dinsdag 17 juli 2018

Angstbezwering

De paradigmaverschuiving in katten- en hondenvoorkeuren wordt voor onbepaalde tijd uitgesteld nadat ik een goed deel van mijn zondagmiddag doorbracht op de eerste hulp van een klein ziekenhuisje in Bantul, een ruraal voorstadje van Yogya. Slangen, spinnen, hagedissen - die zijn allemaal te bang voor mensen om een gevaar te vormen. Maar die smerige - niet voor niets haramme - rothonden zijn veel gevaarlijker. Ik schrijf er nu pas een blog over omdat ik nu zeker weet dat het helemaal goed komt. En ik ben weer even herinnerd aan de kwetsbaarheid van mijn lichaam.

Ik had zondagmorgen mijn nieuwe conclusie afgeschreven en was de sawahs ingefietst om uit te waaien. Naar Imogiri en terug. Met ruim 30 km in de benen (voor mijn fietsende broer en schoonzus is het niets, maar voor mij wel ;-), reed ik het bospad op naar huis, zoals altijd langs de erven van een aantal buren die allemaal honden hebben.

Die staan meestal achter een hek te blaffen, maar bij Pak Djoko Pekik, een van Indonesië's meest beroemde schilders, lopen die krengen los. In een roedel van een stuk of acht kwamen ze me tegemoet, agressief blaffend. Ik denk dat ze mijn angst roken. Ik hield mijn vaart bewust in, om geen jaaginstinct op te wekken. Maar dat baatte niet. Eentje sprong en hapte.

Ik gaf een schreeuw, van schrik en pijn, en dat hielp. Ze verwijderden zich. De kaken van de hond hadden meer als een klap tegen mijn enkelbeen gevoeld dan als een beet. Maar ik kon desondanks voelen dat de boel openlag. Ik besloot niet te stoppen, de laatste 150 meter naar huis gewoon door te fietsen, en in de rust van mijn eigen tuin de wond te bekijken en schoon te maken.

Alcohol en schone zakdoeken zitten altijd in mijn tas. Ook van mijn moeder geleerd. Het was een hele kleine wond, een schamp, en het bloedde dus ook niet goed, wat ik geen goed nieuws vond. Ik riep Mbak Nonik en Mas Yudi erbij, die in het huis van mijn hospes aan te werk waren.

Ze waren beide heel erg rustig en heel erg alert. We overlegden wat we zouden doen. Naar een dokter gaan als de wond of voet ging gloeien, of nu maar meteen. We besloten voor dat laatste en dat was eigenlijk meer hun beslissing dan de mijne. Ze pakten hun brommers. Ik ging bij Mbak Nonik achterop, Mas Yudi reed er achteraan.

In de uren die daarop volgden weken ze geen moment van mijn zijde. We reden naar de eerste-hulppost om de hoek (de honden van Pak Pekik waren intussen in geen velden of wegen meer te bekennen); de dienstdoende arts had geen middelen om te helpen, maar liet er ook geen misverstand over bestaan dat ik onmiddellijk naar het ziekenhuis moest.

Het dichtstbijzijnde ziekenhuis is in Bantul, dus wij weer op de brommer, eerst langs het huis van Yudi en Nonik om helmen te halen, want we reden zonder. Kennisgemaakt met hun hele familie, allemaal bij elkaar in een kamertje achter een winkeltje met matrassen op de grond: oma's, zogende moeders, hangende neven, en aan flesjes frisdank lurkende nichtjes in schooluniform. Alles ging snel en efficiënt: kennismaken, heel even babbelen, medeleven betonen, helm, en op de brommer naar Bantul.

Op de eerste hulp van het Muhammadiyah-ziekenhuis was net zo'n combinatie van chaotische drukte en stoïcijnse efficiëntie. Het was één zaal, met acht of tien provisorische plekken met brancards waar gereanimeerd of iets anders acuuts gedaan kon worden. Alle plekken waren vol met mensen die verschrikkelijk veel pijn hadden. Slachtoffers van verkeersongevallen die er niet om logen werden langs me heen gereden: improvisorisch gespalkte benen, jongens met hun halve gezicht in de kreukels (zonder helm op de brommer...), etc.. Ze kreunden op een soort van sub-woof-bass toonhoogte, een diepe, dierlijke uiting van pijn.

In het midden van de zaal stonden twee bureautjes met twee piepjonge zaalartsen in witte jassen erachter. Ze hadden nauwelijks dons op hun kin. Terwijl om hen heen de wereld verging, waren zij onverstoorbaar aan het bellen met collega's, en formulieren met anamneses aan het invullen. Ik denk dat het net zo werkt als in Nederland: de co-assistenten hebben dienst op zondagmiddag, en als ze twijfelen bellen ze met hun leidinggevende om de goede beslissing te nemen

Ze vroegen me te gaan zitten op een stoel voor een van de bureautjes en ik moest begrijpelijkerwijs eventjes wachten, maar toen vroegen ze me wat er aan de hand was. Engels was er niet bij, maar dat had ik verwacht. Ik had op de brommer zitten oefenen hoe ik het kon uitleggen in het Indonesisch. En dat is nogal wat, want ik heb een heupprothese. Als die geïnfecteerd raakt, dan kan ik aan de zoveelste heupvervanging of erger. Ik legde uit dat ik eigenlijk met mijn heupkliniek in Nederland zou moeten overleggen welk antibioticum het beste is om dat te voorkomen.

