vrijdag 7 augustus 2015

Becak



Reizen met een becak (spreek uit: bètja) gaat nog langzamer dan lopen (Tenminste het lopen van Europeanen. Indonesiërs lopen veel langzamer. Ze houden beter rekening met de warmte.) Een becak gaat zo langzaam omdat het een zwaar stalen voertuig is, dat zware lasten kan dragen en aangedreven wordt door een fietsmechaniek zonder versnellingen.

Nu is het in Yogya makkelijk fietsen. De stad ligt aan de voet van de Gunung Merapi  (de beruchte vulkaan). De oude lavastromen zijn zo gelijkmatig en langzaam gehard dat er een heel klein beetje hoogteverschil is, maar het mag geen naam hebben. En je hoeft dus ook bijna nooit heuvel op-heuvel af. 

Vanmiddag moest ik nog even een boodschap doen in de stad en even langs het postkantoor. Ik had geen zin om er mee te wachten, maar het was wel half 2. Dan kun je eigenlijk het beste geen vin veroeren: te warm. 

Maar ’s middags rusten heb ik nooit fijn gevonden. Als kind was ik bij voorkeur dan eindeloos aan het klooien en kattekwaad aan het uithalen, want mijn ouders lagen dan wel op één oor. Ook nu vind ik het niks. Ik geef zo nu en dan wel eens toe aan de aandrang om in de verzengende hitte na het eten even te gaan liggen. Maar ik val dan geheid in slaap, word tegen 3 uur volkomen suf wakker, kom de rest van de middag niet meer op gang en slaap als gevolg daarvan ‘s nachts slecht. 

Dus: Bar wil door. Hitte of niet. Jammer dan. Maar – flip – wat is het warm. Weet je wat – dacht ik vanmiddag, ik neem een becak. Hoef ik niet te fietsen – kan ik toch mijn boodschappen doen. Voor mijn hotel (en de drie hotels in de rest van de straat) staan een stuk of vijf becaks te wachten op klanten. Ze verdelen de klusjes een beetje onder elkaar, zodat er niet steeds één de jackpot wint als er een toerist naar buiten komt. Maar ik weet van mijn vrienden en het hotelpersoneel ongeveer wat de prijzen zijn. En ik spreek Indonesisch. 

‘Ik wil graag naar Mirota op de Jalan Malioboro’ zei ik tegen de becakman die ik het eerst tegenkwam en die in zijn becak lag te soezen. Hij kwam overeind, gaf een schreeuw naar één van zijn makkers verderop en die moest ook eerst even wakker worden. Hij kwam aanfietsen – heel traag. 

Hij mat ongeveer tweederde van mijn lengte, en wellicht slechts de helft van mijn gewicht. En hij had geen tand meer in zijn mond. Die Mirota is hartstikke ver, mopperde hij. Ik breng je wel naar een Mirota hier in de buurt, goed? 

Een Mirota houdt het midden tussen een Albert Heijn en een Bijenkorf – je hebt er -tig van in de stad. Maar ik wilde naar die specifieke Mirota, want Citra had me verteld dat daar in het weekend dansvoorstellingen zijn van transgenders. Ze dansen hartstikke goed, zei Citra, en het is ontzettend leuk, maar zorg dat je van tevoren een kaartje koopt, want het is afgeladen vol. 

Maar dat ik een kaartje wilde kopen voor een transgendervoorstelling, dat durfde ik niet tegen deze becakman te zeggen – aan zijn witte petje te zien was hij een erg vroom moslim – dus ik loog dat ik daar een afspraak had. Vooruit dan, zuchtte hij, en maakte al aanstalten me in te laten stappen. Maar ik wilde het eerst over de prijs hebben. Dat was een tweede streep door zijn rekening. 

60.000, zei hij. Dat is veel te veel – riep ik uit. Ik ben gisteren voor 60.000 met een becak naar Kota Gede gebracht. Heen en terug, ook nog! Dat is veeeeeeel verder. 40.000 – heen en terug. Met wachten. 

