zaterdag 17 augustus 2019

Zintuigen

Eén van de zaken die ik als kind zo miste in Nederland en zo fijn vond in Indonesië was de manier waarop je zintuigen worden aangesproken. Dat is niet alleen een fysieke ervaring waarvan je lijf een boost krijgt, maar het maakte me ook als heel jong kind al bewust van het feit dat zintuiglijke ervaringen ergens voor dienen: rottende vis in de tropenzon, of de dikke plas bloed van een net geslacht dier - daar moet je een beetje bij uit de buurt blijven, anders ga je vanzelf over je nek. Het licht en de zon ook - zo midden op de dag. Bloemen, thee, koffie, frisse berglucht, een langzaam stovende bumbu en vers gebakken kroepoek - daar probeer je bij te komen. Met alle lijf en leden.

Ondanks het feit dat zintuiglijke ervaringen lang niet altijd prettig zijn, en vooral voor een kind soms  zelfs bedreigend (enorme bijen, knijpende mieren, debiliterende hitte, afval op straat, pijnlijk scherp eten), was Nederland voor mij een grauwe grijze brij waar nooit maar enig zintuig behoorlijk werd aangesproken. Weinig licht, weinig geur en smaak, weinig temperatuurverschillen, weinig druipend zweet, insecten en spinnen van niks. Stomvervelend en deprimerend. In mijn herinnering althans.

In mijn nieuwe homestay woon ik midden in de kampung. Dat is een dorp in de stad. Yogya - 3.000.000 inwoners - hangt aan mekaar van kampungs waar de verhoudingen hecht zijn en iedereen mekaar kent. Je hoeft eigenlijk niks op slot te doen, want iedereen let op elkaar en is net zoveel buiten als binnen.

Om misverstanden te voorkomen: ik leef in weelde in deze kampong, met mijn eigen pendopo (airconditioned), badkamer (met mandibak), koelkast met lekkere dingetjes, een zwembadje en elke ochtend vorstelijk ontbijt. De tuin staat vol planten en is op de meeste momenten van de dag een oase van rust. Daar betaal ik dan ook stevig voor, zo midden in de kampung.

Maar je zit ook hutje-mutje op elkaar want ruimte is schaars. En dan worden de zintuigen meteen weer een stuk functioneler dan in Nederland, hoewel we daar heus ook woekeren met de ruimte.

Dat merk ik 's ochtends aan mijn ontbijt met omeletje, als buurman net achter de muur met veel omhaal zijn neus en keel ledigt en de oogst daarvan in een hoek lanceert die ik met mijn oren kan plaatsen. Het doet me beseffen hoe tactiel geluidservaringen zijn: het geluid ervan maakt de fluimen net zo tastbaar als de plek waar ze neerkomen. Lekker hoor.

En vuilophaaldiensten zijn er wel in Indonesië (zelfs in steegjes waar je maar net met een fiets of brommer doorheen kan zoals in "mijn" kampung komt elke week een vuilnisophaler met een brommertje met aanhanger langs), maar slechts weinigen maken daar gebruik van. Bijna iedereen verbrandt zijn afval achterin de tuin, het liefst in de late namiddag, vroege avond, zodat je dan continu in een dikke laag smog zit. Geurervaringen kunnen ook tactiel zijn: de lucht voelt "dik" als je probeert te ademen, net als bij de suikerfabriek.

Maar soms is de privé-afvalverbranding ook werkelijk tactiel: dan komen de stukken verbrand papier of plastic en as uit de lucht neerdalen: in ons zwembadje, onze thee en op onze toetsenborden, tot groot ongenoegen van de staf die dan weer opnieuw het erf moet gaan vegen - iets wat Ibu Siti en Mbak Nanak toch al twee keer per dag doen.

Als ik mijn baantjes trek in het echte zwembad een paar kilometer verderop, dan merk ik dat mijn longcapaciteit minder is dan enkele weken geleden. Terwijl mijn borstkas al vol zit, vraagt mijn lijf om een diepere inademing om op tempo te blijven. Het is echt heel ongezond om langer dan een paar weken in deze stad te leven, niet alleen wegens afvalverbranding in achtertuintjes, maar ook door de miljoenen brommers en auto's die op geen enkele wijze worden gereguleerd, en waar ik dagelijks in meefiets.