Dat kon niet. Met mijn telefoon kan ik niet naar Nederland bellen. Een telefoon van het ziekenhuis kon ik niet gebruiken. Dus we moesten het doen met wat er was. De artsen wilden niet te lang wachten met toedienen, en ze hadden nog meer te doen.

De zaalarts nam mijn bloeddruk op (130 over 90, en dat na 30 km fietsen bij 34 graden, de schrik en pijn van een hondenbeet, en de concentratie om iets uit te leggen in een taal die je nauwelijks machtig bent, dus over mijn fitheid hoef ik me geen zorgen te maken), hij checkte of de wond goed schoongemaakt was (dat was ie) en belde met een andere arts om het heupprotheseprobleem te bespreken.

Daar kwam een voorschrift uitrollen. Geen injectie, maar een pillenkuur van vijf dagen en wat pijnstillers. Thuis kon ik via de wifi Johan bellen en ik vroeg hem bij de Maartenskliniek te checken of voorgeschreven antibioticakuur wel een afdoende antwoord zou zijn op het infectiegevaar van de prothese. Dat bleek zo te zijn. In de Maartenskliniek zouden ze precies hetzelfde hebben voorgeschreven in dezelfde dosis.

Dus dat was 1-0 voor mij en voor de donzige zaalartsen van Muhammadiyah, maar gerust was ik toch niet, omdat ze bij de Maartenskliniek lieten weten dat de behandeling geen garantie was voor een goede afloop van de zaak, en zeker niet door de gebruiksaanwijzing die op mijn zakje medicijnen stond: 2 x daags, kuur geheel afmaken, innemen tijdens of na het eten, gebruiken volgens voorschrift arts en dan als laatste voorschrift: "Bid tot Allah voor u dit medicijn inneemt" met de impliciete maar niet te missen boodschap: "als het niet afdoende werkt, heb je niet hard genoeg gebeden."
Het wees me weer op de zekerheden die ik nodig heb als ik geconfronteerd word met mijn kwetsbaarheid. Hoe bezweer ik mijn angst het beste? Door alles te doen wat ik kan doen om een mogelijke ramp te voorkomen. Voor iemand uit een dorpje bij Bantul is dat bidden tot Allah. Voor mij is dat aan iedereen die voor mij medische autoriteit heeft vragen wat er moet gebeuren om zo'n rampenscenario voor te zijn. Dus ik ging de volgende dag - ook op aanraden van Johan als lid van het nog steeds werkzame heupteam - naar het ziekenhuis dat ik zelf het beste ken en dat als beste in Yogya aangeschreven staat: het Panti Rapih, om de hoek van waar ik ben opgegroeid, naast de universiteit.

Panti Rapih is door Nederlandse zusters opgericht in de jaren twintig. Heel katholiek Indonesië lijkt verzameld in dat ziekenhuis. De artsen die er werken heten Stephanus en Yosef, Maria en Lucia, ook al zit er ook een enkele Mochamad tussen. Vrouwen (zowel staf als patiënten) lopen zonder hoofddoek, behalve de nonnen die er ook nog steeds zijn. Aan elke pilaar hangt een kruis met een lijdende Christus.

Vrouwelijke patiënten (alle patiënten) worden aangesproken met Nyonya, iets wat ik in geen 30 jaar meer gehoord heb. Toen ik heel klein was werd mijn moeder nog wel eens Nyonya genoemd door de mensen die wij vroeger "de bediendes" noemden, maar dat werd al heel lang geleden gewoon Ibu. Een overgang van Vrouwe naar Mevrouw ongeveer, of van Your Ladyship naar Madam.

Ik heb de hele maandagmiddag doorgebracht in Panti Rapih: wachten, nummertje trekken, basisarts spreken, nog zelfde dag doorverwezen naar de orthopeed, weer een nummertje trekken, systeem doorkrijgen hoe je je briefje met nummertje eerst aan de assistent van de arts moet geven (kloppen op de deur - deur op een kier  want er is intussen een andere patiënt binnen - briefje aangeven - deur weer dicht - wachten tot je opgeroepen wordt).

Terwijl ik zat te wachten heb ik me afgevraagd waarom al dat ge-Nyonya, de bijbelse doktersnamen en de kruizen aan de muur me zo geruststelden.  Een lijdende Christus aan elke pilaar is immers net zulke bijgelovige zooi als "Bid tot Allah voor gebruik". En de artsen van Muhammadiyah hadden precies het juiste gedaan, bevestigde ook de opperorthopeed van Panti Rapih die ik aan het eind van de dag te spreken kreeg.

