meneer die hem verkocht, knipte hem zelf op maat en veilde hem handmatig nog even bij toen hij net niet bleek te passen. Hij doet het nu geweldig.

Wat kom je doen deze keer, vroeg Koes, toen we mijn voorgeschiedenis in Yogya hadden doorgenomen. Weet ik nog niet precies, zei ik. Beetje werk voor een gamelanfestival in Amsterdam, beetje vakantie, even weg uit de routine. … “En we gaan je babu zoeken” zei Citra. O ja, zei ik, dat is ook zo – dat gaan we ook nog doen. Toen Citra vorig jaar in Nederlands was als gastonderzoeker aan de UvA vertelden mijn moeder en ik haar over mijn kindermeisje, Supré, die op me paste toen ik 2 jaar oud was. Zij was nog geen 20 jaar ouder dan ik en ze had dezelfde afwijking aan één van haar benen als ik. Maar ik kon ervoor behandeld worden; zij niet. Ze liep met haar voet ondersteboven, omdat haar been zo gedraaid was, maar redde zich daar aardig mee. 

Ik weet de naam niet meer van de kampung waar ze woonde, maar ik ben er later nog eens geweest en ik kan er zo naar toe lopen. Volgens Citra moet ze makkelijk te vinden zijn, door haar naam en handicap. Omdat ze niet zoveel ouder is dan ik, is er een goede kans dat ze er nog is. Ik zou haar zo graag weer eens willen zien!

Toch nog een beetje napak tilas dus, net als in 2013. Net als toen vond ik het ook nu nogal spannend om weer te gaan. Yogya hoort bij mijn kindertijd – voor mijn 12de woonde ik er elk jaar 3 maanden, na mijn 12de ben ik er nog 3 keer kort op bezoek geweest. Tot 2013 voelde Yogya als een plek die ik eigenlijk niet meer kon bezoeken, net zoals je niet terug kan gaan naar je kindertijd. Wat kom je tegen als je ergens 20 jaar niet bent geweest en er zoveel herinneringen aan hebt?

In 2013 ging ik met mijn familie. Het was een prachtige trip down memory lane, plekken van vroeger bezoeken: napak tilas. Er bleek veel veranderd, maar ook nog ontzettend veel hetzelfde. Ik kende de weg nog, ik kon me nog redden in het Indonesisch, ik kon nieuwe mensen leren kennen. Daardoor durf ik nu weer. En dit keer alleen, voor het eerst zonder mijn familie. Ik heb zo veel alleen gereisd, naar verre oorden en moeilijke gebieden, maar nog nooit naar Indonesië. Ik ga eindelijk eens uit huis, zeggen sommige van mijn vrienden plagend. 

Al toen ik in het vliegtuig zat voelde ik dat: deze reis wordt niet in eerste instantie een trip down memory lane, maar iets anders, al weet ik nog niet wat. De lucht, de geluiden, de geuren, de plekken voelen als vroeger en als thuis, maar Yogya voelt ook anders met Indonesiërs van mijn leeftijd zoals Citra en Koes, met wie ik kan discussiëren over zaken die nu spelen. Ik vertelde Koes dat ik in 2013 zo opgelucht was dat er in Yogya na 20 jaar niet zoveel veranderd bleek als ik had verwacht. Het verbaasde hem dat ik daar opgelucht over was; was het niet ook een beetje jammer? 

Ik moest toegeven dat dat sentiment simpelweg nooit een optie is geweest in de manier waarop ik me Yogya heb herinnerd en ook gemist. Hij legde feilloos mijn nostalgie bloot, en ik bedacht dat het Indonesië dat ik ken, het Indonesië van mijn ouders is. Zij waren altijd de intermediair tussen mij en het land, de mensen, de gebeurtenissen, zoals ouders dat nu eenmaal zijn. Ben benieuwd hoezeer mijn ideeën over dit land gaan veranderen zonder intermediair, en tot op welke hoogte ik die intermediair geïnternaliseerd heb.

woensdag 4 september 2013

Met de wilde frisheid van limoenen...

Wie van mijn generatiegenoten kent hem nog, deze slogan? Marleen in elk geval wel. Ik moet ook niet zoveel bloggen over shampooreclames. En al helemaal niet over pensjes. Want dan doet de tokè met zijn superieure kennis van mijn verlangens zich weer gelden.

Je kunt het als pech omschrijven, maar ook als mazzel: dankzij de limoenen gaat mijn pensje er nu misschien wel af. Maar misschien ook niet. Gisteren is een versgeperst citroensapje verkeerd gevallen, of misschien waren het de garnalen die ik die middag uit mijn Mie Kua (bamisoep) heb gevist voor ik de soep at. Ik zal niet in detail treden. In India zou je zeggen: een Delhi-belly. Dus de "wilde frisheid" geldt hier ook even niet.

