zaterdag 15 juli 2017

Heuvel op

Gisteren en vandaag zijn Citra en ik naar het einde van de wereld gereisd en terug. Naar Temkessi, een klein oud dorpje in het noord-oosten van West-Timor, niet ver van de grens met Timor Leste, een uiterst ruig en onherbergzaam heuvelgebied, als volstrekte antithese op de overdadige pracht en praal van Flores, maar niet minder indrukwekkend.

Citra wil samen met Koes een documentairefilm maken over oude cultuurgebruiken op de eilanden van Nusa Tenggara Timur. Ze gaan dat pas volgend jaar doen, maar er moeten natuurlijk wel locaties gescout worden. Daarvoor wil ze vooral dorpen bezoeken waar die gebruiken nog gebezigd worden, en dat zijn er nogal wat. En ze liggen ook niet allemaal naast elkaar, dus we hebben vandaag en gisteren weer meer dan 600 km afgelegd: van hoofdstad Kupang naar de voormalige Insana en Biboki koninkrijken, en terug.

In een aantal van die dorpen zijn er nog mensen en gebouwen die van die koninklijke tijden kunnen getuigen, al zijn de getuigenissen schaars en de gebouwen vaak in verval. Net als in Flores heeft ook hier de vervlochtenheid van de raja’s (koningen) met het Nederlandse koloniale bewind er uiteindelijk voor gezorgd dat ze in de Republik Indonesia na 1945 weinig bestaansrecht meer hadden.

Het duurde even om uit te vinden dat Insana een kecamatan is (een gemeente met een aantal dorpen) en geen desa (dorp). Dankzij de 20 jaar oude gids die mijn moeder me meegegeven had konden we al snel bepalen welke dorpen het bezoeken waard waren, maar tegen die tijd had de chauffeur al besloten dat het allemaal te ver was omdat we afgesproken hadden om naar een dorp te gaan en niet naar een verzameling dorpen.

Toen hij dat zei, werd Citra boos. Zoals alleen Javanen boos kunnen worden: uiterst beleefd maar ook glashelder. De chauffeur bond in. Als ik besluit nog een paar dagen alleen door Sumba en Flores te reizen dan weet ik niet of ik me er zo uit kan redden. Maargoed. Dat zie ik dan wel weer.

Eerst bezochten we Oelolok (spreek uit; Oilòlò) dat een beroemd weversdorp zou zijn waar alom vermaarde ikats vervaardigd worden en waar de koning van Insana resideerde in een door de Nederlanders gebouwde villa, met een lopo ernaast: een vergaderplek. Tegenwoordig woont hij in het stadje Soe, 100 km verderop. Oelolok is in verval.







Insana en Biboki zijn koninkrijken van Dawansprekende Timorezen, en de Dawan woonden voorheen altijd in een lopo, een huis in de vorm van een soort bijenkorf van palmbladeren, die nu nog gebruikt wordt voor opslag. Ook heeft elke Dawanfamilie nog een open lopo op zijn erf, zonder muren, en de grootste lopo is van het dorpshoofd (kepala desa): daar komt iedereen samen om problemen te bespreken, en geschillen voor te leggen en uit te praten. Tegenwoordig zie je dat veel Dawan nog steeds in hun lopo leven: koken, eten, spelen, bijeenkomen – het is eigenlijk een huiskamer, maar dan open zodat de koele wind er door heen kan waaien.

Oelolok was bijzonder in al zijn vergane glorie, maar we hadden onze zinnen gezet op Temkessi, de zetel van de koning van de Biboki, nabij Insana. Moeilijk te bereiken volgens het gidsje, bovenop een steile heuvel over een geitenpad, en we moesten er niet op al te veel gastvrijheid rekenen.

We vroegen de weg, en reden, en vroegen de weg weer als we dachten dat we toch echt verkeerd moesten zitten omdat we nog steeds niet bij Temkessi waren, maar steeds was het antwoord eenduidig: terus, terus – doorgaan in dezelfde richting. De weg werd steeds moeilijker begaanbaar, het landschap kaler, we moesten stapvoets rijden tot we op de rug van een heuvel uitkwamen waar de wereld aan beide kanten aan onze voeten lag. Nog geen 300 meter hoog, maar door de steilheid was het net of je bovenop de Mount Everest stond.