Deze dr. Alexander Matius was weer een stereotype orthopeed: volstrekt overtuigd van zichzelf. Wel drie woorden Engels, maar dat was maar goed ook, want hij sprak zo snel Indonesisch, ondanks mijn herhaalde mededeling dat ik het niet goed kon volgen, dat we het Engels nodig hadden. Al dat wachten had me piekerig gemaakt; ik had scenario's bedacht: "de orthopeed moet de Maartenskliniek kunnen bellen als ik koorts krijg, repatriëring overwegen, enz."

Toen hij het wondje en mijn been zag, zei hij: "U bent gewoon bang." Dat beaamde ik. "Er is niets aan de hand" zei hij. "Maar wat als ik koorts krijg" zei ik. "Wat gaan we dan doen?" "U krijgt geen koorts" zei hij, "want er is helemaal geen ontsteking. De wond is schoon en zo goed als dicht, niet rood, niet gezwollen, het been is gezond. Als u de wond schoonhoudt, kan er niets gebeuren met uw prothese." 

Hij checkte het antibioticumvoorschrift, drukte me op het hart de kuur af te maken en binnen 5 minuten stond ik weer buiten. Een ouderwetse arts is net als Allah: "als u mij gelooft komt alles goed." Hij heeft alleen wat meer kennis van zaken, hetgeen voor mij nodig is om hem te kunnen geloven. Maar het mechanisme van angstbezwering werkt hetzelfde. Iemand vertelt je dat het goedkomt en neemt twijfel weg. Ik ben gerustgesteld.

vrijdag 6 juli 2018

Papua Merdeka

Op de terugweg van een zoektocht naar marmite (vergeefs - zelfs bij Mirota Kampus hadden ze het niet en dat is een heel eind vanuit Bantul), stuitte ik in Yogya op een heuse demonstratie. Midden op het kruispunt waar de immer overladen Jl. Malioboro zijn verkeerstromen vlak voor de keraton links en rechts uitspuwt langs het hoofdpostkantoor en het hoofdkantoor van de Bank Indonesia.

Daar stond een handjevol mensen uit Papoea in een cirkel midden op het kruispunt met een spandoek en een megafoon, met ongeveer evenzoveel Indonesische politieagenten ernaast, en bussen, auto's en brommers die er omheen raasden.

In de Indonesische provincie Papua (voorheen Irian Jaya) worden al decennia de mensenrechten grof geschonden, Papoea's worden in de rest van Indonesië systematisch gediscrimineerd en de rijkdommen van het land komen in maar heel beperkte mate ten goede aan de plaatselijke bevolking. Ik weet dat omdat mijn moeder zich er al even zovele decennia mee bezig houdt en ik wel eens ballingen uit Papoea spreek die in mijn Utrechtse wijk Lombok wonen.

Ik stond voor het stoplicht te wachten en zag meteen dat het een demonstratie voor een vrij Papoea was. Ik stopte bij de cirkel mensen en liet het verkeer langs me razen en er kwam al snel een jongen op me af die me in het Engels vroeg wat ik wilde. Hij was zo te zien geen Papoea, maar hoorde duidelijk bij de demonstranten. 

Ik antwoordde in het Indonesisch dat ik op de hoogte ben van de situatie in Papoea en dat ik het geweldig vond dat ze hier zo stonden te demonstreren. Hij legde me uitvoerig uit dat dit studenten zijn die in Yogya studeren en aandacht vragen voor de situatie in hun land. Toen vroeg hij me of ik misschien ook iets wilde zeggen in het midden van de kring, maar dat durfde ik niet. Het is bovendien dankzij het koloniale verleden van mijn land dat Indonesië aanspraak heeft gemaakt op Papoea, dus ik vond ook niet dat ik recht van spreken had. Dat begreep hij wel.

Intussen hield een jonge meid in het midden van de cirkel een vurig betoog voor een onafhankelijk Papoea, ze stak haar linkervuist in de lucht en schreeuwde "Papua Merdeka!!!" (Papoea moet vrij!) in de megafoon. "Papua Merdeka" schreeuwden de aanwezigen in koor terug. Ik had de hele dag aan mijn anti-koloniale boek over Zuid-Afrika zitten schrijven, waar de geheven linkervuisten ook nooit ver weg zijn. Al spoedig stond ook ik met mijn linkervuist in de lucht Papua Merdeka te roepen.

Mag ik wat foto's maken, vroeg ik de aanwezigen, dan kan ik ze naar mensenrechtenorganisaties in Nederland sturen. Dat vond iedereen goed. En toen had ik binnen een paar seconden een plitieagent aan mijn staart hangen.

