dinsdag 3 juli 2018

Draai

Dagelijks steekt er in de namiddag een stevig briesje op. De bamboestaken, immers niet meer dan letterlijk uit de kluiten gewassen grassprieten, wiegen en kraken vervaarlijk. Het klinkt als een houten viermaster op woeste baren en als je naar de toppen van de bamboestaken kijkt, zo'n 15 of 20 meter hoog, dan voelt dat ook zo. (Niet dat ik ooit in een storm op een viermaster heb gezeten, maar ik heb wel films gezien.) Aan de 33 graden in Bangunjiwo die mijn telefoon waarschijnlijk van een googlethermometer ergens verderop afleest, komen we hier in het bamboebos echt niet. Maar daarom zit ik hier ook. Gisteravond had ik het koud; het was maar 24 graden. Ik heb een warme douche genomen om weer op te warmen.
Ik heb in de eerste 24 uur dat ik hier was wel vier keer keihard mijn hoofd gestoten aan mijn keukendeur, die net een beetje laag voor me is. Vandaag gebeurde het me in een warung aan de weg onder gierend gelach van de eigenaren weer, toen ik na een bordje soto ayam weer op de fiets wilde stappen.

Het is de straf van Allah omdat ik mijn goede vader zaliger altijd zo keihard uitlachte als hij z'n kop weer eens stootte. Maar ik heb tenminste nog een stevige dot haar op mijn hoofd - die had hij ook niet. Daarom heb ik het nu ook nog eens koud bij 24 graden, net als hij vroeger. Het is duidelijk dat de voorouders in de buurt zijn.

Nu ik het spits van mijn kolossale boekinkortproject heb afgebeten (vandaag de inleiding in de nieuwe grondverf gezet, van 16.301 woorden terug naar 10.539) heb ik moed gevat voor de volgende negen hoofdstukken. Het is een beetje als een film achterstevoren afdraaien en dan ook nog in slow motion. Over een nauwelijks te hanteren viermaster op woeste baren... Gelukkig kan ik het ook voelen als een stap voorwaarts. Het boek wordt echt beter.

Dat brengt rust in de tent. Ik vond het nogal een opgaaf om naast acclimatiseren ook nog iets te doen te hebben, en niet zomaar even wat. Ik moet weer wennen aan mijn nieuwe oude gevoel van een Indonesisch thuis met vijf uur tijdsverschil, een nieuw dagritme, temperaturen, eten, en natuurlijk alle nieuwe beesten. Geen TV en geen alcohol zijn heerlijk. 's Avonds zit ik op de bank met een boekje en hoor in de verte de muziek van de huisbaas. Om 21.00 uur kak ik in.

Maar mijn plan om om 04:30 uur op te staan als de moskee achter mijn huis begint te brullen, lukt nog niet. Het is dan nog stikkedonker en stervenskoud bovendien. Ik heb de airco op 26 graden staan en draai me nog eens om.

Om 06:00 uur lukt het wel en dan kan ik om 07.00 uur aan het werk zijn. Dan stap ik om 12.00 uur op mijn fiets om een eethuisje te zoeken (buitenshuis eten is hier goedkoper (en meestal ook lekkerder) dan zelf koken.

Een zwembad hebben ze niet hier in de dusun en de hele dag op mijn kont zitten maakt me onrustig. Dus na het eten ga ik fietsen, als een echte belanda op het heetst van de dag. 's middags slapen is nooit iets voor mij geweest. Ik word dan gebroken wakker en doe de rest van de dag niets meer.  Vroeger haalde ik dan kattekwaad uit want mijn ouders lagen wel te slapen en nu verzin ik een andere bezigheid, want als ik niet in beweging kom val ik wel degelijk van de warmte in slaap. Het is hier prachtig, met kleine dorpjes en eindeloze rijstvelden waar je op gemakkelijke kleine wegen doorheen kan fietsen.

 

Ik voel me een soort nachtmens dan. Niemand op straat. Het is zo warm dat zelfs de krekels (die je altijd hoort, net als in Zuid-Frankrijk) soms stil zijn. Dan is het alsof er een deken over het landschap ligt; het geluid is gedempt, de lucht trilt, maar het licht is fel.