Bovenop die bergrug waaide een kolossale wind, zoals bij Scheveningen met windkracht 8. Je moet tegendruk geven om niet om te vallen. We kwamen bij de afslag die in het gidsje stond: vanaf hier nog 2 km naar het dorp. Beter gaan lopen – een auto kan daar niet echt over.

Maar de chauffeur vond dat het wel kon, het is immers geen regentijd. Ik legde uit dat ik graag wilde lopen. Dat begreep hij eigenlijk niet, en Citra ook maar half – waarom zou je gaan lopen als je met de auto kan, maar ik had al de hele dag in een auto gezeten. Ik kan weer lopen, dan wil ik dat ook graag doen.


Fijn hoor, lopen in je eentje door een overweldigend woest, ruig en geïsoleerd berggebied over een breed pad, terwijl je weet dat de auto om de hoek staat te wachten. Ultieme vorm van toerisme, maar wat heb ik genoten daar op die bergrug met de wind in mijn gezicht. Wie had 10 maanden geleden gedacht dat ik hier zo lekker zou lopen?




woensdag 12 juli 2017

Tempo

Ik spreek de afgelopen dagen alleen maar Indonesisch, met alleen af en toe een Engels woord als ik het echt niet weet. Ik leer veel bij, maar zoals dat gaat als je een taal leert, denk je eerst dat het alleen maar slechter wordt, omdat je van onbewust onbekwaam bewust onbekwaam wordt. Ik moet er weer stevig aan wennen dat ik van de 10.000 manieren die ik in het Nederlands of Engels ter beschikking heb om iets te zeggen, terug moet naar 500 ofzo, en iets dus altijd onvolkomen moet overbrengen. Geen precisie mogelijk, geen variatie, en ik kan de snelheid niet bijhouden: wanneer ik bedacht heb wat een woord betekent, is mijn gesprekspartner al vijf zinnen verder. Maar ik weet dat dat bij het leerproces hoort, en ik kan rationeel bedenken dat ik over zes weken meer zal kunnen dan nu.

Ik denk dat Citra en ik aangename reispartners voor elkaar zijn. Tot nu toe geen uitgesproken irritaties. We hebben een gemeenschappelijk gevoel voor humor, vinden dezelfde dingen leuk en we kunnen ook ieder onze eigen gang gaan. Ik vind het moeilijk om een ruimte te delen omdat ik zo gewend ben om op mezelf te leven, maar het went, gek genoeg.

Ook moeilijk vind ik het reistempo. Citra heeft niet veel tijd, ze moet op tijd weer bij haar kinderen in Yogya zijn en ze komt voor specifieke plekken als potentiële goede onderwerpen voor de film die ze volgend jaar gaat maken (dat zijn overigens allemaal plekken die ik ook razend geweldig vind). We zijn de afgelopen dagen als idioten over het eiland geraast, wel iets van 800 km over kronkelwegen afgelegd, en het is mij teveel Japanse toerist in Europa: uit de auto springen, snel wat foto’s maken, met wat mensen praten en, hup, naar de volgende bestemming. 

We hebben slechts vier dagen op Flores doorgebracht en vliegen zo al naar Kupang op Timor, waar we met lokale overheden en filmmakers gaan praten, en waar Koes zich bij ons voegt. Ook daar zijn we maar een dag of vier en dan vliegen we door naar Sumba (niet Alor) voordat Citra en Koes terugmoeten moet naar Yogya. Dat is over een week al.

Mijn plan is nog enige dagen langer in Sumba te blijven en daarna terug te vliegen naar Flores waar Pak Edison tijd heeft om nog een week met me het eiland te ontdekken. Dat is eigenlijk perfect omdat ik plekken weet waar ik heel graag naar terug wil en waar ik dan langer kan bijven, en plekken die ik niet zo nodig nog eens of langer hoef te zien. En met Pak Edison kan ik goed opschieten, en hij kan heel erg goed autorijden - geen overbodige luxe hier; met hem durf ik wel mee op stap. Ik kan dan met die ervaringen Citra ook weer helpen met haar film.