Hij stelde zich uiterst beleefd voor in  het Engels en schudde me de hand; ik nam de uitgestoken hand aan en groette uiterst beleefd terug in het Indonesisch met een aanspreekvorm die ik normaal alleen voor oudere heren reserveer (bapak), terwijl deze jongen zeker 10 jaar jonger was dan ik. 

Hij vroeg me - heel beleefd, maar vooral ook heel vriendelijk - te stoppen met foto's maken. Ik speelde dommertje: "waarom mag dat niet?" "Ze mogen niet gepubliceerd worden", zei hij. "Dat begrijp ik niet", zei ik. "Het is hier toch een vrij land? Deze mensen mogen demonstreren, dan mogen er toch ook foto's van gemaakt worden?" "Ze hebben aspiraties die niet goed zijn," zei de plitieagent. "Maar als ze die aspiraties mogen uiten, mag ik er toch ook foto's van maken?" zei ik.

Ik merkte dat ik boos werd. "Rustig aan, Bar", dacht ik bij mezelf. "Je hebt misschien al genoeg gedonder aan je broek met die roomblanke geheven linkervuist van je daarnet. Ik wil mijn telefoon niet kwijt en ik wil bovendien ook nog wel eens kunnen terugkomen in dit land." Ik borg mijn camera weg. 

Terwijl ik eerst nauwelijks betrokkenheid van de demonstranten had gevoeld, behalve van de jongen die me alles uitgelegd had, kwamen nu steeds meer demonstranten om ons heen staan. Het was duidelijk dat ik niet zomaar een nieuwsgierige toerist was. Maar de plitieagent liet zich niet uit zijn tent lokken. Hij bleef ongelooflijk vriendelijk; hij is ongetwijfeld geslaagd voor z'n cursus de-escalatietechnieken, of hij is gewoon heel Javaans. Hoe beleefder en vriendelijker een gesprek op Java, hoe meer je op je hoede moet zijn. Ik weet niet meer waar ik die koloniale wijsheid vandaan heb, maar ik weet het al heel lang. 

Hij stak nogmaals zijn hand uit; we groeten elkaar en ik vertrok, maar niet nadat ik de demonstranten had gezegd dat ik in Nederland zal vertellen dat er in Yogya voor een vrij Papoea gedemonsteerd wordt. De foto's post ik dus ook niet, want ik wil de demonstranten niet in de problemen brengen, maar ik stuur ze wel subiet naar mijn moeder. Gna. 

donderdag 5 juli 2018

Privilege

Een pijnlijk maar geenszins uniek gegeven is dat ik in hoegenaamd koloniale omstandigheden een boek aan het schrijven ben waarin ik harde noten kraak over expliciete en impliciete koloniale verhoudingen in Zuid-Afrika en de wereld. Intussen lees ik 's avonds Hella Haasses Heren van de Thee waarin de hechte maar verwrongen verwevenheid van mensenlevens in koloniale omstandigheden zo mooi verwoord wordt. Toch zijn alleen van degenen die de lakens konden uitdelen de personages uitgewerkt. De gekoloniseerden zijn decor...

Ik was er van uitgegaan dat er altijd ook nog andere gasten zouden zijn in Upala Java Huise; mijn huisbaas verhuurt immers twee huisjes. Maar ik heb nog helemaal geen andere gasten gezien. Dus ik kan alle gemeenschappelijke ruimtes voor mezelf gebruiken. Overdag is mijn huisbaas naar zijn werk en vanaf vanavond is hij meer dan een week in Jakarta voor zaken. Dan heb ik het rijk helemaal voor mij alleen.

Ik ben een makkelijke gast voor hem, denk ik, want ik kan geheel zelfstandig overal heen, heb Indonesische kennissen en vrienden die me entertainen en ik spreek Indonesisch. Dus ik kan rechtstreeks met de mensen praten die mijn leven hier zo koloniaal maken. Je kan alles aan hun vragen, zegt de huisbaas, maar ik hoef helemaal niets te vragen.

Ik raak binnen de kortste keren weer gewend aan dat niet hoeven vragen: de vuile vaat wordt vanzelf weer schoon, mijn bed is elke dag verschoond, mijn koelkast staat altijd vol lekkere dingen, vloeren onder mijn voeten worden elke morgen in stilte gedweild, maar een praatje kan ook altijd als ik daar zin in heb. En de loszittende standaard van mijn fiets was zomaar ineeens vastgeknutseld!

Nu heb ik wel geïnvesteerd in mijn relaties hier. Mas Yudi en Mbak Nonik komen uit het dorp en zijn er elke dag tussen 8 en 4, en nu mijn huisbaas in Jakarta is, is Mas Yudi er 's nachts ook om een oogje in het zeil te houden. Toen ik een grote taart had gekregen van een kennis van me, als welkomstcadeautje, heb ik gezorgd dat ik die met iedereen hier gedeeld heb. Dat viel in goede aarde.