Mijn hoofd wordt vrij snel paars van de hitte, maar mijn rusteloosheid verdwijnt. Ik ben er pas sinds een paar jaar achter dat mijn lichaam net zo veel uitdaging nodig heeft op een dag als mijn hersens. In die deken van hitte en licht ben ik aan een soort workout bezig in de wetenschap dat ik bij thuiskomst een plensmandibad kan nemen (ik heb zowel een douche als een mandibak - the best of both worlds). [En met dank aan Emile moet dit [klik op het woordje dit] er absoluut bij. Ik zou een variant op dit gedicht kunnen maken genaamd "Bammmmmboebosssss".]

Op zo'n moment kan ik ook weer een beetje afstand nemen van alle realiteiten waarin ik tegelijkertijd verkeer: de paradijselijke stilte van Mas Ali's erf in het bamboebos, uitjes met mijn Yogyanese vrienden, het schrijven van een boek over Zuid-Afrika, berichten uit Nederland van familie en vrienden en mijn koor dat net een bijzonder concert heeft gehad. Het is gewoon allemaal een beetje veel verschillende dingen tegelijk, dus misschien trek ik de komende tijd wel wat stekkers uit de Whatsapp en de mail. Om effe m'n draai te vinden. Niks persoonlijks.

zondag 1 juli 2018

Bamboebos

Mijn Yogyanese vrienden vinden het stoer dat ik ergens in een dorpje aan de rivier in een bamboebos ben gaan zitten - zeven weken lang - maar ze vinden het ook een beetje getikt. Het is er stil (sepi - geen positieve aanduiding), er is geen barst te beleven, en je zit midden in de bamboe. Bamboebossen, zei Mas Erie gisteren: brrr, daar zitten geheid slangen, zeker als het aan de rivier is.
Nu wist ik dat allang, maar ik had dat gemakshalve maar even vergeten toen ik hier aankwam. Mijn ouders zeiden het vroeger altijd: niet bij de bamboebossen spelen, daar zitten slangen. Dus als mijn moeder dit leest, vertel ik haar niets nieuws. Ze heeft die bamboebossen op mijn foto's al lang naast mijn keuken zien staan, toch Mama?

En een paar ochtenden geleden kwam ik dit exemplaar tegen tussen twee bomen op het erf.
Met gestrekte poten bijna zo groot als mijn hand, maar ongevaarlijk: hij vangt zijn prooien immers met een web, niet met een beet. Maar als ik over het bospad fiets, van huis uit zo'n 300-400 meter naar de openbare weg, en ik voel wat spinrag op mijn hoofd (ik steek immers ruim boven auto's uit), dan let ik wel even extra op of er niks aan hangt. Ik zou hem toch niet graag in mijn nek hebben...
Dezelfde waakzaamheid betracht ik nu in en om het huis. Het maakt iets ouds in me wakker wat ik eigenlijk wel prettig vind en wat ook meteen weer went. Een open keuken met kastjes op kniehoogte waar ik af en toe een hand in moet steken voor een vork of een lepel; altijd eerst maar even kijken dus. Tassen niet op de grond zetten maar op tafels of stoelen, schoenen rechtop tegen de muur, eerst kijken voor ik mijn voeten erin steek, enz. Ik heb het allemaal geleerd vroeger. Was eigenlijk heel gewoon. Als twaalfjarige ben ik ook nog eens een keer midden in de nacht in bed op mijn kop gepiest door een loewak - dat heb ik ook overleefd.

En 'sochtends zit nog steeds die hondsbrutale kat onder mijn badkuip - die kan daar ook niet levend onder vandaan springen als er een slang zit. Ik houd maar wel de deksel van mijn plee dicht - zowel tegen de spinnen als de slangen.

Mijn keuken en badkamer zijn open, en mijn huis lijkt open, maar is dicht. Alle quasi-open vensters zijn van glas, anders kun je de airco niet gebruiken. Aanvankelijk vond ik dat jammer - ik slaap liever in de nachtlucht dan in de aircolucht, maar nu vind ik het wel een rustig idee. Voor het slapen gaan, ga ik op mijn bed liggen en schijn met de zaklamp van mijn telefoon onder bed en kasten om te kijken of er niet toch ergens een opgerolde slidderaar in een hoek ligt. Maar dat is tot nu toe niet zo. Dan slaap ik als een roos.