Als je de vulkaan Merapi oprijdt en van het uitzicht geniet, dan is de berg zichtbaar dus de lucht is helder, maar de stad is onzichtbaar in een gele brij die onder je hangt, en zelfs bovenop de berg hoor je het verkeer daar beneden nog razen.
Maar de grootste aanval op de zintuigen in de kampung komt van de moskeeën. In mijn vorige homestay bij Mas Ali waren die in het dorp met eentje dichtbij. Maar hier in de kampung zijn er drie dichtbij. En ze staan knoerthard. Vijf keer per dagen brullen geblazen: Allaaaaaaaaaahu-Akbarrrrrr: om 04.30 sochtends (oordoppen in), 12.00 uur, 15.15 uur, 17.30 uur en een hele lange van 18.50 uur tot 19.30 uur. En als je dan pech hebt gaat één of andere imam dan ook nog tussen 20.00 en 21.30 uur een preek houden - eindeloos geouwehoer, want al die moskeeën zijn helemaal leeg, dus zoeken de heren (geen damesstem te horen in deze praktijk) een publiek door middel van versterking naar buiten toe, zodat de hele kampung wel MOET toehoren en nergens anders naar kan luisteren.

Dus... Komende week kom ik weer naar Nederland met de schone lucht en een bijna autovrije binnenstad en muren waar je niet elke scheet doorheen hoort, en hopelijk is het grijs en regenachtig. Zodat ik mijn zintuigen even vakantie kan geven. 


maandag 12 augustus 2019

Klederdracht

De afgelopen dagen waren Jochem, Stéphanie, Madelief en Stéphanies zus Charlotte in Yogya. Wat leuk was dat - om ze de bijzondere plekken uit mijn Yogyase leven te kunnen laten zien. En behalve leuk was het ook handig dat Stéphanie en Charlotte er waren want zij zijn de achterkleindochters van een van de oprichters van het Museum Sonobudoyo.
Nu heb ik zaken te doen met dat museum, want verschillende mensen vertellen mij dat daar materiaal van Jaap Kunst zou liggen. Dus ik heb een heel Indonesisch trucje uitgehaald. Ik heb een email naar het museum gestuurd met de mededeling dat de achterkleindochters van meneer Sitsen op bezoek zijn en of we een rondleiding zouden kunnen krijgen.
Toen we ons vrijdag meldden bij de ingang, werd meteen de directeur gebeld en we konden rechtstreeks door naar zijn kantoor, waar ik behalve het oprichtersverhaal mijn eigen agenda onder zijn aandacht kon brengen. Het was hetzelfde kantoortje als waar we zes jaar geleden het zilveren doosje van mijn opa hebben afgeleverd. Ik heb dat maar niet weer opgehaald want het was zo al ingewikkeld genoeg en bovendien was er nu een nieuwe directeur.
Het trucje werkte. Ik had daarna meteen contact met hem via de app en hij verwachtte me maandagmorgen om 8 uur, zodat ik met de hoofdcurator kon spreken.
Dus toen ik me vanmorgen om 10 voor 8 meldde, werd ik door een verlaten museum (het was dicht, want maandag en bovendien Idul Adha) meteen weer naar de directeur gebracht die me al stond op te wachten. We liepen naar zijn kantoor en daar stond een rijzige heer, in volle Javaanse klederdracht: een prachtige sarong, een keris op zijn rug, en een blangkon op zijn hoofd: het was de hoofdcurator.
De kleren maken de man, hier op Java, en de vrouw trouwens ook, en iedereen die daar tussenin zit. Deze meneer zal niet meer dan vijf jaar ouder zijn geweest dan ik, maar hij leek ouder en wijzer door wat hij droeg, althans voor mij. Het zal het patriarchaat wel zijn. Ik was diep onder de indruk. Hij verontschuldigde zich desalniettemin voor zijn uitrusting en legde uit dat het Idul Adha was en dat hij zo in de Keraton verwacht werd voor een ceremonie. Ik bedankte hem voor zijn tijd.
Nadat ik hem uitgelegd had wat ik wilde, bood hij onmiddellijk aan om naar het depot te gaan en een kijkje te nemen. Dat aanbod nam ik graag aan. Het was maar 500 meter verderop, maar hij stond erop dat we de auto namen. Het moet er geinig uit hebben gezien: een museumdirecteur en een curator in volle Javaanse klederdracht aan het stuur van een oude Suzuki met een lange Londo op de achterbank. Ik werd gebracht. Ahum.
In het depot bleken diapositieven en -negatieven te zijn en een behoorlijk aantal 78-toerenplaten. Het is onduidelijk of ze van Kunst zijn, maar daar komen we wel achter, en als het niet zo is, is het ook interessant.
Met twee museummedewerkers, van wie er één een oud-student was van de collega met wie ik aan de universiteit hier werk, heb ik twee uur lang zitten praten, eerst in het depot tussen de platen, en daarna in het kantoortje van de hoofdcurator.
Terwijl we oude tijdschriften doornamen, en de opties bespraken voor manieren waarop ik formeel toegang kon krijgen tot de depots (ze zijn hier net zo strikt als aan de UvA) zette de hoofdcurator zijn rondslingerende blangkon weer op zijn hoofd en stak zijn keris in zijn riem. Hij moest naar de ceremonie... (waarvan een fotoverslag op facebook). En mijn project wordt steeds groter en steeds spannender.