Ik dacht dat ik het aardig deed met mijn toneelspel (want dat hoort erbij), maar ik moest het al snel afleggen tegen deze meneer. Hij wist mijn kwetsbare punt feilloos te vinden: waar moet ik dan van eten hè, als je me dat gaat betalen? riep hij met overslaande stem. Ik moet ook eten: 50.000. 

45.000 probeerde ik nog. Maar hij hield voet bij stuk. Het is teveel, wist ik, maar het is nog steeds peanuts voor mij, en dat weet hij ook. 50.000 rupiah is nauwelijks meer dan 3 euro voor bijna een uur fietsen en wachten terwijl ik mijn boodschappen doe. Op mijn eigen fiets doe ik het overigens in minder dan een half uur, heen en terug. Maar ik fiets zoals Europeanen fietsen: veel te hard voor deze warmte. 

Dus ik stapte in de becak en voelde spijt. We moesten tegen de helling van de Merapi op. Als ik zelf fiets, merk ik dat nauwelijks, zo klein is het verloop, maar deze oudere man met zijn zware becak met een zware Belanda erin zwoegde de helling op en elke keer als het ietsje steiler werd, omdat we een brug over moesten, moest hij afstappen om me lopend voort te duwen. Op het heetst van de dag. En dat allemaal omdat ik te lui was om met mijn eigen jonge kerngezonde lijf op de fiets te stappen. Shame on you, Barbara. 
Ik weet niet wat ik moet doen met die ongelijkheid. In Zuid-Afrika vond ik het ook altijd verschrikkelijk. Ik kan me er aan proberen te onttrekken, maar ergens wil ik dat ook niet. Want mijn luiheid is ook zijn broodwinning, en het is nog goed betaalde luiheid ook. Indonesiërs zouden het hem voor 30.000 of nog minder hebben laten doen, en zij zitten soms met z’n drieën in één becak – die staat dan bijna stil. Het is gewetenssussing – ik weet het. 

Gelukkig zeilden we op de weg terug de helling weer af…
 
 

woensdag 5 augustus 2015

Twilight zone



Overal ter wereld vind ik schemering een magisch overgangsmoment: het is niet licht, het is niet donker en wat er wel is, verandert steeds. Bij mij thuis in Utrecht gaan tijdens de schemering de vleermuisjes rond de oude windmolen vliegen waar ik op uitkijk. Hier in Yogya komen de vleermuisjes ook tevoorschijn. En de schemering gaat hier snel. Om 17.45 is het hier nog helemaal licht. Om 18.00 stikkedonker.

De schemeringsmagie wordt hier wel behoorlijk teniet gedaan door de minstens 20 moskeeën die binnen gehoorafstand liggen, en die standaard tussen 17.30 en 18.00 uur elektronisch versterkt  beginnen te blèren, maar nooit tegelijk, zodat je een 20-stemmige, blikkerige, slecht-getimede canon krijgt. Met een soort verder verwrongen doppler-effect.

Dat schijnt tegenwoordig in heel Indonesië zo te zijn (behalve Bali wellicht). Met Arabisch geld verrijst de ene na de andere moskee. Zelfs bij het oude hindoeïstische heiligdom van de Prambanan begon klokke 12 uur ’s middags een oorverdovend geblèr van minstens vijf kanten, dat tot in de binnenste vertrekken van de tempel doordrong.

Ik heb er al vaker over geblogd: muziek (en dit is ook muziek – al zal de muezzin dat niet met me eens zijn) eist ruimte op, oefent macht uit, dwingt je, bezweert. Twee van de vijf momenten per etmaal waarop er wordt opgeroepen tot gebed zijn niet voor niets met zonsopgang en zonsondergang. Dat zijn de spiritueel spannendste momenten – daarom vind ik die momenten ook zo mooi. 