Ter compensatie van al deze griezeligheid moet ik ook nog even melden dat ik hier enorm verwend word. Ik zit niet in een hotel, maar het voelt wel zo: mijn hele huisje wordt elke dag grondig schoongemaakt, mijn huisbaas neemt ongevraagd lekkere dingen voor me mee en komt me die brengen rond theetijd of koffietijd. Dan maken we een praatje en verder laten we elkaar met rust. Hij heeft jaren bij de Wereldbank gewerkt en de hele wereld overgereisd. We spreken Indonesisch, maar als ik het even niet meer weet kan ik het ook in het Engels zeggen. 'savonds draait hij Bach, of prachtige gamelan met een suling. Dan zit ik op mijn platje voor het huis, ik hoor de tokè en de suling samen, of de tokè en Bach, en dan ben ik volmaakt gelukkig. Die slangen maken dan echt geen barst meer uit.

zaterdag 30 juni 2018

Honden en katten

Ik ben een kattenmens. Honden stinken, ze zijn opdringerig, slaafs en onbetrouwbaar. Katten zijn veel schoner, grappiger, intelligenter en zelfstandiger. Bovendien blaffen en bijten ze niet. Ik wist dat de eigenaar van Upala Java Huise twee honden heeft, dus ik had me daar mentaal een beetje op voorbereid. En die voorbereiding heeft geholpen.

In Indonesië leven honden buiten. Bij ons resideren ze in de kolong, de ruimte onder de verende planken vloeren van onze huizen. Ze komen niet aan je handen likken als je aan komt lopen, springen niet tegen je op, lopen niet je huis binnen om op je bed te gaan liggen.
Honden zijn namelijk haram (onrein) en dat is niet voor niets. Het zijn alleseters, net als varkens, en daarom kunnen ze parasieten bij zich dragen. Dus in Indonesië blijven honden op gezonde afstand en zo worden ze ook opgevoed.

Terwijl het hele dorp vrijdag (of dagelijks) braaf in de moskee zit, heeft iedereen  dus gewoon een hond. Om het erf te bewaken, hetgeen ze met verve doen als er een grote dikke boelèèè op een fiets komt langsrijden. Omdat ik nu eindelijk eens een keer met honden te maken heb die me niet meteen aflebberen, bespringen of met hun vieze poten door mijn huis stampen, kan ik ze een beetje leuk gaan vinden. Nou ja, Pepo is leuk. Verder moet ik het nog zien.


Pepo is echt grappig. Hij komt me altijd begroeten - als ik uit mijn huisje kom stappen, als ik terugkom uit de stad, of zomaar - maar zonder te dichtbij te komen. Als ik wegga, huilt hij eventjes. Hij zit nog trouwer dan anders naast me als ik iets aan het eten ben, gaat met zijn pootjes wiebelen terwijl hij rechter op gaat zitten en kijkt me vragend aan. Ik heb hem tot nog toe niets gegeven. Ik wil zijn strenge opvoeding niet verknoeien. Bovendien moet ie niet te dichtbij komen.

Het fijnste is wel dat als ik geen interesse toon, hij gewoon weer wegloopt om iets anders te gaan doen. Een zelfstandige hond! Geweldig.
Pepo wijst me er - waarschijnlijk zonder het te weten - op dat mijn houding tegenover honden is zoals die van racisten tijdens de apartheid in Zuid-Afrika. Honden zijn vies en vervelend - alle honden, behalve mijn hond. Mijn hond is een goede hond. Als alle honden zo waren als mijn hond, dan zou ik geen problemen hebben met honden. Heus.

Er is hier ook een kat - die geen naam heeft - en dat is echt een kreng. Een ongelooflijk doortrapte straatvechtster. Ze zit niet onder het huis, maar loopt over de daken. Ze is beide honden de baas. Ze hoeft maar te blazen of die zetten het op een lopen. 's Nachts hoor ik af en toe de meest ijzingwekkende gevechten en ik weet zeker dat ze daar bij betrokken is. En wint. Ze zit zich de hele dag parmantig te likken naast de vijverbakken met vissen, waar ze intussen naar zit te loeren. Als het even kan, glipt ze mijn  huis binnen om daar rond te snuffelen. 's Ochtends zit ze in mijn open badkamer stoïcijns toe te kijken terwijl ik mijn toilet maak.