Ik kan niet zeggen dat we vandaag een zware tocht achter de rug hebben; we zijn gewoon met de auto van A (Berastagi) naar B (Samosir - midden in het Tobameer) gebracht. Maar ik heb als een slappe vaatdoek in mijn veiligheidgordel gehangen.

Mooi was het wel: eerst op bezoek bij mensen die nog in traditionele Batakhuizen wonen. Ze legden ons uit hoe je sirih (pruimtabak) kauwt en wilden alles weten over het huwelijksleven van Stefan en Christine (hoe lang al getrouwd? Toch wel in de kerk getrouwd? [want deze Bataks zijn rechtgeaarde katholieken] Al kinderen?) Wat fijn dat we dan in het Indonesisch kunnen praten!
 

Toen het paleis van de Koning van de Simalungun Bataks. Hij had 24 vrouwen, van wie er 12 bij hem in zijn long house woonden. En één van de koningen heette Karel. Dat was in de Nederlandse tijd.
Paleispoort
Longhouse

Daarna mooie uitzichten op het Tobameer, een gigantisch kratermeer (30.000 tot 75.000 jaar geleden ontstaan) door een uitbarsting van een toen actieve supervulkaan, en de sipiso-pisowaterval. 
En toen met het pontje het meer over naar Samosir-eiland, onze laatste pleisterplaats voor we zaterdag terugkeren naar Nederland. Veertig minuten varen met een motorboot en nog steeds ben je maar halverwege de korte kant van het meer.
Het meer ligt er stil en glad bij. Nauwelijks golfslag, nauwelijks bootjes, de oude kraterranden in de nevels. De vorige keer dat Martha hier was (in 1972, vlak voor mijn geboorte) mocht je er niet in zwemmen omdat je dan de voorvaderen zou ontstemmen. Met de opkomst van het toerisme is die eis wat afgezwakt.
En ik zit hier in een erg comfortabel hotel van twee wittebroodjes uit hun German Bakery te genieten, en begin zo aan een muffin. Met citroensmaak...

dinsdag 3 september 2013

Bier

"Jij ziet er lekker stevig uit", zei David, meteen nadat ik me vanochtend aan hem voorstelde. David is een jaar of twintig, één van de -tig gidsen die ons de afgelopen dagen hebben rondgeleid. Zo opgeschreven in het Nederlands i.p.v. Indonesisch ziet het er erg onbeleefd uit, maar het was meteen duidelijk dat hij het zo niet bedoelde. "Lang en sterk" zei hij stralend, met zichtbare bewondering. "Ja", bevestigde ik, "ik ben inderdaad groot uitgevallen." "Drink je veel bier?" was zijn tweede vraag, zonder enig spoortje van ironie. Euhhh. Ook dat kon ik niet ontkennen.

David knikte begrijpend, stapte in de auto en leidde ons de berg op. De Subayak-vulkaan, nabij Berastagi, met zwavelige kratermeren die steeds weer van plaats veranderen, en een onwerkelijk maanlandschap. Stefan omschrijft de vulkaan als een slapend dier dat hard snurkt. Hij leeft.

Anderhalf uur klimmen, daarna een uur dalen, over glibberige kruipdoor-sluipdoorpaadjes. Ik heb opnieuw mijn grenzen verlegd. Zonder nordic-walking stokken. De top heb ik niet gehaald (Stefan en Christine wel), maar ik heb samen met Martha een uurtje kunnen rusten voor ze terugkwamen en we de afdaling konden inzetten. David was een geweldige gids, met een engelengeduld, een helpende hand voor mijn moeder en mij, en veel kennis over planten en bomen. En hij heeft gebeden tot zijn god (een christelijke, naar ik aanneem, gezien zijn naam) voor mooi weer, want er was slecht weer voorspeld. En die gebeden zijn verhoord. We hadden prachtig weer tijdens de wandeling en meteen daarna ging het regenen.
 

Terwijl we op een van die paadjes even op adem kwamen en een slokje water dronken, bekloeg David - een mooie, goedgebouwde, slanke jongen - zich bij ons over zijn kansen op de internationale huwelijksmarkt. Met zijn postuur zou het hem nooit lukken een westerse vrouw aan de haak te slaan. Zo mooi, zo groot, die vrouwen, maar te groot voor hem, vond hij. Wat eten jullie? wilde hij weten, want hij had al van alles geprobeerd om harder te groeien, en wat meer massa op zijn botten te kweken. Vooral door bier te drinken, want hij wist zeker dat westerlingen juist daar zo lekker van groeien. Ik heb een keer zes biertjes achter elkaar gedronken, zei hij. Maar het hielp niet. Hij vindt zichzelf nog steeds te klein...