dinsdag 6 augustus 2019

Dromen

Waar en wat ik ook droom, ik weet meestal niet meer waar mijn dromen over zijn gegaan, maar ik herinner me altijd het gevoel, de atmosfeer en de ruimte van een droom als ik wakker word. Als ik naar een nieuwe plek reis, worden die aspecten van de droom even ongekend als de nieuwe plek zelf. En ze blijven bij de plek, ook als deze bekender voor me wordt: een specifieke lichtval, stemming, actiebereidheid, geluidenpalet.

Nu is Yogya zowel een hele oude plek, nog van voor mijn vroegste herinneringen (ik was nauwelijks 30 maanden oud toen ik hier voor het eerst was) als een tamelijk recente plek (sinds een jaar of 5 kom ik hier weer regelmatig), met mijn riante hemelbed in een elegante pendopo als geheel nieuwe plek. Een geheel nieuwe dromenatmosfeer dus, met nieuwe lichtval en nieuwe geluiden en toch ook veel bekends in de dingen die ik in de droom moet en wil en kan - of niet.

Het maakt me reflectief over het leven dat ik hier had en heb en hoe dat verbonden is met het leven van mijn ouders en grootouders. Toen ik hier in 2013 weer kwam, was Yogya een hervonden plek van mijn jeugd. Een plek waarvan ik altijd had gevoeld dat ik er niet meer naar terug kon keren, zoals je ook niet terug kunt naar je kindertijd. En toch kwam ik terug.

Nu ben ik hier zo vaak (vaker dan 1 keer per jaar) dat het voor het eerst normaal voelt om hier te zijn. Ik heb niet alleen (en niet zozeer) meer mijn herinneringen van vroeger als referentiekader, maar mijn herinneringen van afgelopen november, en juni 2018 en augustus 2017, waarbij allerlei grote-mensen-dingen horen, zoals lezingen en onderzoeksprojecten en me fatsoenlijk uitdrukken in mijn vierde taal.

Ik ben er blij om en ik vind het jammer: ik win iets en ik verlies iets. Ik word ook hier volwassen misschien. Met iets van tegenzin, en iets van trots.

Moddervet

Aan de huiseigenaren moest ik dan even wennen, maar met Ibu Siti had ik onmiddellijk contact. Ze runt de huishouding hier en wordt daarin bijgestaan door Mbak Nanak. Ze praat heel veel - en ik ben zo vrij te denken dat dat komt omdat ze meer in haar mars heeft dan het huishouden, en ik praat terug, dus dat gaat goed. Ze oefent basale dingen met me in het Javaans: Maternuwun (dankuwel), Sukeng enjin (Goedemorgen) - lijkt in niets op Indonesisch.

Zonder dat ik daar een woord over zei, had Ibu Siti binnen een halve dag door hoezeer ik van eten houd: de lagen honing die ik 's ochtends op mijn pannenkoek smeer ("Jij houdt van honing hè?"), de extra sambal bij mijn nasi goreng die schoon opgaat. Dus als ik twee pannenkoeken voor ontbijt bestel dan bakt ze er vier voor me, en als ik dan zeg "Ibu, wat doet u nou, straks ben ik moddervet," dan schatert ze het uit en beschouwt dat als een aanmoediging - niet geheel onterecht...