Nooit meer een schemering zonder 20 blikkerig blèrende muezzins  – het is eigenlijk wel zonde (om maar even een toepasselijk idioom te gebruiken).  
Van de week waren we voor het festival bij Djaduk Ferianto op bezoek. Hij heeft midden in een desa een geluidsdichte studio staan waarin hij soms snoeiharde jazzrock met gamelaninstrumenten maakt. Maar in zijn huiskamer kun je elkaar bijna niet meer verstaan wanneer de moskee begint. 

Ik word gestraft, zei Djaduk – ze hebben expres de luidspreker op mijn studio gericht, voor de zondige praktijken die hier plaatshebben. Ik kon niet goed opmaken of het een grap was of een vaststelling. Maar iedereen kon er smakelijk om lachen.

Ik krijg de indruk dat de meeste mensen zich bij de geluidsoverlast neerleggen, zoals wij in Nederland gewend zijn geraakt aan het idee dat je overal in Nederland verkeer kunt horen, en dat je door het vele strooilicht ook bij helder weer nooit meer een spectaculaire sterrenhemel te zien krijgt. Maar vijf keer per dag, zo hard…

Het is misschien een simplistische dichotomie, maar de kunstenaars, intellectuelen, musici en performers die ik in Yogya en Solo tref, laten het tegendeel zien van deze dogmatische en versteende uiting van geloof. Ze identificeren zich he-le-maal niet met de dwingelandij die de muezzins verspreiden, al zijn ze allemaal uitgesproken gelovig. Ze maken voorstellingen die van platgetreden paden afgaan, ze nemen risico’s, ze nemen bestaande praktijken op de hak. Soms vind ik het geslaagd, soms wat minder, maar wat ze bedenken is levend en veranderlijk en open naar de rest van de wereld. 

Ten tijde van de dictatuur, de Orde Baru, toen ik vaak in Yogya was, waren er wellicht 10 keer zo weinig brullende moskeeën, maar dit soort artistieke ondernemingen was ook niet mogelijk. Ik tel mijn zegeningen.

dinsdag 4 augustus 2015

Afspraak



Afspraken verlopen hier net zoals in Zuid-Afrika. Je denkt dat je een afspraak hebt, maar dat kan op het allerlaatste moment nog veranderen omdat er iemand tussendoor komt die belangrijker is. In Nederland doen we daar moeilijk over. We willen allemaal gelijk zijn. Maar in Indonesië is niet iedereen gelijk, dus als er een belangrijker iemand tussendoor komt, doet niemand daar moeilijk over. Je kunt dus beter helemaal geen afspraken maken, althans niet te ver van te voren. In dat geval denk je dat je geen afspraak hebt, en dan heb je er plotseling toch één.  

Nu heb ik makkelijk praten, want ik sta als Nederlandse associate professor behoorlijk hoog in de voedselketen. Veel mensen willen best op het laatste moment ruimte voor me maken. Eerst voelde ik me daar ongemakkelijk bij en deed er dus een beetje moeilijk over ("weet u zeker dat dat op zulke korte termijn kan?"), maar daar ben ik nu maar mee opgehouden. Het is namelijk ook wel erg handig als je een festival moet organiseren.
Djaduk Ferianto aan het repeteren in zijn geluidsdichte studio midden in de desa.
Mas Koes en Mbak Citra blijken een ongelooflijk netwerk te hebben. Van de angry old man Djaduk Ferianto tot de Sultan van Yogya – ze regelen afspraken voor ons en iedereen wil ons wel ontvangen. Volgende week bij Hamengkubuwono de Tiende op bezoek - wow. Ik heb m’n mooiste jurk bij me. Maar die is gemaakt van een batikstof uit Solo. Eerst maar even aan Citra vragen of dat wel gepast is voor de Sultan van Yogya.

We zijn eigenlijk gewoon een goed-geölied team aan het worden. Met eetvergaderingen en heul veul plannen en ideeën. Nu nog de boekhouding rondkrijgen...
Onder het genot van een heerlijk bord mie alles besproken. Deze tent bestaat al sinds 1940 en als Sukarno in de stad was, kwam hij hier eten... Jawel.