En Mbak Nonik vertelt me hoe leuk ze het vindt dat ze nu eindelijke eens met een buitenlandse gast kan praten; ze vraagt me de oren van het hoofd: hoe Nederland is, hoe lang het duurt om daar te komen, hoe duur dat dan is. En ik vind het ook heel leuk om met haar te kunnen praten, al weet ik opvallend genoeg nog niet zoveel van haar... Waar en bij wie ligt die nauwelijks bewuste aanname dat mijn leven meer het bevragen waard is dan het hare?

Het feit dat de meeste van mijn Indonesische vrienden ook zo leven, maakt mijn ongemakkelijkheid hierover wat minder. Ik ruim mijn eigen rotzooi achter mijn kont op, ik bak 's avonds zelf mijn omeletje, breng zelf mijn vuile was naar de wasvrouw en hang zelf mijn gebruikte handdoeken over het handdoekenrek. Tjongejongejongejonge. Verder hoef ik alleen maar woorden te schrappen uit mijn anti-koloniale boek en te fietsen. Wat een leven.

dinsdag 3 juli 2018

Draai

Dagelijks steekt er in de namiddag een stevig briesje op. De bamboestaken, immers niet meer dan letterlijk uit de kluiten gewassen grassprieten, wiegen en kraken vervaarlijk. Het klinkt als een houten viermaster op woeste baren en als je naar de toppen van de bamboestaken kijkt, zo'n 15 of 20 meter hoog, dan voelt dat ook zo. (Niet dat ik ooit in een storm op een viermaster heb gezeten, maar ik heb wel films gezien.) Aan de 33 graden in Bangunjiwo die mijn telefoon waarschijnlijk van een googlethermometer ergens verderop afleest, komen we hier in het bamboebos echt niet. Maar daarom zit ik hier ook. Gisteravond had ik het koud; het was maar 24 graden. Ik heb een warme douche genomen om weer op te warmen.
Ik heb in de eerste 24 uur dat ik hier was wel vier keer keihard mijn hoofd gestoten aan mijn keukendeur, die net een beetje laag voor me is. Vandaag gebeurde het me in een warung aan de weg onder gierend gelach van de eigenaren weer, toen ik na een bordje soto ayam weer op de fiets wilde stappen.

Het is de straf van Allah omdat ik mijn goede vader zaliger altijd zo keihard uitlachte als hij z'n kop weer eens stootte. Maar ik heb tenminste nog een stevige dot haar op mijn hoofd - die had hij ook niet. Daarom heb ik het nu ook nog eens koud bij 24 graden, net als hij vroeger. Het is duidelijk dat de voorouders in de buurt zijn.

Nu ik het spits van mijn kolossale boekinkortproject heb afgebeten (vandaag de inleiding in de nieuwe grondverf gezet, van 16.301 woorden terug naar 10.539) heb ik moed gevat voor de volgende negen hoofdstukken. Het is een beetje als een film achterstevoren afdraaien en dan ook nog in slow motion. Over een nauwelijks te hanteren viermaster op woeste baren... Gelukkig kan ik het ook voelen als een stap voorwaarts. Het boek wordt echt beter.

Dat brengt rust in de tent. Ik vond het nogal een opgaaf om naast acclimatiseren ook nog iets te doen te hebben, en niet zomaar even wat. Ik moet weer wennen aan mijn nieuwe oude gevoel van een Indonesisch thuis met vijf uur tijdsverschil, een nieuw dagritme, temperaturen, eten, en natuurlijk alle nieuwe beesten. Geen TV en geen alcohol zijn heerlijk. 's Avonds zit ik op de bank met een boekje en hoor in de verte de muziek van de huisbaas. Om 21.00 uur kak ik in.

Maar mijn plan om om 04:30 uur op te staan als de moskee achter mijn huis begint te brullen, lukt nog niet. Het is dan nog stikkedonker en stervenskoud bovendien. Ik heb de airco op 26 graden staan en draai me nog eens om.

Om 06:00 uur lukt het wel en dan kan ik om 07.00 uur aan het werk zijn. Dan stap ik om 12.00 uur op mijn fiets om een eethuisje te zoeken (buitenshuis eten is hier goedkoper (en meestal ook lekkerder) dan zelf koken.

Een zwembad hebben ze niet hier in de dusun en de hele dag op mijn kont zitten maakt me onrustig. Dus na het eten ga ik fietsen, als een echte belanda op het heetst van de dag. 's middags slapen is nooit iets voor mij geweest. Ik word dan gebroken wakker en doe de rest van de dag niets meer.  Vroeger haalde ik dan kattekwaad uit want mijn ouders lagen wel te slapen en nu verzin ik een andere bezigheid, want als ik niet in beweging kom val ik wel degelijk van de warmte in slaap. Het is hier prachtig, met kleine dorpjes en eindeloze rijstvelden waar je op gemakkelijke kleine wegen doorheen kan fietsen.