Nu blijf ik hier drie weken (waarvan er al 1 bijna voorbij is) en het zwembad waarin ik had gedacht mijn baantjes te trekken blijkt net lang genoeg om mijn armen in uit te strekken. En met de knik in mijn trappers moet ik rustig fietsen - dat kan sowieso niet anders met dit weer. Ahum.






donderdag 1 augustus 2019

Taal

Ik ben dan wel in een stad die ik bijna als thuis ervaar, maar deze homestay is nieuw. Dat is wel weer opnieuw settelen, met nieuwe ruimtes en nieuwe huisgenoten.





Het is hier heerlijk, midden in de kampong: hele mooie Javaanse pendopo's, nieuw gebouwd, traditioneel ontworpen met grote tropisch-hardhouten pilaren die het dak stutten, zodat je maar één of helemaal geen muren nodig hebt en de wind voor verkoeling kan zorgen.


Met de staf kon ik meteen aan het babbelen slaan, maar de eigenaar en zijn vrouw vond ik moeilijk te benaderen. En misschien komt dat omdat ík soms moeilijk te benaderen ben. Ik blijf koppig Indonesisch spreken, ook als de (Indonesische) gastvrouw erg goed Engels kan. Ik zit veel op mezelf achter de laptop te werken of te bloggen. Ik weet de weg hier, dus heb weinig te vragen. En ik geloof het zelf nooit, maar dan schijn ik intimiderend over te komen.

En haar echtgenoot is Frans. Hij is een judoleraar, spreekt nauwelijks Engels en nauwelijks Indonesisch, want zijn vrouw spreekt ook al ontzettend goed Frans. En mijn Frans is abominabel, zeker nu ik zo in mijn Indonesisch heb geïnvesteerd - heeft het Frans helemaal verdrongen.

Dus zonder veel woorden word ik sociaal ook weer wat onhandiger.

Maar dankzij mijn fiets zie ik het nu helemaal goed komen. Dat zit zo. Ik heb in 2017 een oude loodzware omafiets gekocht hier op de fietsenmarkt. Eerst heeft ie een jaar bij Mas Koes gestaan, daarna een jaar bij Mas Ali, die hem in de goedheid van zijn hart heeft meegenomen in zijn verhuizing, en omdat ik een fiets echt nodig heb om me vrij te kunnen voelen, sprong ik vanochtend achterop op een gojek (brommertaxi) om hem te gaan halen.

Mas Ali woont nu een heel eind buiten de ringweg, midden in de sawahs. Prachtig. Hij had hem in de schuur staan en natuurlijk waren de banden leeg. Dat is hier niet erg. Op elke straathoek is hier iemand die banden op kan pompen want alle zoveelmiljoen Indonesiërs rijden op een brommer, dus na 5 minuten lopen had ik er al één gevonden en ik kon toen helemaal terug naar de stad fietsen met een omweg om in mijn favoriete soepwarung te lunchen.

Op de hoek van onze straat had ik een fietsenmaker gezien. Dat is nodig, want de remblokken zijn versleten en er zit een knik in de trappers. Maar toen ik daar aankwam hield de fietsenmaker de boot af - hij is niet bekend met deze ouderwetse fietsen, zei hij.

Dus ik zoek morgen wel verder dacht ik en fietste naar huis. Daar stond mijn fiets naast de brommer van de Franse huisbaas en hij vond het een fantastisch ding, la vieille bicyclette. Ik vertelde hem met handen en voeten van de remmen en hij haalde zijn gereedschapskist tevoorschijn en ging fluitend van plezier in de brandende zon staan knutselen.

Voor dat knutselen hadden wij vroeger thuis een bijvoeglijk naamwoord: kampongan, op zijn dorps. In het Nederlands: houtje-touwtje. In het dorp hebben mensen niet veel materiaal dus ze zijn er heel erg handig in om dingen die eigenlijk al kapot zijn zo te verknutselen dat je ze nog net een beetje langer kunt gebruiken.