En zij smaakten ook prima...
En vanochtend hoorden we dat we vanavond bij Professor Sumarsam langs mochten komen in Solo. Hij is een van de weinige Indonesiërs die buiten Indonesië voet aan de grond heeft gekregen in het wereldwijde wetenschappelijke discours over gamelan dat gedomineerd wordt door Amerikanen en Europeanen. En voor de conferentie die ik bij het Festival organiseer, vind ik het juist zo belangrijk om een Indonesisch wetenschappelijk geluid te laten horen, dus het was geweldig dat ik hem kon spreken, al is hij zelf een halve Amerikaan geworden.

Dus Citra en ik togen met de trein naar Solo. Reizen met de trein vind ik in de hele wereld geweldig, en in Indonesië heb ik het nog maar weinig gedaan omdat we vroeger een auto met chauffeur van de universiteit hadden als we ergens heen wilden. Ahum. In de stad deden we verder wel alles gewoon met de bus hoor.
De trein van Yogya naar Solo lijkt erg op die ik naar mijn werk van Utrecht naar Amsterdam neem, maar dan rustiger, schoner en air conditioned. 
Op de stations van Yogya en Solo was het lekker mensen kijken, toeterende treinen horen, en samen met Citra tempé snacken terwijl we het uitgebreid over mannen, het huwelijk en persoonlijke vrijheid in Nederland, Zuid-Afrika en Indonesië hadden. Dat kan ik ook al in het Indonesisch.
 
 
Ik ga die gesprekken niet op het internet pleuren. Maar interessant is het wel. Ik vertel het nog wel eens onder het genot van een goed glas bier. Al drink ik sinds ik hier aangekomen ben helemaal geen alcohol meer. Mijn vrienden hier doen het ook niet, dus waarom zou ik? Helemaal geen behoefte aan. Gek is dat – hoe peer pressure twee kanten op werkt. Terwijl niemand er problemen mee heeft als ik zou drinken. Citra en Koes hebben wijn in huis en bier is in elk café of restaurant gewoon te krijgen. Maar het bevalt me prima, even drooggelegd.  

zondag 2 augustus 2015

Verkeer


Zoveel geschreven en ongeschreven regels als het Javaanse sociale verkeer kent, zo chaotisch schijnt het verkeer op straat. Maar schijn bedriegt. Hoe langer ik in Yogya (en daarbuiten) rondfiets, hoe meer ik tot de ontdekking kom dat er ook hier geraffineerde conventies regeren. Nu ik daarin meega, vraag ik me af of fietsen in Indonesië gevaarlijker is dan in Nederland. Pin me er niet op vast. De statistieken bewijzen vast mijn ongelijk.

Regels zoals aan één kant van de weg rijden, of aan de binnenkant van de weg inhalen, of bij speciale handelingen het gewone verkeer voorrang geven, gelden hier wel, maar alleen soms. Dat wil zeggen: als het kan. Als het niet kan, om wat voor reden dan ook, dan gelden de regels niet. En dat is ook een regel. Zo is het heel normaal om op je brommer of fiets of becak eerst even aan de andere kant van de weg te spookrijden, tot er een gaatje is om over te steken. En als je een uitrit uitrijdt, moet je je auto er soms gewoon wel tussenpleuren, want de constante stroom verkeer stopt nooit. Ter contextualisering: in Nederland wonen er 407 mensen/km2, in Java 1.117 mensen/km2…

Het feit dat de regels soms wel gelden, maar soms ook niet, zorgt ervoor dat iedereen op elkaar let, dat iedereen elkaar de ruimte geeft en dat niemand opgefokt of geïrriteerd loopt te doen als zich opeens een voertuig op de andere weghelft bevindt of zomaar een uitrit uit komt rijden. Het is een veel collectievere manier om aan het verkeer deel te nemen. Niet: ik heb het recht op mijn weghelft, en als jij erop komt ben je een eikel en zit je fout. Maar: ik geef jou nu even ruimte, straks is er weer iemand anders die mij weer wat ruimte geeft. Je moet erg goed opletten, dat wel.