Nu is het een kwestie van niet te snel te veel willen, om het allemaal goed vol te houden.
Mooie kerk in Sikka, maar eenmalig

Werkelijk fantastisch, de kratermeren van de Kelimutu-vulkaan, maar eenmalig, om het zo mooi te houden.

Deze foto heb ik naar mijn  orthopeden, huisarts en fysiotherapeut gestuurd, met dank.

Het dorp Wogo, nabij Bajawa was heel bijzonder. Op bezoek bij de Ngada - we zijn uitgenodigd en rondgeleid door Ibu Maria, en we ontmoeten daar ook vele Ursula's, Mathildes, Juliana's etc, maar de oude gebruiken bestaan gewoon in combinatie met het katholieke geloof. Ik kom er graag eens terug om er te overnachten en er meer over te weten te komen.
Ook Wogo.

Bena, ook een heel mooi oud dorp, maar wel een openluchtmuseum.
Todo, nabij Ruteng, het centrum van het Manggarai koninkrijk totdat de Todokoningen vazallen werden van het Nederlandse koloniale bewind en de neergang niet meer te stoppen was. Onze gids is een begenadigd fotograaf (zie onder) - hij wist ons van alles te vertellen over het huis van de Todokoning en demonstreert hier de caci, het zweepslagengevecht tijdens bruiloften, waarbij de bruidegom ware klappen van de zweep op zijn rug en hoofd te verduren krijgt om zijn geschiktheid als echtgenoot te bewijzen. Mannen die geen littekens op hun rug hebben worden niet erg aantrekkelijk gevonden door de vrouwen. 
De gids stond er op deze langdurige fotosessie naast het huis van de Raja (koning) uit te voeren - zo wordt het sterrendom gevormd in Indonesië. :-)

De pasar van Ende vanmorgen. Ontzettend levendig en gezellig. Veel gesprekken, veel contacten, veel mensen die willen helpen. Hier kom ik zeker terug om de omgeving beter te ontdekken. 


Stille Nelis

Met Pak Edison, die zijn diensten als chauffeur op de luchthaven van Maumere aanbood, zijn we slechts drie dagen op stap geweest, maar het voelt als een hele maand. Pak Edison is wat je noemt een Stille Nelis: hij praat zacht, gaat bij het eten aan het hoekje van de tafel zitten om ons niet te storen, en slaat zó snel een kruisje voor hij begint met eten, dat je het niet ziet als je het niet weet.

Die geïnternaliseerde onzichtbaarheid vind ik moeilijk. Het doet me denken aan Zuid-Afrika waar iedereen met een kleurtje tijdens de apartheidstijd geacht werd zich zo op te stellen en dat nu nog in lichaamstaal en communicatiemogelijkheden wordt doorgegeven aan de volgende generatie. Het is voor mij een indicatie dat Flores een achtergesteld gebied is. 

In het vliegtuig naar Maumere zat ik naast een godsdienstleraar van een SMA (bovenbouw vergelijkbaar met Havo/VWO) in de stad. Hij heeft van alles gestudeerd aan de katholieke missiescholen die op Flores nog welig tieren, en hij wist veel over van alles, waaronder muziek. Maar het eerste wat hij zonder een spoortje ironie zei is dat ik er Indonesischer uitzie dan hij en hij verexcuseerde zich daar nog net niet voor, maar het scheelde niet veel.

Daar zit - net als in Zuid-Afrika (en vele andere plekken op de wereld) - een raciaal probleem. Maleise, melanesische, polynesische, en Europese invloeden maken Flores een uiterst cultureel gevarieerd eiland en die verschillen worden niet zelden door etnische constructies gearticuleerd. De afkomst van Pak Edison uit Maumere, mijn Europese afkomst, en Citra's Javaanse afkomst waren allemaal parameters in de manier waarop we met elkaar konden omgaan.