En deze fiets heeft een oerdegelijk mechaniek dat zelfs ik begrijp - alles is met duidelijk zichtbare schroefjes en moertjes te verstellen en ook als er een paar dolle tussen zitten zijn er genoeg anderen die het hem toch nog doen. Mijn huisbaas tinkerde hier en daar, vroeg me de remhendels aan te spannen en los te laten en zo stonden we daar heel gezellig te rommelen. Hij net genoeg Engels; ik net genoeg Frans - we moeten allebei evenveel ons best doen. Verbaal althans. Technisch was ik nergens natuurlijk.

Hij veranderde met het aandraaien en losdraaien van schroefjes en moertjes de positie van de versleten remblokken zodanig dat de minst versleten kanten van het blok beter pakken als je remt en toch vrij zijn als je niet remt, en in de 20-25 minuten dat hij met schroevendraaiers en Engelse sleutels bezig was, dacht ik: zo hebben ze dat bij mijn heup ook gedaan, in 2003. Hij was toen eigenlijk al kapot: bot op bot, geen kraakbeen meer, maar omdat ze de positie van de heupkop in de heupkom konden draaien kon ie nog een jaar of 10 mee op het laagje kraakbeen dat daar in een hoekje nog niet opgebruikt was. Maar het was wel kampongan, want de heup als materiaal in een mensenlichaam is net zo schaars als remblokken in de kampong. Nu heb ik links een hele nieuwe heup en dat is het equivalent van een nieuw wiel én nieuwe remblokken voor deze fiets. En ik ga als een speer. Nog steeds.

Ter geruststelling: de fiets heeft ook een achteruittraprem, dus het is veilig. Ik ga de huisbaas één van mijn pakken stroopwafels cadeau doen.

woensdag 31 juli 2019

Gayung

Van de ene blog linea recta naar de andere: van Durban naar Yogya. Zuid-Afrika met mama was een once-in-a-lifetime experience met herinneringen voor altijd, en niet meer dan 7 dagen later zit ik in Yogya en ben ik op zoek naar het versterken van een thuisgevoel dat ik al had toen ik het vliegtuig uitliep over het hete asfalt naar die ene bagageband die het vliegveld van Yogya rijk is.

Ik was hier in november nog, voor het smeden van spannende plannen met mijn collega's van de universiteit hier. Nu ben er weer voor deze (en nog weer andere) plannen - ook allemaal spannend, ik slinger ze nog even niet op het internet.

Ik heb weer een nieuwe homestay gevonden, want die van vorig jaar is verkocht. Wat meer in de stad, maar ook mooi en ruim en stijlvol. Ik haal morgen mijn fiets op bij Mas Ali. Dan kan ik weer op mezelf ronddwalen.

Die symbolen van thuis zijn smaakjes en herinneringen van vroeger, niet gespeend van nostalgie. Het slappe witbrood dat we vroeger altijd als ontbijt en avondeten aten omdat we geen drie keer rijst op een dag wilden. De kruimelige chocoladekoekjes. Ik blijf ze kopen, ook al kan ik nu versgebakken volkorenbrood en kwarktaart kopen en kiezen uit honderd soorten olijfolie. Mijn Indonesische vrienden vinden mijn koopgedrag begrijpelijkerwijs heel raar.

Ik vroeg me gisteren na 20 uur reizen af of ik - nu al - net zo'n factotum uit een voorbije periode aan het worden ben als ik mijn vader altijd vond. Ik liep rond in de supermarkt genaamd Superindo (een aanduiding die je in Nederland ook niet zo makkelijk in de mond neemt) op zoek naar een gayung.

Mas Ali had dat vorig jaar in zijn homestay ook al heel raar gevonden: dat ik vroeg om een bak mandi, oftewel een mandibak. Oboema heeft er ooit een weergaloos grappig gedicht op gemaakt. Dat moet je even bekijken voor je verder leest. Maar een mandibak is dus een grote bak met badwater waar je met een klein steelpannig emmertje (een gayung) water uit schept en over je heen gooit.

Indonesiërs hebben allemaal een douche in huis; waarom zou je terug willen naar dat geplens en dat door je knieën zakken om water uit een bak te hijsen, als het gewoon uit de lucht komt vallen? Ook als zo'n douchestraaltje een pisstraaltje is, dan is de douche de vooruitgang, dus een mandibak is voor zielepoten. Maar Mas Ali had vorig jaar nog wel een grote plastic bak en een gayung waarmee hij zijn honden in bad doet, en die heeft ie heel vriendelijk aan me uitgeleend.