Als ik op de bank op het platje voor mijn huisje zit, komt ze ernaast zitten en begint verongelijkt te mauwen. Ook maakt ze aanstalten op de bank te springen, maar als ik haar dan uitnodig op schoot te komen zitten, wil ze dat niet. Pas na enkele dagen had ik door dat ik op haar plek zit. Daar ligt ze dan te slapen en als ik langs kom lopen om iets uit mijn huisje te pakken kijkt ze me zo diepgiftig aan dat zelfs ik - een kattenmens - er een beetje bang van word.

Dus.... misschien zijn jullie hier getuige van een ware paradigmawisseling. Misschien...
 


donderdag 28 juni 2018

Schrijversretraite



Mijn djatihouten huisje aan de oever van de rivier staat op palen met verende planken vloeren. Het huisje is één kamer groot. Daarin staat een groot bed met een lekkere harde kapokmatras, een sofa met gulings en een prachtig oud (ik zou bijna willen zeggen: koloniaal) uitklapbureautje voor het raam, dat Mas Ali, mijn hospes, speciaal daarnaartoe heeft laten verslepen zodat ik een plekje heb om te schrijven. Want hier ga ik dus mijn boek afschrijven. (Maar ik zit hier, aan de kabbelende rivier, want daar is het nóg lekkerderderder:)
Mijn huisje (het is écht een pondok) heeft één stenen muur waarin een airco is gebouwd en aan de andere kant een douche. De badkamer is buiten (met een muurtje erom heen), onder een kathedraal van metershoge bamboescheuten. Naast het huisje staat een keukentje met een goedgevulde koelkast, waar ik thee en koffie kan zetten en een ei kan bakken op een eenpitter. Het keukentje kijkt ook uit op de rivier.

Samen met de reusachtige bamboe geeft de rivier koelte, die je pas waarneemt als je je de openbare weg op waagt, tussen de brommertjes en pick-upjes in de hitte van de zon. Langs de weg loopt het oude suikerrietspoortje, en verdomd, de suikerfabriek een paar honderd meter verderop is nog in gebruik, met dieselocomotiefjes en karretjes die leeg en vol heen en weer tuffen en de weeë lucht van suikkerriet.


Boven mijn bed in het rieten dak zit een macho van een tokè (een gekko), die je heel veel hoort, maar nooit ziet. Hij laat luid van zich horen zodra ik het licht aandoe: eerst laadt hij zich op, als een soort speelgoedautoaandrijving en dan roept hij een paar keer tokèèèèèè. Ik ben op zijn terrein - we moeten nog vriendjes worden, en dan - als alles meezit - huisgenoten. Het geluid is voor mij zo vertrouwd dat ik me geen moment druk maak om het feit dat er een hele dikke hagedis boven mijn hoofd hangt als ik lig te slapen. Elke keer dat hij zeven keer tokè heeft gezegd mag ik een wens doen. Daar heb ik als kind zelfs een liedje over geleerd. Maar deze slaat zo vaak zeven keer dat ik door mijn wensen heen ben. Ik ben een bevoorrecht mens.

Het gevoel dichter bij de natuur te staan doet een beetje oriëntalistisch aan, maar het is wel zo, hier buiten de stad. Deze passage is dan ook speciaal voor Eva, een van mijn trouwste blogvolgrs:

Mijn keukentje is open, dus alles moet in de koelkast, anders nemen de apen het mee. Vanmorgen raakte ik in gesprek met Mas Ali, terwijl mijn gesmeerde boterhammetjes met marmite voor me op tafel lagen. Toen ik me na het gesprek van 10 minuten aan de boterhammetjes wilde zetten, waren ze bedekt met mieren. Mieren die marmite lusten! Ik heb ze eraf geblazen en mijn brood alsnog opgegeten. Haha.