En ik maar mijn best doen om van mijn pondjes af te komen...
 
 
Deze vier foto's moet je even uitvergroten en kijken of je Stefan, Christine en David kunt spotten terwijl ze de krater inlopen.

Jungle-Lodge-jongens

Na de Jungle Lodge in het broeierige Tangkahan zijn we nu aangeland in Berastagi, op 1300 meter hoogte, met uitzicht op onze volgende vulkaan, de Subayak. Wat een opluchting, letterlijk: heldere lucht, direct licht, minder warm, kleren en huid die misschien wel weer droog kunnen worden.
Uitzicht uit mijn hotelkamer op de krater van de Subayak

En ruime, schone, lichte kamers die toch wel veel lekkerder zijn dan het duistere houten huisje op palen waar ik samen met Martha in kampeerde, en waar we de badkamer moesten delen met een rat. (Waarom ga ik niet naar een strand op Ibiza?)

Naast een hele rits hotels, hebben we de afgelopen weken gidsen in alle soorten langs zien komen: oude mannen, jonge vrouwen, islamieten, christenen, stille nelissen en een behoorlijk aantal ADHD-types die zich in alle bochten wringen om je het naar de zin te maken.

De Jungle Lodge zat goed in de ADHD-types. Jonge vlotte jongens die je overstelpen met vragen en kletspraatjes, en de eindeloze trotse herhaling van 4 woorden Nederlands. Leuk en makkelijk voor contact, maar soms ook een beetje geforceerd en overweldigend.

Ondanks de hypergidsen, het niet doorkomen van bestellingen, en het gebrek aan comfort was de Jungle Lodge bijzonder. Elke avond verzamelden de idealistische en milieubewuste rangers zich in het restaurant met een gitaar en wat akkoordschema's van popklassiekers. Dan werd er heeeeel vals gezongen, wat oneindig veel beter was dan het sopraansaxofoontje met de liftmuziek in andere hotels. Eén van de vrouwelijke toeristen is blijven hangen, en heeft intussen een kind van één van de rangers. Ook de rondlopende peuter werd toegezongen. Er was een speelse hond, Balu, en een nest met jonge katjes die kattekwaad uithaalden. En dat allemaal bij lampenpeertjes die nauwelijks meer licht geven dan een kaars. Heel sfeervol.

Ook mijn vrees dat ik als vrije vrouw met een getrouwd broertje opdringerige mannelijke aandacht zou krijgen, is tot nog toe niet bewaarheid. Als ik aandacht krijg - en dat is vaak genoeg - dan is ie gewild. De smoes van de imaginary boyfriend die in Nederland achter moest blijven is dan natuurlijk niet meer erg overtuigend, maar ik heb nog een troef: mijn moeder als niet-actieve, maar wel potentiële waakhond. Als iemand te close komt, dan zeg ik snel dat ik helaas nu naar mijn moeder toe moet. Ik kan zo het klooster in!

Javanen flirten niet. Hoogstens een verstolen blik en daarna heel snel neergeslagen ogen. De ontvanger van de blik wordt geacht hetzelfde te doen. Althans, dat doe ik dan maar. Het mag de naam van sjans niet hebben, maar het is toch errug spannend. Batakkers, daarentegen, flirten zonder gêne. Diepe doordringende blikken, brede lach, plagerige aanrakingen, stoere blufpraatjes. Nergens vind je een betere verklaring voor het feit dat Javanen zichzelf halus (verfijnd) vinden en alle andere Indonesische volkeren kasar (grof).

Na alle Javaanse ingetogenheid, helpt mijn kleine beetje Indonesisch me de Batakflirts met het "Please, don't forget me and come back"-riedeltje af te buigen naar "echte" gesprekken, als ik toch net wat teveel heb teruggesjanst. En dan blijkt de interesse van de Batakse Jungle Lodge-jongens niet alleen een interesse in vrouwen te zijn, maar ook een interesse in mensen. Ik heb de middelen om de wereld rond te reizen, nieuwe mensen te leren kennen, over andere talen en culturen te leren. Voor de gidsen en rangers in de Jungle Lodge heeft hun contact met hun gasten die functie. Het is hun venster op de rest van de wereld vanuit een plaatsje midden in het oerwoud. Allemaal willen ze weg; de wereld zien, gras roken in Amsterdam, naar New York. "Please don't forget me and come back."
Met gids Abu bij de waterval. Overigens gefotografeerd door mijn moeder...

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...