Toen ik in deze homestay om een bak mandi vroeg werd daar ook heel hard om gelachen en ze hadden er niet zomaar een, dus ging ik maar naar de Superindo. Zo groot als een Franse hypermarché, dus ik moest even vragen. Maar ik was het woord gayung vergeten. Ik wist nog dat het klonk als payung, maar ik wist ook zeker dat een payung een paraplu is en geen mandi-emmertje, zoals we het thuis plachten te noemen.

En het woord mandi-emmertje staat ook niet in het woordenboek, dus ik kon het woord ook niet opzoeken. Pffff. En dat na 20 uur vliegen en een jetlag. Gelukkig hebben ze in de Superindo niet alleen kwarktaart en honderd soorten olijfolie, maar ook gayungs. Ik vond ik hem zonder vragen en zag dat het een gayung heet... Oooohhja.
En het plenzen is nu extra lekker. Dan maar een factotum uit een voorbije periode.

woensdag 8 augustus 2018

Leren

Al weken geen blog. Gewoon geen tijd voor. Barbara is weer student, met 15 contacturen in de week. Veul zeg. Pfffff. En daarnaast ook nog huiswerk. Ik ben absoluut niet meer gewend dat een ander voor mij bepaalt wat ik de volgende dag gelezen, geschreven en vooral begrepen moet hebben. En ik zit in het gevorderdenniveau - de stof gaat over ingewikkelde dingen. Krantenartikelen over import, export, winst en kapitaalinvestering. Dynamieken van vraag en aanbod snap ik nog wel, maar als het over meer dan dat gaat dan moet ik daar toch ook in het Nederlands even op puzzelen. In het Indonesisch raakte ik aanvankelijk helemaal de draad kwijt.

Week twee was het dieptepunt. Ik had in week één elke dag alle woorden die ik niet begreep - in de klas en in de lesstof - opgeschreven en in het woordjesoverhoorprogramma wrts ingevoerd, zodat ik ze na de les kon gaan stampen. Toen kookte mijn brein over. Meer dan 100 nieuwe woorden per dag zijn gewoon niet te stampen. De enige manier om ze te onthouden is door ze te gebruiken, maar het zijn er zooooo verschchchchchrikkelijk veel. En ik ben ongeduldig. Ik kon in week 2 nog niet gebruiken wat ik in week 1 geleerd had. Daar werd ik gefrustreerd van. Maar in week 3 wel een beetje. Toen werd het weer leuker.

Nu lees ik met hulp van mijn lerares een antropologisch proefschrift in het Indonesisch. Waar ik aan het begin van de cursus 2 uur nodig had voor een diepgaand krantenartikel in een kwaliteitskrant, doe ik nu (met hulp) twee van die artikelen in een uur. Het is raar hoe dat voelt, want ik zou zweren dat de twee artikelen die ik in een uur deed veel makkelijker zijn dan die waarmee ik moest beginnen, maar mijn lerares verzekert me dat dat niet zo is. Leert me veel over leercurves en motivatie om te leren - erg handig voor mijn eigen lespraktijk. 

Gisteren was ik bij een book launch van een mooi musicologisch boek over Javaanse gamelan en de islam. Professor Sumarsam, de auteur, was er, en twee respondenten, een antropoloog en een islamgeleerde. Vroeger begreep ik van zulke bijeenkomsten ongeveer 20 tot 30%, nu zeker meer dan de helft. Dus dat is een enorme vooruitgang in 3 weken. Maar ik weet nog niet hoe ik het vast ga houden, die vaardigheid. 

Daarnaast ben ik met mijn collega van UGM (de universiteit hier) van koloniale geschiedenis allerlei mogelijke fondsvertsrekkers aan het aflopen om Indonesische studenten en promovendi de collectie te laten onderzoeken. Gisteren bij een Yogyase cultuurinstelling verbonden aan de keraton van Yogya, volgende week dinsdag naar het Ministerie van Onderwijs in Jakarta, woensdag een presentatie voor de collega's  hier aan de universiteit en donderdag naar huis vliegen. Van bloggen zal dus niet heel veel komen.


Maar ik ben hier nu wel echt om iets te doen - niet alleen om vakantie te houden en nostalgische rondjes door mijn oude wijkje te fietsen. Dat maakt me ontzettend blij.

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...