En op mijn eerste avond maakte ik weer een klassieke belandafout, door niet goed op te letten bij het aan de weg eten. Ik heb intussen door dat je best aan de weg kan eten, als het er een beetje schoon uitziet (niet teveel vliegen) en je maar heel voorzichtig bent met vlees, en goed gekookte spullen als soep eet bij je witte rijst, en voorverpakte drankjes.

Bij het kruispunt bij de suikerfabriek schieten de eetstalletjes tegen etenstijd als paddestoelen uit de grond. Heel gezellig met lichtjes en spandoeken (die hier ook spanduken heten) met de waar erop aangeprezen. Saté ayam uit Madura, zag ik. Ze zagen er lekker doorbakken uit daar op dat houtskoolvuurtje en roken heerlijk, dus ik zette me aan een van de tafeltjes tussen de spanduken en bestelde een portie.

Maar die portie was al een tijdje van het vuur af - in elk geval was ie koud en ik bedacht me pas na vier gretig opgesmikkelde stokjes dat dat niet zo'n slim idee was. Maar toen durfde ik de meneer uit Madura niet meer te vragen de rest nog even op te warmen, iets wat je eigenlijk gewoon altijd meteen moet vragen. Gelukkig was de doorstroming groot, om de haverklap kwamen er mensen op brommers langs om af te halen dus zo lang konden ze nog niet van het vuur af zijn. Dus ik at de rest ook maar op en vond dat ik maar moest boeten voor mijn onvoorzichtigheid.

Ik bereidde me voor op een nacht ellende, maar er gebeurde helemaal niets. Als zich geen stille parasiet in mijn lever genesteld heeft dan ben ik deze escapade goed doorgekomen, en heb mijn lesje geleerd voor de komende zeven weken. En jullie zijn weer op de hoogte van mijn stoelgang...
Huis van de heer des huizes, Mas Ali, schuin tegenover mijn pondok (met zijn toestemming op het internet geploft)

zondag 6 augustus 2017

Eten

Alle mensen die ik heb zien eten op Bali, Flores, Timor, Sumba en Java, eten met concentratie. Mijn Indonesische reisgenoten stoppen met praten als het eten geserveerd wordt en richten zich op hun bord en op de handeling van het brengen van voedsel naar hun mond, het kauwen, het slikken, het proeven. Ook mensen aan andere tafels doen dat. Als ze alleen zijn, dan lijken ze helemaal te verdwijnen in hun eetervaring, samen met hun maaltijd, afgesloten van de rest van de wereld.

Vaak wordt beweerd dat eten een centraal aspect is van de Indonesische cultuur. Ik denk dat dat voor veel culturen geldt, maar het is inderdaad zo dat je Indonesiërs heel erg vaak ziet eten. Snacks voor onderweg, snacks bij de thee of de koffie (waarbij overigens wel honderduit wordt gepraat), drie warme maaltijden per dag. Citra vertelt me over een bloeiend binnenlands eettoerisme waarbij bussenvol eettoeristen uit Surabaya of Semarang in het weekend naar Yogya reizen uitsluitend om er saté kambing klatek of gudek te gaan eten in een gespecialiseerd restaurant.

Goede eethuizen zijn hier altijd gespecialiseerd. Je kunt naar een eethuis gaan waar je kunt kiezen uit soto ayam (kippensoep), sate kambing (geitenvlees), ikan bakar (gebakken vis) of tempe goreng (gefrituurde soya), maar dat zal dan nooit de beste soto ayam of tempe goreng zijn. Wil je echt goede soto ayam eten dan moet je een eethuisje weten waar ze alleen soto ayam klaarmaken en dat doen ze dan meestal heel erg goed. Zo hebben Citra en ik in Kupang onovertroffen ikan bakar gegeten in een kleine warung aan het strand van Kupang. Nog nooit heb ik dat zo lekker gegeten.