Maar we waren wel allemaal generatiegenoten. Gelukkig ontspande Pak Edison (om sopir) gedurende de reis, konden we grappen maken, en op de laatste dag haalde hij voor ons (na een ontbijt van nasi goreng met ei) een zak heerlijke gefrituurde krakelverse pisang goreng (gebakken banaan), die we wederom met wapperende haren in de wind onderweg gebroederlijk opgeknabbeld hebben. Het is heerlijk om op reis te zijn. 
Pak Edison (rechts) met iemand van de tambal ban om de banden op te pompen.
Eethuisjes onderweg


Masuk angin

De afgelopen dagen heb ik als een blije hond vrijwel continue met mijn kop uit het raam van een auto gehangen om indrukken op te snuiven van het mooiste eiland dat ik ooit heb gezien: Flores. De verkoudheid had ik toch al opgelopen van de airco in mijn luxehotel in Bali, de vieze hotelletjes met een gedeelde kamer en weinig privacy neem ik graag op de koop toe. Ik ben elke dag aan het eind van de dag doodmoe van de indrukken; had afgelopen dagen zelfs lichte koorts, een verstopte neus en de hoest van een sirihkauwende oude man, maar ‘s ochtends weer verfrist van een koud mandibad in een glibberige badkamer.

Malaria heb ik niet – geen zorgen, de koorts is al weer weg –, geen buikproblemen ondanks het feit dat ik met mijn Indonesische reisgenoten alleen voedsel van de straat eet (maar altijd gekookt of gefrituurd en vers; en dranken altijd warm), en de heup heeft al talloze hurk-wc’s overleefd (hurken is officieel een risicohouding met een kunstheup, maar omdat deze kunstheup een dubbele draaicirkel heeft, kan het).

Wat ik me van Bali herinner en wat ik ken van Java is prachtig, maar de natuur hier is eenvoudigweg overweldigend mooi, ook omdat je van het ene bovenaards mooie uitzichtmoment in het andere valt: woeste golven die continue op zwarte kusten met groene gladde stenen beuken, waanzinnige vergezichten met vulkaantoppen, rijstvelden en overdadige en gevarieerde groene bossen.

De implicatie van die concentratie van spectaculaire uitzichten is dat de wegen niet ophouden met kronkelen op de steile hellingen van berggebied naar zee en weer terug. Citra werd al snel wagenziek en ging voorin zitten, ik zat achterin, kon mijn benen strekken en mijn verkouden hoofd uit het raam hangen. Masuk angin noemen ze een verkoudheid hier: de wind is binnengekomen.











vrijdag 7 juli 2017

Immigratie

Europese, Noord-Amerikaanse en Australische burgers kunnen gaan en staan waar ze willen. Burgers uit de meeste landen buiten die regio’s doorgaans niet. Dat besefte ik voor het eerst toen ik een gast uit Zuid-Afrika op bezoek had die langer dan een paar dagen wilde blijven. Na een overweldigende hoeveelheid bureaucratische handelingen op ambassades en luchthavens moesten we ons tijdens zijn bezoek ook nog wekelijks bij de Vreemdelingenpolitie melden. Als het even kan, reizen veel van mijn Zuid-Afrikaanse vrienden op een Nieuw-Zeelands of Brits paspoort. Maar het is wel weer duidelijk over welk deel van de Zuid-Afrikaanse bevolking we het dan hebben.

De laatste jaren groeit de irritatie over deze westerse fortificatiementaliteit. Zuid-Afrika heeft zijn visumregels aangescherpt, al kan ik er nog altijd zonder kosten drie maanden op een toeristenvisum verblijven. Die drie maanden had ik in mijn hoofd toen ik hier landde en besefte pas op de luchthaven dat het hier om 30 dagen gaat. En mijn terugvlucht is pas over 6 weken.

Dus kocht ik een Visum on Arrival – dat is ook geldig voor 30 dagen, maar kan verlengd worden, i.t.t. een gratis toeristenvisum. Als ik dat in mijn paspoort had laten stempelen had ik naar Singapore (of Oost-Timor) op en neer gemoeten om opnieuw het land binnen te komen en zo een nieuw visum te krijgen. Horde 1 had ik dus goed genomen.