 

Ik voel me een soort nachtmens dan. Niemand op straat. Het is zo warm dat zelfs de krekels (die je altijd hoort, net als in Zuid-Frankrijk) soms stil zijn. Dan is het alsof er een deken over het landschap ligt; het geluid is gedempt, de lucht trilt, maar het licht is fel.

Mijn hoofd wordt vrij snel paars van de hitte, maar mijn rusteloosheid verdwijnt. Ik ben er pas sinds een paar jaar achter dat mijn lichaam net zo veel uitdaging nodig heeft op een dag als mijn hersens. In die deken van hitte en licht ben ik aan een soort workout bezig in de wetenschap dat ik bij thuiskomst een plensmandibad kan nemen (ik heb zowel een douche als een mandibak - the best of both worlds). [En met dank aan Emile moet dit [klik op het woordje dit] er absoluut bij. Ik zou een variant op dit gedicht kunnen maken genaamd "Bammmmmboebosssss".]

Op zo'n moment kan ik ook weer een beetje afstand nemen van alle realiteiten waarin ik tegelijkertijd verkeer: de paradijselijke stilte van Mas Ali's erf in het bamboebos, uitjes met mijn Yogyanese vrienden, het schrijven van een boek over Zuid-Afrika, berichten uit Nederland van familie en vrienden en mijn koor dat net een bijzonder concert heeft gehad. Het is gewoon allemaal een beetje veel verschillende dingen tegelijk, dus misschien trek ik de komende tijd wel wat stekkers uit de Whatsapp en de mail. Om effe m'n draai te vinden. Niks persoonlijks.

zondag 1 juli 2018

Bamboebos

Mijn Yogyanese vrienden vinden het stoer dat ik ergens in een dorpje aan de rivier in een bamboebos ben gaan zitten - zeven weken lang - maar ze vinden het ook een beetje getikt. Het is er stil (sepi - geen positieve aanduiding), er is geen barst te beleven, en je zit midden in de bamboe. Bamboebossen, zei Mas Erie gisteren: brrr, daar zitten geheid slangen, zeker als het aan de rivier is.
Nu wist ik dat allang, maar ik had dat gemakshalve maar even vergeten toen ik hier aankwam. Mijn ouders zeiden het vroeger altijd: niet bij de bamboebossen spelen, daar zitten slangen. Dus als mijn moeder dit leest, vertel ik haar niets nieuws. Ze heeft die bamboebossen op mijn foto's al lang naast mijn keuken zien staan, toch Mama?

En een paar ochtenden geleden kwam ik dit exemplaar tegen tussen twee bomen op het erf.
Met gestrekte poten bijna zo groot als mijn hand, maar ongevaarlijk: hij vangt zijn prooien immers met een web, niet met een beet. Maar als ik over het bospad fiets, van huis uit zo'n 300-400 meter naar de openbare weg, en ik voel wat spinrag op mijn hoofd (ik steek immers ruim boven auto's uit), dan let ik wel even extra op of er niks aan hangt. Ik zou hem toch niet graag in mijn nek hebben...
Dezelfde waakzaamheid betracht ik nu in en om het huis. Het maakt iets ouds in me wakker wat ik eigenlijk wel prettig vind en wat ook meteen weer went. Een open keuken met kastjes op kniehoogte waar ik af en toe een hand in moet steken voor een vork of een lepel; altijd eerst maar even kijken dus. Tassen niet op de grond zetten maar op tafels of stoelen, schoenen rechtop tegen de muur, eerst kijken voor ik mijn voeten erin steek, enz. Ik heb het allemaal geleerd vroeger. Was eigenlijk heel gewoon. Als twaalfjarige ben ik ook nog eens een keer midden in de nacht in bed op mijn kop gepiest door een loewak - dat heb ik ook overleefd.

En 'sochtends zit nog steeds die hondsbrutale kat onder mijn badkuip - die kan daar ook niet levend onder vandaan springen als er een slang zit. Ik houd maar wel de deksel van mijn plee dicht - zowel tegen de spinnen als de slangen.

Mijn keuken en badkamer zijn open, en mijn huis lijkt open, maar is dicht. Alle quasi-open vensters zijn van glas, anders kun je de airco niet gebruiken. Aanvankelijk vond ik dat jammer - ik slaap liever in de nachtlucht dan in de aircolucht, maar nu vind ik het wel een rustig idee. Voor het slapen gaan, ga ik op mijn bed liggen en schijn met de zaklamp van mijn telefoon onder bed en kasten om te kijken of er niet toch ergens een opgerolde slidderaar in een hoek ligt. Maar dat is tot nu toe niet zo. Dan slaap ik als een roos.