De gebakken vis en de vissoep in Kupang was niet de enige eetopenbaring die ik in Oost-Indonesië beleefd heb. De andere was de koffie. Ik ken de kopi tubruk (in Nederland Turkse koffie genoemd), waarbij de koffie op de bodem van je kopje ligt en niets van de smaak (en de vetten) eruit gefilterd is, maar op Flores dronk ik verse koffie, zo van de plant, die niet gemalen was, maar gestampt. Resultaat is een bijna verfrissende warme kruidendrank die in niets lijkt op een Nederlandse kop filterkoffie of zelfs maar op een Italiaanse espresso. Ik drink nu wel drie of vier koppen koffie op een dag.
In Yogya weten Citra en Koes alle gespecialiseerde allerbeste eettenten, vaak gewoon aan de straat op de grond. De textuur van het vlees is perfect, de bijgerechten (rijst en groente) zijn altijd vers. De vers gemaakte sambals zijn zo samengesteld dat ze de smaak van de ayam goreng of de sate kambing nog meer naar voren halen en een boost geven.


Die boost geeft een kick aan je hele lijf: je smaakpapillen worden wakker, je lippen gaan branden, je lichaamstemperatuur stijgt, alle poriën openen zich, je neus gaat lopen. De smaak is nooit alleen maar scherp; de scherpheid is een middel om de textuur en de versheid en het kruidige smaakpalet van het gerecht in al zijn veellagigheid te kunnen ervaren. Soms moet je even pauzeren om het eten vol te houden, of even zuchten, of een slokje drinken, dan zeg je even tegen elkaar hoe ont-zet-tend lekker het is en dan eet je weer verder.

Tot je verzadigd bent. Verzadigd zijn betekent niet alleen (en zelfs misschien niet eens in eerste instantie) dat je maag vol zit, maar dat je smaakpapillen, lippen en lichaam nu even genoeg hebben. Dat kondig je dan nadrukkelijk aan (saya sudah kenyang). Je zucht diep, laat een diepe boer, en gaat achterover zitten. Eigenlijk is het als goede seks: heel erg lekker, maar je moet er even van uitpuffen om je hartslag weer normaal te krijgen, want je hele lichaam doet mee. En je doet het met je zelf (en je eigen bordje eten) maar deelt de ervaring wel met je tafelgenoten. Dat is menselijk socialiseren zonder veel woorden.


Errug lekker.  

Brahma's Beethoven

Op een van de debatten tijdens het Festival Kesenian Yogyakarta (FKY) hoorde ik van een concert op het tempelcomplex Pramabanan, de grootste en meest indrukwekkende hindoetempel die ik ken op Java. Toen ik klein was lag het complex (in behoorlijk slechte staat) midden in de rijstvelden, je kon er zo in en uit lopen, en de enige mensen die je er zag waren de mensen die op de rijstvelden werkten.

Nu is het tempelcomplex piekfijn opgeknapt (hoewel de schade van de aardbeving van 2006 niet helemaal te herstellen was) en staat er een groot hek omheen met toegangspoortjes en bijbehorende entreeprijzen, wandelroutes, en aangeveegde restaurantjes met een capaciteit voor een hele toerbus. De magie is er dus een beetje af, maar de tempel is wel toekomstbestendig.

‘s Avonds dient het tempelcomplex als een magnifiek decor voor allerlei voorstellingen. Vier jaar geleden woonden we een wayang-wongvoorstelling bij, dit keer speelde het Melbourne Symphony Orchestra Haydns Trompetconcert en Beethovens Tweede Symfonie, aangevuld met twee behoorlijk vreselijke eigentijdse brouwsels van een Australische en een Indonesische componist.

Ik was samen met Nurina op de brommer naar Prambanan getogen, 18 km rijden van Yogya. Het was nog behoorlijk lastig er te komen met alle files en het volstrekt chaotische verkeer, maar we waren er op tijd.

Het was wel raar: Beethovens Tweede voor de heilige domeinen van Shiva, Brahma en Vishnu, maar ook mooi vormgegeven met sober en effectief lichtwerk dat de tempels nog groter en mysterieuzer leek te maken. Het zittende publiek was er op uitnodiging, onder wie de ambassadeur van Australië en de Sultan en Sultane van Yogyakarta met hun kinderen. De rest van het publiek (wij) moest staan en dat was gratis.
Ik had alleen nog niet gegeten en de Prambananrestaurantjes waren niet open, zo zonder toerbussen met klandizie. Ik begon behoorlijke honger te krijgen. Tijdens de pauze wandelden Nurina en ik wat rond en we werden hartelijk begroet door Mas Yudi, een jongeman die erg goed Engels sprak (hij had Engels gestudeerd aan UGM) en de assistent van de Sultan bleek te zijn. Hij stond behoorlijk bij Nurina in het krijt, want Nurina werkt bij de Indonesische luchtvaartmaatschappij Garuda en telkens wanneer de Sultan iets speciaals wil met een vlucht, dan belt Mas Yudi Nurina op om het te regelen.