Dus vandaag had ik gereserveerd voor horde 2: de verlenging. Geen idee of het verlengen van een visum in Nusa Tenggara Timur (NTT) überhaupt mogelijk is en daar ga ik wel rondreizen. In Denpasar, de hoofdstad van Bali, daarentegen, weten ze wel hoe dat gaat, want het stikt hier van de bule’s (spreek uit boelèè: witten) die hier zitten te rentenieren.

Ik had er de hele dag voor gereserveerd, want ik weet nog hoe mijn vader ook wel eens iets met onze visa moest doen als wij in Yogya zaten. Dan kwam hij altijd mopperend terug omdat een of andere ambtenaar weer eens had geprobeerd hem om te kopen.

Mijn vader was een pragmatisch mens – als iets niet zus kon, dan konden we het altijd nog wel zo proberen, maar als er corrupte Indonesische ambtenaren (of eigenlijk iedereen die een situatie probeerde uit te buiten) in het spel waren, dan werd hij zo principieel als een gereformeerde ouderling. In mijn herinnering bracht hij soms middagen achter elkaar wachtend door op het immigratiekantoor omdat hij weigerde een opeens verzonnen toeslag te betalen. Dan bleven onze paspoorten gewoon onderin een la liggen, totdat alle vertragingsopties uitgeput waren en de documenten teruggegeven móesten worden. Dat was voor mijn vader telkens weer een triomf: dat hij de boel voor elkaar gekregen had zonder een cent smeergeld te betalen. En hij zal het de betreffende ambtenaar ongetwijfeld in vlekkeloos Indonesisch ingewreven hebben. Duurde het de volgende keer nog wat langer...

De hele dag dus, dat leek me toch wel genoeg. Neem ik een boekje mee…

Maar een zoektocht op het internet leerde al snel dat ik mijn huiswerk wat eerder had moeten doen. Niet minder dan drie keer moet je naar het immigratiekantoor, eerst om je aan te melden en je paspoort in te leveren, dan 4 dagen wachten, dan foto’s laten nemen en vingerafdrukken laten maken, dan weer 3 dagen wachten en dan kun je je paspoort met visum komen afhalen. Al die tijd heb je geen paspoort, alleen een vodderig reçuutje… Daar ga ik niet mee door NTT reizen al zegt iedereen dat dat wel kan.

Maar wanneer ga ik nu 7 dagen lang op één plek zitten? Een plek met een functionerend immigratiekantoor? Oef. Had ik nu maar beter naar mijn moeder geluisterd, die me dan wel niet voor dit probleem, maar wel voor vergelijkbare problemen had gewaarschuwd. Vanochtend eerst maar de documenten uitprinten met hulp van het hotel: een enorm formulier, 2 kopieën paspoort, 2 kopieën van mijn huidige visum, 2 kopieën van mijn retourticket… Zucht.

“Maar onze agent kan het ook regelen” zei Evva, van het hotel. Daar zul je het hebben: een agent. Zo’n tussenpersoon die met een handjevol aanmeldingen voordringt en het wachten voor de andere arme boelèès nog langer maakt. Ook daar wordt op het internet voor gewaarschuwd. Ze zijn professioneel en ze zijn legaal, maar je weet nooit of je te maken hebt met een echte, of met iemand die jouw paspoort voor veel geld op de zwarte markt gaat verkopen. En ze kosten sowieso een lieve duit.

Maar op het hoofdkantoor van mijn toch al niet zo heel goedkope hotel bleek dat deze agent in dienst is van het hotel. Ze zou het in anderhalve dag voor me kunnen regelen: vanmorgen aanmelding, vanmiddag foto’s en vingerafdrukken op het immigratiekantoor, en morgenmiddag kon ze mijn paspoort terugbrengen naar het hotel. Voor de somma van een stevig bedrag dat ik hier maar even niet reproduceer. Laten we zeggen dat het in rupia’s zo duizelingwekkend klinkt dat het dan in euro’s plotseling weer heel erg meevalt. En dat is precies het punt: met mijn munteenheid kan ik immigratiehordes afkopen. Voor een Afrikaans of Aziatisch burger in Europa is dat onmogelijk.