Ik fietste vandaag van Yogya naar de Prambanantempel (40 km heen en terug), met google maps en gps op mijn telefoon. Wat handig is dat zeg. Kun je en route de kleine weggetjes opzoeken omdat je altijd op de kaart kunt zien waar je bent. Veertig kilometer heen en terug. Dat lijkt niet zo veel. Mijn broertje fietst met gemak 115 km op een dag, maar met 35 graden en op een fietsje waarmee  ik ongeveer vanuit een hurkstand moet trappen, is het toch een hele hijs. Tegen de tijd dat ik weer in Nederland ben, heb ik staalharde dijen, dat dan weer wel.

 
 
De Prambanan, de grootste hindoetempel van Indonesië uit de 9de eeuw, is prachtig, hoewel hij nog niet bekomen is van de aardbeving van 2006 en het tempelcomplex een toeristenpark is geworden met hekjes, poortjes met pasjes, looproutes, vreetschuren en souvenirshops. Ik blijf het vergelijken met wat ik me herinner van tempels die ik midden in de rijstvelden ooit heb bezocht, maar zulke nostalgie is ook niet helemaal eerlijk. Zonder hekjes, poortjes, vreetschuren en souvernirshops was de Prambanan misschien wel helemaal niet gerestaureerd na de aardbeving. 
Ik had trouwens ongelooflijke mazzel, want de Merapi, een van de meest actieve vulkanen van Java,  was heel mooi zichtbaar vandaag. Dat is een zeldzaamheid. Meestal is hij in nevelen gehuld. Op de foto’s ziet hij er misschien uit als een vriendelijke molshoop. Maar in het echt verschijnt hij aan je, en hij heeft me mijn hele tocht van Yogya naar Prambanan begeleid.

zaterdag 1 augustus 2015

Geschiedschrijving

Vandaag werd ik geconfronteerd met iets wat ik dagelijks doceer: geschiedenis wordt in het heden geschreven en wordt bewust of onbewust voor contemporaine politieke, sociale en economische doelen ingezet. Het is nooit een neutraal verslag van een rijtje gebeurtenissen uit het verleden. 
Ik bezocht vanmiddag Fort Vredeburg. Dat was voor het eerst. Toen ik tussen 1976 en 1986 in Yogya verbleef, was het fort vervallen en ontoegankelijk voor publiek. Fort Vredeburg werd in de 18de eeuw door de VOC gebouwd om de Keraton van de Sultan in de gaten te houden – die ligt meteen aan de overkant van de straat. In 1800 ging de VOC failliet en nam de Nederlandse staat het gezag over. Sinds 1987 is het fort een museum “keeping the evidences of Indonesia struggle”, aldus het foldertje. 

Oplettende lezers hebben de historische sprong geregistreerd die ik gemaakt heb. Wat gebeurde er tussen 1800 en 1987?

De Indonesische versie van die geschiedenis is mooi neergezet in het museum: voorwerpen van vroeger (wat weinig), fotomateriaal, driedimensionale modelopstellingen van belangrijke gebeurtenissen, interactieve computerschermen met informatie en beeldmateriaal, en een levensgrote opstelling van een gevecht tussen Nederlandse mariniers en Indonesische vrijheidsstrijders waar je doorheen kan lopen. Met geluiden. Brrrr.
 