Zodra Mas Yudi doorhad dat ik nog niet gegeten had, zei hij tegen ons: "kom maar mee." De tweede helft van het concert was intussen begonnen en we wandelden over het veld naar de zijkant van de tempel. Daar stond een witte tent waar de hele hofhouding van de Sultan koffie zat te drinken en te snacken. Aardappelkroketjes, cakejes, koekjes, ga zo maar door. We installeerden ons op een paar stoelen naast de buffettafel, tastten toe, bekeken het orkest en tempels van de zijkant en kletsten een eind weg.
Toen het concert afgelopen was, zei Mas Yudi: "zo, nu is er werk aan de winkel." De lakeien, hofdames, chauffeurs en assistenten stonden allemaal op om de Sultan en de Sultane naar huis te brengen. Nurina en ik stapten met volle magen weer op de brommer.

Heel leuk avondje uit.

Afkicken

Yogya heeft een overvloed aan bezienswaardigheden: het paleis van de Sultan, inclusief een duizend-en-een-nacht waterpaleis, de nabijgelegen boeddhistische tempel Borobudur en het hindoeïstische tempelcomplex Prambanan, Fort Vredeburg, wandel- en jeeptochten op de hellingen van de vulkaan Merapi enzovoort. Al die bezienswaardigheden ken ik inmiddels op mijn duimpje.

En Yogya is een soort culturele hoofdstad van Java, met een keur aan muziekfestivals (van gamelan- tot jazzfestivals), buitengewoon vaardige straatmuzikanten, een schouwburg, een keur aan restaurants waar gespeeld wordt, lezingen, debatten, en natuurlijk een hogeschool voor de kunsten (ISI) waar Citra (muziek) en Koes (theater, film) werken.

Op mijn Javaanse fiets ben al wel meer dan tien universiteiten tegengekomen, met uiteenlopende statuur en oriëntatie. Net als in het verzuilde Nederland is er een Katholieke, Protestantse, en Islamitische universiteit, zijn er universiteiten die alleen managementstudies of toerismestudies aanbieden, en op de Universitas Gadjah Mada (ook volgens de mensen die ik in Flores tegenkwam de meest gerenommeerde universiteit van Indonesië) is er naast alle klassieke faculteiten Geneeskunde, Economie, Rechtsgeleerdheid en Humaniora, een departement Pancasilastudies: een soort nationalistische maatschappijleer, zeg maar, met een graad in braaf burgerschap. Daar hebben Citra en ik ons al vaak vrolijk over gemaakt.

Ik ben hier dus niet zozeer om te sightseeën, maar om een beetje tot rust te komen na drie weken rondzwerven in Oost-Indonesië. Dat was nog niet zo makkelijk. De eerste dagen hier had ik echt onthoudingsverschijnselen. Onrustig, steeds op zoek naar nieuwe prikkels, niet kunnen stilzitten. Het is echt verslavend, reizen, hoe uitputtend het ook is.

Maar nu heb ik Murakami’s 1Q84 in het Engels gekocht bij één van de vele goed geoutilleerde boekhandels hier en kan ik genieten van een lekkere cappuccino, na mijn dagelijkse half uurtje zwemmen.


En gelukkig zijn er genoeg andere dingen te doen: ik ken hier intussen (vooral dankzij Citra) aardig wat mensen in het muzikale en culturele circuit, die contacten zijn leuk en waardevol om te onderhouden. Ik woon af en toe debatten bij over kunst en cultuur, kunstkritiek en wetenschap (die ik voor ongeveer 30% begrijp), en ik ga volgende week een paar dagen naar Jakarta voor werkgerelateerde aangelegenheden. 

Stilzitten is toch echt een soort laatste optie...

Ter kerke

Ik ben op vele continenten ter kerke gegaan. Dat begon in Engeland met de wekelijkse anglicaanse evensong in Lincoln College, Oxford, nu rui...