Ter compensatie van al deze griezeligheid moet ik ook nog even melden dat ik hier enorm verwend word. Ik zit niet in een hotel, maar het voelt wel zo: mijn hele huisje wordt elke dag grondig schoongemaakt, mijn huisbaas neemt ongevraagd lekkere dingen voor me mee en komt me die brengen rond theetijd of koffietijd. Dan maken we een praatje en verder laten we elkaar met rust. Hij heeft jaren bij de Wereldbank gewerkt en de hele wereld overgereisd. We spreken Indonesisch, maar als ik het even niet meer weet kan ik het ook in het Engels zeggen. 'savonds draait hij Bach, of prachtige gamelan met een suling. Dan zit ik op mijn platje voor het huis, ik hoor de tokè en de suling samen, of de tokè en Bach, en dan ben ik volmaakt gelukkig. Die slangen maken dan echt geen barst meer uit.

zaterdag 30 juni 2018

Honden en katten

Ik ben een kattenmens. Honden stinken, ze zijn opdringerig, slaafs en onbetrouwbaar. Katten zijn veel schoner, grappiger, intelligenter en zelfstandiger. Bovendien blaffen en bijten ze niet. Ik wist dat de eigenaar van Upala Java Huise twee honden heeft, dus ik had me daar mentaal een beetje op voorbereid. En die voorbereiding heeft geholpen.

In Indonesië leven honden buiten. Bij ons resideren ze in de kolong, de ruimte onder de verende planken vloeren van onze huizen. Ze komen niet aan je handen likken als je aan komt lopen, springen niet tegen je op, lopen niet je huis binnen om op je bed te gaan liggen.
Honden zijn namelijk haram (onrein) en dat is niet voor niets. Het zijn alleseters, net als varkens, en daarom kunnen ze parasieten bij zich dragen. Dus in Indonesië blijven honden op gezonde afstand en zo worden ze ook opgevoed.

Terwijl het hele dorp vrijdag (of dagelijks) braaf in de moskee zit, heeft iedereen  dus gewoon een hond. Om het erf te bewaken, hetgeen ze met verve doen als er een grote dikke boelèèè op een fiets komt langsrijden. Omdat ik nu eindelijk eens een keer met honden te maken heb die me niet meteen aflebberen, bespringen of met hun vieze poten door mijn huis stampen, kan ik ze een beetje leuk gaan vinden. Nou ja, Pepo is leuk. Verder moet ik het nog zien.


Pepo is echt grappig. Hij komt me altijd begroeten - als ik uit mijn huisje kom stappen, als ik terugkom uit de stad, of zomaar - maar zonder te dichtbij te komen. Als ik wegga, huilt hij eventjes. Hij zit nog trouwer dan anders naast me als ik iets aan het eten ben, gaat met zijn pootjes wiebelen terwijl hij rechter op gaat zitten en kijkt me vragend aan. Ik heb hem tot nog toe niets gegeven. Ik wil zijn strenge opvoeding niet verknoeien. Bovendien moet ie niet te dichtbij komen.

Het fijnste is wel dat als ik geen interesse toon, hij gewoon weer wegloopt om iets anders te gaan doen. Een zelfstandige hond! Geweldig.
Pepo wijst me er - waarschijnlijk zonder het te weten - op dat mijn houding tegenover honden is zoals die van racisten tijdens de apartheid in Zuid-Afrika. Honden zijn vies en vervelend - alle honden, behalve mijn hond. Mijn hond is een goede hond. Als alle honden zo waren als mijn hond, dan zou ik geen problemen hebben met honden. Heus.

Er is hier ook een kat - die geen naam heeft - en dat is echt een kreng. Een ongelooflijk doortrapte straatvechtster. Ze zit niet onder het huis, maar loopt over de daken. Ze is beide honden de baas. Ze hoeft maar te blazen of die zetten het op een lopen. 's Nachts hoor ik af en toe de meest ijzingwekkende gevechten en ik weet zeker dat ze daar bij betrokken is. En wint. Ze zit zich de hele dag parmantig te likken naast de vijverbakken met vissen, waar ze intussen naar zit te loeren. Als het even kan, glipt ze mijn  huis binnen om daar rond te snuffelen. 's Ochtends zit ze in mijn open badkamer stoïcijns toe te kijken terwijl ik mijn toilet maak.


Als ik op de bank op het platje voor mijn huisje zit, komt ze ernaast zitten en begint verongelijkt te mauwen. Ook maakt ze aanstalten op de bank te springen, maar als ik haar dan uitnodig op schoot te komen zitten, wil ze dat niet. Pas na enkele dagen had ik door dat ik op haar plek zit. Daar ligt ze dan te slapen en als ik langs kom lopen om iets uit mijn huisje te pakken kijkt ze me zo diepgiftig aan dat zelfs ik - een kattenmens - er een beetje bang van word.