Ik verbeeld me wel eens – half voor de grap – dat mijn vader vanuit het hiernamaals meegeniet met wat ik allemaal doe. Kennelijk is dat ergens belangrijk voor me. Hij kijkt tevreden om een hoekje, zeg ik dan. Maar ik hoop dat ie nu even een andere kant op kijkt.


Morgen heb ik wel mijn paspoort terug met een visum tot begin september, zodat ik zaterdag naar Maumere kan vliegen. En ik hoefde vanmiddag maar een uur op de foto en vingerafdrukken te wachten. Dat is peanuts voor Indonesische overheidsdiensten.

Ubud

Vandaag werd ik tijdens mijn lunch in een Balinees eethuisje in Sanur gebeld door Kun, een vriend van Citra (en van Henrice en Hedi natuurlijk) die kunstschilder is. Toen ik twee jaar geleden in Yogya was, had hij ons met een voor hem zo kenmerkend royaal gebaar allemaal mee uit eten genomen. Hij had van Citra gehoord dat ik op Bali was en vroeg of ik zin had om op stap te gaan.

Die Indonesische gastvrijheid – ik vind het prachtig en ongemakkelijk tegelijkertijd. Aanvankelijk zouden Citra en ik samen de eerste dagen op Bali doorbrengen, maar Citra moest op het allerlaatste moment afzeggen omdat ze een interview heeft in Jakarta voor een beurs om naar Nederland te komen in september. Ze heeft vreselijk in de rats gezeten omdat ze er niet voor me kan zijn deze dagen, ook al heb ik haar keer op keer verzekerd dat ik mezelf prima kan bezighouden.

Ik had al een uur met de eigenaar van het eethuisje zitten praten, en toen Kun binnenkwam om me op te pikken was het eerste wat hij tegen die man zei: “Ze is een professor uit Amsterdam!” Waaaahhhh. Ik wil even geen professor uit Amsterdam zijn. Ik bén niet eens een professor.

In de auto vertelde Kun me dat hij een vriend moest bezoeken in Ubud voor een of ander ritueel – er is altijd wel ergens een ritueel voor in het hindoeïstische Bali – en hij vroeg of ik mee ging. Hij moest me dan wel heel even laten wachten op een plek waar ik koffie kon drinken (want ik kon niet mee naar het ritueel), maar dan zou hij me snel weer op komen pikken.

“Hij heeft een opdracht van Citra gekregen,” dacht ik en ik bedankte hem nogmaals voor de tijd die hij voor me vrijmaakte. Dan maar naar Ubud. Op dag 1. Eigenlijk was ik ook best nieuwsgierig.

Ik vertelde Kun over mijn aarzelingen naar Ubud te gaan en over mijn (geromantiseerde) herinneringen aan Campuhan. We spraken half Indonesisch, half Engels, hij had best wat tijd in Nederland doorgebracht, bij Ibu Hedi in Leiden, en we belandden in levendige discussies over artistiek onderzoek, kunst en wetenschap, het universitaire bestaan…

Toen we in Ubud waren aangekomen dacht ik dat hij me bij een Indonesische variant van een Starbucks zou droppen: waterige latte’s, veel backpackers en jengelmuziek uit de boxen. Die verwachtingen maakten dat ik volstrekt overdonderd was door waar hij me heenbracht: een complex met ruime, stijlvolle pendopo’s waar hele schoolklassen Balinese dans aan het oefenen waren, doorklieft door waterpartijen en karpervijvers met bemoste beelden.

De oprichter van dit bijzondere Arma Museum voor eigentijdse beeldende kunst (dat achter de karpervijvers gelegen was) zat in sarong op een bankje op ons te wachten en begroette ons met alle egards. Hij is een vriend – en ik denk ook oudere weldoener – van Kun. “Ze is een professor uit Amsterdam!” riep Kun hem nog toe en verdween want hij was al laat voor zijn afspraak. “Kom, we gaan koffie drinken” zei deze Gung Rai en ging me voor naar een schitterend terras, met uitzicht op een tuin die zelf een schilderij zou kunnen zijn, zo stijlvol was hij ontworpen.