Ik liep met het schaamrood op mijn kaken langs de opstellingen. De gruwelijkheden die de Nederlanders tussen 1800 en 1949 begaan hebben, kende ik al wel, vooral dankzij mijn ouders, die daar ondanks (of wellicht dankzij) onze eigen koloniale familiegeschiedenis, nooit een misverstand over hebben laten bestaan, maar ik had ze nog nooit allemaal zo zichtbaar en volledig langs zien komen. De vuile dekolonisatieoorlog tussen 1945 en 1949 wordt in Nederland nog steeds een reeks “politionele acties” genoemd. Het beeldmateriaal en de presentatie van de gebeurtenissen in het museum lieten overduidelijk zien wat voor een schandelijk eufemisme dat is. Maar ook op de jaren vóór 1942 hoeven we niet trots te zijn…

 


De geschiedenis die hier getoond werd, is in Nederland nog nauwelijks bespreekbaar. De discussie over het erkennen van het leed dat in die jaren is toegebracht, laait nu in Nederland pas een beetje op. Het is een moeizame discussie: collectieve schuld, individuele verantwoordelijkheid, meervoudige belangen en loyaliteiten… Uiteindelijk kom je uit bij wat de Engelsen zo treffend ‘atonement’ noemen. How are we going to atone for what happened here? Kan dat überhaupt?
De geschiedenis van Indonesië hield na de dekolonisatieoorlog niet op, al was het grootste gedeelte van de tentoonstelling wel aan die oorlog gewijd. Het boegbeeld van de vrijheidsstrijd, Sukarno, werd president na (getrapte) democratische verkiezingen, en hij zag het als zijn taak alle duizenden eilanden van de archipel die onder Nederlands gezag hadden gestaan bij elkaar te houden als natiestaat. Dat was geen vanzelfsprekende onderneming. Toch werd de eenheid van Indonesië als natiestaat in het tentoonstellingsmateriaal geen moment ter discussie gesteld. Geschiedenis als vehikel voor nationaal bewustzijn.

Bij de uitgebreide behandeling van de “communistische coup” in 1965 kwam geschiedenis als collectieve politieke brainwash om de hoek kijken. Dit artikel geeft aardig weer wat ik over die historische gebeurtenis denk te weten: de coup was een doorgestoken kaart van Generaal Suharto die, gesteund door Amerikaanse, Britse en Australische veiligheidsdiensten, de linkse Sukarno op een zijspoor kon zetten en de steeds groter wordende Indonesische communistische partij (PKI) liet verbieden. 

Het leger onder leiding van de generaal – die de komende 33 jaar een gewelddadige dictatuur (de Orde Baru) zou vestigen – liet vermeende communistische sympathisanten oppakken, martelen, vermoorden en intimideren.  Dorps- en districthoofden, wijkagenten en andere lagere gezagsdragers werden ingezet voor lynchpartijen die hun weerga niet kenden. 

De “coup”van 1965 ken ik als een tragisch subhoofdstuk van de Koude Oorlog dat misschien wel aan een miljoen Indonesiërs het leven heeft gekost. De films The Act of Killing (2012) en The Look of Silence (2014) geven daar een gruwelijk beeld van. De maker van de films kan op dit moment Indonesië niet meer in omdat hij er zijn leven niet zeker is; de aanstichters van de gruwelijkheden zitten nog steeds op hun posities en zijn niet blij met de films. 

In het museum werd de “coup” geen moment in twijfel getrokken. De lynchpartijen werden niet genoemd. Het ingrijpen van generaal Suharto werd als een welkome noodzakelijkheid beschreven die het land weer fysieke rust en ideologische orde bracht. Het museum is overduidelijk een historisch en historiografisch product van Suharto's Orde Baru. Maar niemand heeft vooralsnog de moeite genomen om de narratieven te herzien nadat hij in 1998 het veld ruimde.
 
 
Lichtelijk murw liep ik de verzengende middagzon weer in. Het plein van het Fort was stil en loom door de middaghitte. Er hingen wat scholieren in de schaduw van een boom. Er floten wat vogels. Heel vredig allemaal.
 
In het geloofssysteem van de Zoeloe moeten overleden zielen in hun geboortegrond begraven worden, anders gaan ze die zoeken, en dolende zielen doen geen goed. Op dat stille witte plein van Fort Vredeburg voelde ik op dat moment dat dat ook geldt voor zielen wier leed niet erkend is. Ze waarden daar rond. Doceren over de intrinsieke gekleurdheid van geschiedschrijving is wat anders dan die ervaren…

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...