Dus.... misschien zijn jullie hier getuige van een ware paradigmawisseling. Misschien...
 


donderdag 28 juni 2018

Schrijversretraite



Mijn djatihouten huisje aan de oever van de rivier staat op palen met verende planken vloeren. Het huisje is één kamer groot. Daarin staat een groot bed met een lekkere harde kapokmatras, een sofa met gulings en een prachtig oud (ik zou bijna willen zeggen: koloniaal) uitklapbureautje voor het raam, dat Mas Ali, mijn hospes, speciaal daarnaartoe heeft laten verslepen zodat ik een plekje heb om te schrijven. Want hier ga ik dus mijn boek afschrijven. (Maar ik zit hier, aan de kabbelende rivier, want daar is het nóg lekkerderderder:)
Mijn huisje (het is écht een pondok) heeft één stenen muur waarin een airco is gebouwd en aan de andere kant een douche. De badkamer is buiten (met een muurtje erom heen), onder een kathedraal van metershoge bamboescheuten. Naast het huisje staat een keukentje met een goedgevulde koelkast, waar ik thee en koffie kan zetten en een ei kan bakken op een eenpitter. Het keukentje kijkt ook uit op de rivier.

Samen met de reusachtige bamboe geeft de rivier koelte, die je pas waarneemt als je je de openbare weg op waagt, tussen de brommertjes en pick-upjes in de hitte van de zon. Langs de weg loopt het oude suikerrietspoortje, en verdomd, de suikerfabriek een paar honderd meter verderop is nog in gebruik, met dieselocomotiefjes en karretjes die leeg en vol heen en weer tuffen en de weeë lucht van suikkerriet.


Boven mijn bed in het rieten dak zit een macho van een tokè (een gekko), die je heel veel hoort, maar nooit ziet. Hij laat luid van zich horen zodra ik het licht aandoe: eerst laadt hij zich op, als een soort speelgoedautoaandrijving en dan roept hij een paar keer tokèèèèèè. Ik ben op zijn terrein - we moeten nog vriendjes worden, en dan - als alles meezit - huisgenoten. Het geluid is voor mij zo vertrouwd dat ik me geen moment druk maak om het feit dat er een hele dikke hagedis boven mijn hoofd hangt als ik lig te slapen. Elke keer dat hij zeven keer tokè heeft gezegd mag ik een wens doen. Daar heb ik als kind zelfs een liedje over geleerd. Maar deze slaat zo vaak zeven keer dat ik door mijn wensen heen ben. Ik ben een bevoorrecht mens.

Het gevoel dichter bij de natuur te staan doet een beetje oriëntalistisch aan, maar het is wel zo, hier buiten de stad. Deze passage is dan ook speciaal voor Eva, een van mijn trouwste blogvolgrs:

Mijn keukentje is open, dus alles moet in de koelkast, anders nemen de apen het mee. Vanmorgen raakte ik in gesprek met Mas Ali, terwijl mijn gesmeerde boterhammetjes met marmite voor me op tafel lagen. Toen ik me na het gesprek van 10 minuten aan de boterhammetjes wilde zetten, waren ze bedekt met mieren. Mieren die marmite lusten! Ik heb ze eraf geblazen en mijn brood alsnog opgegeten. Haha.

En op mijn eerste avond maakte ik weer een klassieke belandafout, door niet goed op te letten bij het aan de weg eten. Ik heb intussen door dat je best aan de weg kan eten, als het er een beetje schoon uitziet (niet teveel vliegen) en je maar heel voorzichtig bent met vlees, en goed gekookte spullen als soep eet bij je witte rijst, en voorverpakte drankjes.

Bij het kruispunt bij de suikerfabriek schieten de eetstalletjes tegen etenstijd als paddestoelen uit de grond. Heel gezellig met lichtjes en spandoeken (die hier ook spanduken heten) met de waar erop aangeprezen. Saté ayam uit Madura, zag ik. Ze zagen er lekker doorbakken uit daar op dat houtskoolvuurtje en roken heerlijk, dus ik zette me aan een van de tafeltjes tussen de spanduken en bestelde een portie.

Maar die portie was al een tijdje van het vuur af - in elk geval was ie koud en ik bedacht me pas na vier gretig opgesmikkelde stokjes dat dat niet zo'n slim idee was. Maar toen durfde ik de meneer uit Madura niet meer te vragen de rest nog even op te warmen, iets wat je eigenlijk gewoon altijd meteen moet vragen. Gelukkig was de doorstroming groot, om de haverklap kwamen er mensen op brommers langs om af te halen dus zo lang konden ze nog niet van het vuur af zijn. Dus ik at de rest ook maar op en vond dat ik maar moest boeten voor mijn onvoorzichtigheid.

Ik bereidde me voor op een nacht ellende, maar er gebeurde helemaal niets. Als zich geen stille parasiet in mijn lever genesteld heeft dan ben ik deze escapade goed doorgekomen, en heb mijn lesje geleerd voor de komende zeven weken. En jullie zijn weer op de hoogte van mijn stoelgang...
Huis van de heer des huizes, Mas Ali, schuin tegenover mijn pondok (met zijn toestemming op het internet geploft)

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...