Zo werd mijn ongemakkelijkheid voortgezet, die ook een leuke opwinding was. Iedereen was ingeschakeld om de (niet) professor uit Amsterdam bezig te houden. Oeroesen, noemen ze dat in het Ind(ones)isch. Maar Gung Rai wist in poëtische termen over zijn “living museum” te vertellen en wist bovendien veel over Nederland te vertellen. En hij had al snel door dat ik popelde om in de tuin rond te wandelen. Kijk lekker rond, zei hij, en als je iets te vragen hebt dan weet je me te vinden.
Het was een sprookjestuin: bloeiende bomen, bamboebossen, mysterieuze hoekjes met Ganesha’s en Krishna’s in zeeën van geofferde bloemen en jasmijngeuren. Paadjes, trappen en bruggetjes leidden over nog meer waterpartijen naar nog meer pendopo’s met grote gamelanorkesten, beelden, onverwachte doorkijkjes, vogels en wegschietende hagedisjes. Aan het museum ben ik niet eens toegekomen. Voor ik het wist was Kun weer terug. Hij giechelde dat hij blij was een excuus te hebben gehad om snel weer weg te gaan van het ritueel – hij moest immer een professor uit Amsterdam bezighouden.

We zijn nog de hele middag gebleven, koffie leutend onder een oude boom. Er was geen betere manier om me te laten voelen dat Ubud nog steeds Ubud is.

Bali revisited

Na meer dan dertig jaar ben ik weer terug in Bali. Ik word oud – ik heb nog levendige herinneringen aan de laatste keer in 1985 of 1986. Denpasar, Ubud, de zuid-oostkust bij Ibu (mevrouw) Oka en Ibu Ida. We huurden dan een bamboehuisje aan zee (je kon vanaf de veranda zo het strand op lopen) en mijn broertje en ik sliepen bovenop de vliering waar de matrassen op de grond uitkeken over de toen nog lege stranden.

Een van de twee dames (ik weet niet meer welke) hing een uiterst fundamentalistische vorm van hindoeïsme aan, waarbij bij elke maaltijd allerlei rituelen uitgevoerd moesten worden. Dat gaf mijn ouders de gelegenheid om ons duidelijk te maken dat elke religie haar fundamentalistische en tolerantere verschijningsvormen heeft, hetgeen vandaag de dag in India nog maar eens bewezen wordt.

Een van de laatste keren dat we er logeerden, had ik koorts toen we er arriveerden. Ik mocht alleen jeruk panas zonder suiker drinken en ik mocht niet zwemmen. Balen! Maar ‘s nachts zag ik vanuit mijn bed een smokkelactie op zee, met lichtseinen, en bootjes die lading aan land brachten. Tot op de dag van vandaag schrijft iedereen mijn informatie toe aan de koorts, maar ik heb het echt gezien. Ik las ook heel veel De-Vijfboeken toen… Waarschijnlijk waren het vissers.

En dan was er Ubud, waar we nabij het voormalige onderkomen (Campuhan) van Walter Spies gehuisvest waren, ook met een privéhuisje voor het hele gezin, dit keer met uitzicht op de hellingen van een woeste kloof met een rivier onder ons. Bij het licht van een olielamp speelden mijn moeder en ik schaak, want elektriciteit was er nog niet. Je kon er alleen komen via een brug van planken die stapvoets bereden moest worden anders zakte je er doorheen met de auto, en plank na plank klapperde onder de wielen bij die telkens weer spannende oversteek. Die brug heet bij ons thuis nog steeds de Klapperbrug.


Het is een van de redenen waarom ik niet terug durf naar Ubud. Nu is het een van de drukst bezochte stadjes van Bali met shopping malls, disco’s, would-be kunstenaars, niet aflatende yoga- en massagestudio’s en heel erg veel naarstig shoppende toeristen. Net zoals de stranden nu vol liggen met bradende getatoeëerde roze lichamen en de zee voor Sanur vergeven is van de speedbootjes. Daar komt geen smokkelaar meer doorheen. Toch heb ik nog wel nauwgezet om al die invasies heen kunnen fotografen. Ook dat kan, in Bali.  

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...